Inleiding
De gemeente Opsterland heeft een stelsel van regulerende en financiële maatregelen ontwikkeld om kinderen met een taal- of ontwikkelingsachterstand vroegtijdig te ondersteunen binnen het kader van integrale kindcentra. Deze maatregelen zijn sterk gericht op het garanderen van een vroegtijdige en doelgerichte begeleiding via het VVE-programma (Voorschoolse Educatie), met name gericht op kinderen in de leeftijd van 18 tot 48 maanden. De centrale rol van de gemeente ligt in het verlenen van een gemeentetoeslag voor de kinderopvang, waarbij een specifieke aandacht wordt besteed aan kinderen die voldullen aan de voorwaarden voor een VVE-indicatie. Deze indicatie wordt afgegeven op grond van een beoordeling door het gemeentelijke consultatiebureau van de GGD en is een voorwaarde voor de vergoeding van de kinderopvangkosten via het VVE-programma. De verordening inzake inkoop kindplekken en kwaliteitseisen bij de ontwikkeling naar integrale kindcentra, geldend van 1 september 2012 tot en met 31 december 2016, stelt duidelijke eisen aan zowel de aanbieders van kinderopvang als aan de ouders. Deze tekst beschrijft de juridische, financiële en operationele aspecten van het systeem zoals gedefinieerd in de bronnen, inclusief de rol van de GGD, de gemeente, de Inspectie van Onderwijs en de verantwoordelijkheden van de aanbieder. Het doel is een volledig overzicht te geven van het stelsel van VVE-indicaties, de vereisten voor deelname, de financiële ondersteuning en de verantwoordelijkheden van de betrokken instanties.
Rechtsgrondslag en Juridische Aanpak van VVE-Indicaties
De juridische grondslag voor het stelsel van VVE-indicaties in de gemeente Opsterland is gelegen in een verordening die van kracht was van 1 september 2012 tot 31 december 2016. Deze verordening, officieel de Verordening inkoop kindplekkken en kwaliteitseisen bij de ontwikkeling naar integrale kindcentra genoemd, stelt de juridische kadervoorwaarden vast binnen welke het gemeentelijke systeem van kinderopvang en VVE-ondersteuning functioneert. De verordening is uitgegeven op grond van wetgeving die is vastgelegd in wetten als de Wet Kinderopvang. De wetgeving stelt duidelijk dat een kind dat in de leeftijd van 18 tot 48 maanden is en waarvoor de GGD een VVE-indicatie heeft afgegeven, als doelgroepkind wordt beschouwd. Deze indicatie is niet automatisch, maar het resultaat van een beoordeling door het consultatiebureau van de GGD, dat risicofactoren onderzoekt zoals het opleidingsniveau van de ouders, eventuele indicaties voor Stevig Ouderschap en een omgevingsanalyse die de taalomgeving thuis en de spraak-taalontwikkeling van het kind beoordeelt. Indien het risico op een ontwikkelingsachterstand als aanzienlijk wordt beoordeeld, wordt een VVE-indicatie afgegeven. Deze indicatie is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor financiële ondersteuning via het gemeentelijke systeem voor VVE-kindplekken. De definitie van een doelgroepkind en de daarmee samenhangende criteria zijn vastgesteld door het college van de gemeente, wat aantoont dat de gemeente bevoegd is om verdere uitvoeringsregels vast te stellen. De geldende regelgeving stelt duidelijke eisen aan de kwaliteit van de VVE-uitvoering, die worden beoordeeld door de Inspectie van Onderwijs aan de hand van de Werkinstructie VVE-locatie uit maart 2014. In 2015 moest het oordeel van de Inspectie van Onderwijs tonen dat de indicatoren Wettelijke condities (A) en Ontwikkeling, begeleiding, zorg (D) volledig voldoende (score 3) waren beoordeeld. Als een van deze indicatoren als wenselijk of noodzakelijk verbeterpunt (score 2 of 1) werd beoordeeld, kon dit een aanleiding zijn voor de gemeente om nader onderzoek, afwijzing, stopzetting of bijstelling van de subsidie in te nemen. Dit toont aan dat de juridische en controlefunctie van de gemeente niet beperkt blijft tot het verlenen van toeslagen, maar uitgebreid wordt tot het toezicht op de kwaliteit van de uitvoering van het VVE-programma. De gemeente kan dus actief ingrijpen bij tekortkomingen in de kwaliteit van het VVE-programma, onafhankelijk van de financiële subsidie.
