In de Nederlandse belastingwetgeving speelt de zogenaamde "box 3" een cruciale rol bij het berekenen van de inkomstenbelasting. Aandelen in verenigingen van eigenaren (VvE’s), in het bijzonder aandelen in VvE-reserves, vallen in deze context binnen de categorie "overige bezittingen", wat verplichte aangifte en bepaalde belastingverplichtingen met zich meebrengt. De vraag hoe deze aandelen moeten worden gewaardeerd, en welk rendement bij de berekening van de belasting moet worden meegenomen, heeft in de afgelopen jaren gevoerde rechtszaken opgeleverd, met uiteindelijke uitspraken van de Hoge Raad. Deze uitspraken hebben invloed gehad op de praktijk bij de Belastingdienst, zowel in 2023 als in latere jaren.
In dit artikel worden de relevante aspecten van aandelen in VvE-reserves in het kader van box 3 behandeld. We zullen ingaan op de juridische en fiscale betekenis van dergelijke aandelen, het rendement dat bij de belastingberekening wordt meegenomen, en de gevolgen van recente jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarnaast zullen we de praktijkimplicaties bespreken, inclusief de invloed van de Herstelwet Box 3 en de voorstellen voor veranderingen in de toekomst.
Belastingrechtelijke context van aandelen in VvE-reserves
In de fiscale wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen drie vermogenscategorieën: box 1, box 2 en box 3. Box 3 betreft vermogen dat niet op eigen kosten is aangeschaft of dat niet rechtstreeks inkomen oplevert. Aandelen in VvE-reserves vallen in de categorie "overige bezittingen", zoals uitgebreid beschreven in de fiscale handboeken van de Belastingdienst (zie bron 3).
De juridische betekenis van dergelijke aandelen is bepaald door het feit dat VvE’s juridische personen zijn, waarin woningen zijn geïnvesteerd en waarin reserves worden aangegaan om eventuele uitgaven, zoals reparaties en onderhoud, te dekken. Aandelen in deze reserves zijn dus formeel een bezit dat niet direct inkomsten oplevert, maar dat wel deel uitmaakt van de belastingaangifte in box 3.
Waarom aandelen in VvE-reserves in box 3 vallen
Aandelen in VvE-reserves vallen onder "overige bezittingen", zoals uitgebreid verduidelijkt in bron 3. Dit betekent dat zij niet vallen onder categorieën zoals banktegoeden of verplichte spaartegoeden, en dus niet onder het forfaitaire rendement van 0,12%. De Belastingdienst heeft op basis van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 bepaald dat aandelen in VvE-reserves in box 3 moeten worden aangemeld en belast op basis van het forfaitaire rendement dat voor overige bezittingen geldt.
Deze belastingaangifte en -berekening zijn echter niet zonder complicaties. In een rechtszaak die in 2018 voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd gevoerd (zie bron 2), werd de vraag gesteld of het forfaitaire rendement van 5,38% (het rendement dat voor overige bezittingen geldt) of juist 0,12% (het rendement dat voor bank- en spaartegoeden geldt) zou moeten worden toegepast op aandelen in VvE-reserves.
Uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het forfaitaire rendement van 0,12% zou moeten worden toegepast op aandelen in VvE-reserves. Dit was een belangrijke juridische keertrekkende richting, omdat het hof concludeerde dat het werkelijke rendement op deze aandelen lager was dan het forfaitaire rendement van 5,38%. Dit hield in dat de Belastingdienst onvoldoende rechtsherstel had verleend aan de belastingplichtige, omdat zij was belast met een rendement dat hoger was dan het daadwerkelijk behaalde rendement.
De belastingplichtige in kwestie had een aandeel van € 10.807 in de reserves van drie VvE’s. Het totale box-3-vermogen van de betreffende belastingplichtige bedroeg € 1.328.507, waarbij de VvE-reserves slechts 0,8% uitmaakten. Het hof besloot dat het forfaitaire rendement van 0,12% juist zou moeten worden toegepast, omdat dit het werkelijke rendement beter weerspiegelde dan het hogere forfaitaire rendement van 5,38%.
De rol van artikel 5:126, lid 3, BW
Een belangrijke juridische overweging bij de uitspraak van het gerechtshof was artikel 5:126, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Dit artikel bepaalt dat bijdragen aan VvE-reserves op een afzonderlijke betaal- of spaarrekening moeten worden geplaatst. Het hof concludeerde op basis van dit artikel dat dergelijke aandelen niet onder de categorie "banktegoeden" of "spaartegoeden" vielen, maar onder de categorie "overige bezittingen". Dit was een cruciale juridische overweging, omdat het bepaalde hoe het forfaitaire rendement zou worden berekend.
Hoge Raad oordeelt over forfaitaire rendementen en rechtsherstel
De uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden leidde tot een beroep bij de Hoge Raad. Deze uitspraak was van groot belang, omdat zij de uiteindelijke jurisprudentie bepaalde over de toepassing van het forfaitaire rendement op aandelen in VvE-reserves.
De Hoge Raad oordeelde dat voor de vraag of de box-3 heffing discriminatoir is, het rendement van het gehele box-3 vermogen relevant is. In het geval van X1 (zie bron 1), die een aandeel in VvE-reserves had, was het hof niet in staat om aan te tonen dat het werkelijke rendement van het box-3 vermogen kon worden vastgesteld. De Hoge Raad concludeerde daarom dat X1 niet in aanmerking kwam voor verder rechtsherstel dan voortvloeit uit het forfait van de Herstelwet.
De Hoge Raad benadrukte verder dat het hof het rendement van de VvE-reserves had moeten betrekken in de overwegingen over de discriminatievraag. Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën werd als grondvol geoordeeld, aangezien het hof niet had vastgesteld wat het bedrag was van het forfaitaire rendement dat voortvloeit uit de Herstelwet. Het verwijzingshof zou dit alsnog moeten doen.
Het forfaitaire rendement in box 3
De Hoge Raad stelde duidelijk dat aandelen in VvE-reserves onder de in 2018 geldende wettelijke regeling niet aan te merken zijn als banktegoeden, maar als overige bezittingen. Dit betekent dat het forfaitaire rendement van 5,38% voor overige bezittingen in principe zou moeten worden toegepast. De Hoge Raad benadrukte echter ook dat het rendement van het gehele box-3 vermogen relevant is bij de beoordeling of een belastingaanslag discriminatoir is.
In dit kader oordeelde de Hoge Raad ook over de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3. De Hoge Raad stelde dat beide wetten tekortschieten in het geval dat het werkelijke rendement van een belastingplichtige lager is dan het forfaitaire rendement. In dergelijke gevallen moet de Belastingdienst teruggaaf verlenen, ongeacht het verschil tussen het forfaitaire en werkelijke rendement.
Praktijkgevolgen voor belastingplichtigen
De uitspraak van de Hoge Raad heeft directe praktijkgevolgen voor belastingplichtigen met aandelen in VvE-reserves. Deze aandelen moeten in box 3 worden aangemeld als "overige bezittingen", met een forfaitaire rendeming van 5,38%. Dit rendement moet worden meegenomen bij de berekening van de belastingaanslag op basis van het totale box-3-vermogen.
Voor belastingplichtigen die van mening zijn dat het forfaitaire rendement te hoog is, biedt de Herstelwet Box 3 mogelijkheid tot rechtsherstel. Echter, zoals blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad, is het van belang om voldoende feiten en bewijs te kunnen leveren om aan te tonen dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Als dit niet het geval is, kan verder rechtsherstel niet worden verleend.