Vereisten voor Aanbieders van Kindverzorging
Voor aanbieders van peuteropvang in de gemeente Opsterland zijn er duidelijke juridische en operationele vereisten vastgesteld, voornamelijk gericht op het waarborgen van kwaliteit bij de uitvoering van het VVE-programma. Een belangrijk onderdeel van deze vereisten is het vereist minimum aan kinderen in een groep. Voor een groep moet ten minste sprake zijn van zeven kinderen, allen tussen de twee en vier jaar oud. Dit minimum is van toepassing op reguliere kinderopvanggroepen. In bepaalde gevallen, zoals bij een aanbieder die opstart met peuteropvang in de gemeente, is een tijdelijk minimum van vier peuters toegestaan gedurende een periode van maximaal zes maanden. Indien de bezetting daarna daalt tot onder de zeven kinderen, dient de aanbieder dit met de gemeente af te stemmen en dient er concreet uitzicht te zijn op het binnen drie maanden weer een bezetting te bereiken die aan het minimum voldoet. Deze regel is bedoeld om te voorkomen dat er te weinig kinderen zijn om een doeltreffend VVE-programma te kunnen uitvoeren. De aanbieder moet daarnaast een wederkerigheidsovereenkomst met de ouder afsluiten als voorwaarde om een kindplek te mogen afnemen. Deze overeenkomst bevat de afspraken tussen gemeente en ouder rondom de wederkerigheid, wat aantoont dat de gemeente een bepaalde mate van continuïteit en betrokkenheid van de ouder wil bevorderen. De wederkerigheidsvereiste is dus niet alleen een administratieve formality, maar een onderdeel van een strategisch kader om duurzame kinderopvang te waarborgen. Daarnaast moet de aanbieder in staat zijn om de nodige administratieve documenten te leveren, zoals het LRKP-nummer van de aanbieder en het BSN-nummer van het kind, in de overeenkomst of offerte. Deze eisen zijn bedoeld om de transparantie en traceerbaarheid van het systeem te verhogen. De aanbieder is ook verantwoordelijk voor het beheren van de prijs van de opvangdienst. De gemeente stelt een maximale uurprijs vast, waarmee de aanbieder moet voldoen om in aanmerking te komen voor de gemeentetoeslag. Als de aanbieder een uurtarief boven de maximale uurprijs hanteert, kan de subsidie niet worden uitgekeerd. Dit is cruciaal voor de financiële duurzaamheid van het systeem, omdat het voorkomt dat ouders voor hogere kosten moeten betalen dan de subsidie dekt.