Invloed van de Overbruggingswet en het Belastingplan 2026
De Overbruggingswet box 3, die in werking is getreden op 1 januari 2023, heeft als doel om de overgang naar het nieuwe box-3-stelsel in 2028 te vergemakkelijken. In het kader van deze wet zijn er bepaalde wijzigingen voorgesteld, zoals de verhoging van het forfaitaire rendement van overige bezittingen met 1,78% vanaf 2026. Ook is voorgesteld om het heffingvrije vermogen te verlagen naar € 52.048 (zie bron 4).
In het Belastingplan 2026 is voorgesteld om het forfaitaire rendement van overige bezittingen verder te verhogen naar 7,78%, terwijl het heffingvrije vermogen verlaagd zou worden naar € 51.396. Deze wijzigingen zouden vanaf 2026 in werking treden en hebben directe gevolgen voor belastingplichtigen met aandelen in VvE-reserves.
Toekomstige ontwikkelingen en voorstellen
De uitspraken van de Hoge Raad en de jurisprudentie van lagederechtshoven tonen aan dat de fiscale behandeling van aandelen in VvE-reserves in box 3 nog steeds complex is. Hoewel er duidelijkheid is ontstaan over de toepassing van het forfaitaire rendement, blijft de vraag of dit rendement adequaat is voor alle situaties.
De Belastingdienst en het ministerie van Financiën werken aan een nieuw stelsel voor box 3, dat vanaf 2028 ingaat. Dit stelsel zou ervoor zorgen dat belastingplichtigen worden belast op basis van hun werkelijke rendement, in plaats van op basis van een forfaitair rendement. Dit is een fundamentele wijziging in de fiscale wetgeving en heeft grote gevolgen voor belastingplichtigen met aandelen in VvE-reserves.
Verwachtingen voor 2026 en 2028
In de Voorjaarsnota van 2025 is aangekondigd dat het voornemen om het forfaitaire rendement van overige bezittingen te verhogen doorgaat. In 2026 zou het forfaitaire rendement naar 7,78% verhogen, terwijl het heffingvrije vermogen verlaagd zou worden naar € 51.396. Deze wijzigingen zouden een verandering in de belastingaanslag voor belastingplichtigen met aandelen in VvE-reserves teweegbrengen.
Vanaf 2028 zou het nieuwe stelsel voor box 3 ingaan, waarin belastingplichtigen worden belast op basis van hun werkelijke rendement. Dit stelsel zou verder rechtsherstel mogelijk maken in gevallen waarin het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Dit is een belangrijke stap in de richting van een eerlijker fiscaal systeem.
Conclusie
Aandelen in VvE-reserves vallen binnen de categorie "overige bezittingen" in box 3. Deze aandelen moeten worden aangemeld bij de Belastingdienst en worden belast op basis van het forfaitaire rendement van 5,38%. De uitspraak van de Hoge Raad benadrukt dat dit rendement relevant is voor de beoordeling of een belastingaanslag discriminatoir is.
Praktijkgevolgen zijn duidelijk: belastingplichtigen met aandelen in VvE-reserves moeten deze aandelen in box 3 melden en kunnen rekenen op rechtsherstel indien het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Echter, het is van belang om voldoende feiten en bewijs te kunnen leveren om aan te tonen dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.
De toekomstige ontwikkelingen in de fiscale wetgeving, zoals de Overbruggingswet en het nieuwe box-3-stelsel, zullen directe gevolgen hebben voor belastingplichtigen met aandelen in VvE-reserves. Deze ontwikkelingen zorgen voor veranderingen in het forfaitaire rendement en het heffingvrije vermogen, waardoor de belastingaanslag voor dergelijke aandelen mogelijk verandert.
In de komende jaren is het van belang voor belastingplichtigen om op de hoogte te blijven van de juridische en fiscale ontwikkelingen met betrekking tot aandelen in VvE-reserves. Deze aandelen vallen binnen een specifieke categorie in box 3, en de fiscale behandeling ervan kan veranderen in het kader van nieuwe wetgeving en jurisprudentie.