Financiële Ondersteuning en Gemeentetoeslag
De gemeentetoeslag is een centraal onderdeel van het financiële systeem voor kinderopvang in Opsterland, met name gericht op ouders van kinderen die deelnemen aan het VVE-programma. Deze toeslag is bedoeld om de financiële last voor ouders van doelgroepkinderen te verlichten en zorgt ervoor dat deelname aan VVE-netto kosteloos is, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De basisvoorwaarde voor het recht op deze toeslag is dat de ouder in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag. Dit geldt voor personen die in dienst zijn bij een werkgever, zonder vergoeding meewerken in de zaak van de partner, werken, studeren of deel uitmaken van een traject om werk te vinden. Deze voorwaarde is cruciaal, omdat alleen ouders die voldullen aan deze financiële voorwaarden kunnen profiteren van de gemeentetoeslag. De toeslag is gericht op het dekken van de kosten voor ten minste twee dagdelen per week, omdat dit het meest effectief wordt gevonden voor het leren van kinderen. In de regel vallen de kosten voor minder dan twee dagdelen buiten de dekking van de toeslag. Een uitzondering op deze regel is de gewenningsperiode, waarin een kind tijdelijk kan deelnemen aan één dagdeel, met een maximale duur van twee maanden. Dit is bedoeld om ouders en kinderen te helpen wennen aan het nieuwe omgeving. Voor de berekening van de gemeentetoeslag wordt een maximum vastgesteld op 10,5 uur per week, gebaseerd op een fictief aanbod van drie dagdelen van 3,5 uur. De daadwerkelijke deelname moet echter minimaal 10 uur per week zijn om in aanmerking te komen voor de volledige vergoeding. De gemeente stelt een maximale uurprijs vast, waarmee de aanbieder moet voldoen om in aanmerking te komen voor de toeslag. Indien de aanbieder een uurtarief boven de maximale uurprijs hanteert, is er geen recht op de gemeentetoeslag. De toeslag wordt uitgekeerd aan de ouder via de gemeente, mits aan alle voorwaarden is voldaan. De financiering van de gemeentetoeslag is gebaseerd op een berekening die is vastgelegd in artikel 8 van de verordening, met als doel een evenwicht te vinden tussen de financiering van het VVE-programma en de financiële belangen van ouders. Deze financiële steun is daarmee niet alleen een vorm van ondersteuning voor ouders, maar ook een middel om de kwaliteit van de VVE-uitvoering te waarborgen.
De rol van de GGD en de gemeente bij de indicatie en toezicht
De GGD speelt een centrale rol in het proces van VVE-indicaties in de gemeente Opsterland. Het consultatiebureau van de GGD is bevoegd om op basis van een beoordeling van risicofactoren te bepalen of een kind een indicatie voor VVE dient te krijgen. Deze risicofactoren omvatten het opleidingsniveau van de ouders, eventuele indicaties voor Stevig Ouderschap en een omgevingsanalyse van de taalomgeving thuis en de spraak-taalontwikkeling van het kind. De verpleegkundige van de JGZ beoordeelt of het risico op een ontwikkelingsachterstand zo groot is dat een indicatie afgegeven dient te worden. De indicatie is geen definitieve diagnose, maar een voorlopige bepaling die gebaseerd is op een beoordeling van de kans op een achterstand. Deze indicatie is vereist om in aanmerking te komen voor de gemeentetoeslag en de vergoeding van kinderopvangkosten via het VVE-programma. De GGD is ook verantwoordelijk voor het controleren van de kwaliteit van de VVE-locatie via de inspectie en het uitbrengen van een advies aan de gemeente. Deze controle wordt uitgevoerd op grond van de Wet Kinderopvang. De gemeente is daarnaast bevoegd om uitvoeringsregels vast te stellen, inclusief de gemeentetoeslag voor peuteropvang en VVE. De gemeente heeft dus niet alleen de bevoegdheid om de toeslag te verlenen, maar ook om toezicht te houden op de kwaliteit van de VVE-uitvoering via de GGD en de Inspectie van Onderwijs. Indien de Inspectie van Onderwijs een oordeel uitbrengt waarin de indicatoren Wettelijke condities (A) en Ontwikkeling, begeleiding, zorg (D) als wenselijk of noodzakelijk verbeterpunt (score 2 of 1) wordt beoordeeld, kan de gemeente actie ondernemen. De gemeente kan dan nader onderzoek, afwijzing, stopzetting of bijstelling van de subsidie inleiden. Dit toont aan dat de gemeente niet alleen een financiële, maar ook een kwaliteitsgerichte rol vervult in het systeem van VVE-indicaties. De gemeente heeft ook de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de aanbieders voldullen aan de vereisten, zoals het hebben van een wederkerigheidsovereenkomst en het leveren van de nodige administratieve documenten. Deze controlefunctie is essentieel voor het waarborgen van de doeltreffendheid en rechtvaardigheid van het systeem.
De rol van de Inspectie van Onderwijs en de kwaliteitsbeoordeling
De Inspectie van Onderwijs heeft een cruciale rol in het waarborgen van de kwaliteit van het VVE-programma. De kwaliteit van VVE-opvang wordt beoordeeld op grond van de Werkinstructie VVE-locatie, verschenen in maart 2014. Deze handleiding vormt de richtlijn voor de beoordeling van de kwaliteit van de VVE-locatie. De beoordeling is gericht op twee kernindicatoren: Wettelijke condities (A) en Ontwikkeling, begeleiding, zorg (D). In 2015 moest het oordeel van de Inspectie van Onderwijs tonen dat deze indicatoren volledig voldoende (score 3) waren beoordeeld. Als een van deze indicatoren echter als wenselijk of noodzakelijk verbeterpunt (score 2 of 1) werd beoordeeld, kon dit een aanleiding zijn voor de gemeente om nader onderzoek, afwijzing, stopzetting of bijstelling van de subsidie in te nemen. Dit toont aan dat de gemeente niet alleen verantwoordelijk is voor het verlenen van financiële steun, maar ook voor het handhaven van de kwaliteit van het VVE-programma. De Inspectie van Onderwijs is de onafhankelijke instantie die de kwaliteit van de VVE-locatie beoordeelt. De resultaten van deze beoordeling zijn van essentieel belang voor de financiering van de gemeentetoeslag. De gemeente gaat dan niet actief onderzoeken of het programma aan de eisen voldoet, maar wacht het oordeel van de Inspectie van Onderwijs af. Dit toont aan dat de gemeente vertrouwt op de deskundigheid van de Inspectie van Onderwijs. De gemeente kan echter actief ingrijpen indien het oordeel van de Inspectie een tekortkoming in de kwaliteit aantoont. De gemeente is dus niet alleen een financiële instantie, maar ook een toezichthouder op kwaliteit. De rol van de Inspectie van Onderwijs is dus niet alleen beoordelend, maar ook beheersend. De beoordeling is gebaseerd op een uitgebreid kader dat de kwaliteit van het VVE-programma beoordeelt op basis van duidelijke criteria. De gemeente kan op basis van het oordeel van de Inspectie van Onderwijs besluiten nemen die van invloed zijn op de financiering van het VVE-programma.
Conclusie
Het stelsel van VVE-indicaties en gemeentelijke steun in de gemeente Opsterland is een gecompliceerd maar doordacht kader dat gericht is op het waarborgen van vroegtijdige en doeltreffende ondersteuning voor kinderen met een taal- of ontwikkelingsachterstand. De kern van het systeem ligt in de indicatie van kinderen door de GGD op basis van risicofactoren, gevolgd door een beoordeling van de kwaliteit van de VVE-uitvoering door de Inspectie van Onderwijs. De gemeente speelt een centrale rol als financier en toezichthouder, waarbij zij zowel financiële steun verleent via de gemeentetoeslag als toezicht houdt op de kwaliteit van de uitvoering. De vereisten voor aanbieders zijn duidelijk vastgelegd, waaronder een minimum van zeven kinderen per groep (met een tijdelijke uitzondering van vier kinderen gedurende de opstartfase), de eis van een wederkerigheidsovereenkomst en de vereiste administratieve documenten. De financiële ondersteuning is gericht op ouders die in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag en is gericht op het waarborgen van een deelname aan minimaal tien uur VVE-per week, met een maximum van 10,5 uur. De gemeente heeft de bevoegdheid om bij tekortkomingen in de kwaliteit, zoals beoordeeld door de Inspectie van Onderwijs, actie te ondernemen. Het systeem is dus niet alleen gericht op financiële ondersteuning, maar ook op het waarborgen van een hoge kwaliteit van de VVE-uitvoering. De gecombineerde rol van GGD, gemeente, Inspectie van Onderwijs en aanbieders zorgt voor een duurzaam en doeltreffend systeem dat gericht is op de vroegste ontwikkelingsfase van het kind.