Inleiding
Het VVE-programma ‘Ben ik in Beeld’ is een gerichtheid op de vroeginfantiele ontwikkeling binnen de kinderopvang in Nederland. De bronnen tonen aan dat dit programma gericht is op het versterken van de professionele vaardigheden van pedagogisch medewerkers in kinderdagverblijven en peuterspeelzalen, met als doel een soepele overgang van jonge kinderen naar groep 1 van de basisschool. Het programma wordt uitgevoerd binnen het kader van de beleidsregel onderwijs en is gericht op de vier belangrijkste ontwikkelingsdomeinen: taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling. De focus ligt op het creëren van een omgeving waarin kinderen initiatieven kunnen tonen, waarin leren speels en in de dagelijkse praktijk plaatsvindt, en waarin pedagogisch handelen gecoachtd wordt via videobegeleiding. De uitvoering van het programma is geïntegreerd in bestaande organisaties zoals KSH, waar het reeds sinds 2010 is geïntroduceerd. De financiering van de voorzieningen vindt plaats via subsidie, met in het kader van het subsidieplafond voor 2016. Deze samenhangende benadering van professionalisering, ontwikkeling en financiële ondersteuning vormt het kernthema van dit artikel.
Doelstelling en doelgroep van het VVE-programma ‘Ben ik in Beeld’
Het doel van het VVE-programma ‘Ben ik in Beeld’ is gericht op de professionele ontwikkeling van pedagogisch medewerkers in kinderdagverblijven en peuterspeelzalen, met als doel de kwaliteit van de zorg en educatieve aanpak voor jonge kinderen te verhogen. Het programma richt zich op kinderen vanaf twee jaar oud tot het moment van uitstroom naar de basisschool. De doelgroep omvat daarmee vooral peuters in de leeftijd van twee tot drie jaar oud, die zich in een vroegschoolse voorziening bevinden. De voorschoolse voorziening moet zijn geregistreerd in het LRKP als een vve-kinderdagverblijf. De focus ligt op de periode voor de ingang in de basisschool, waarbij het doel is om een soepele overgang te waarborgen. Het programma is niet bedoeld voor kinderen die al in groep 1 van de basisschool zitten of voor oudere kinderen die al zijn ingeschreven op een basisschool. De doelstelling is niet beperkt tot het leren van taalvaardigheden of rekenvaardigheden, maar omvat ook de ontwikkeling van motorische vaardigheden en het sociaal-emotionele gedrag van het kind. De doelgroep wordt niet gedefinieerd als kinderen met een bepaalde achtergrond of specifieke behoefte, maar als alle kinderen die deel uitmaken van een voorschoolse voorziening die is geregistreerd als vve-kinderdagverblijf. De doelstelling is daarmee gericht op het versterken van de kwaliteit van de zorg en het educatief aanbod op een manier die aansluit bij de ontwikmelingsfasen van jonge kinderen.
Uitvoering en methodologie van ‘Ben ik in Beeld’
De uitvoering van het programma ‘Ben ik in Beeld’ gebeurt via een combinatie van training, begeleiding en evaluatie. De training is gericht op het versterken van de kwaliteiten van pedagogisch medewerkers in het dagelijkse handelen binnen de kinderopvang. De methode is gebaseerd op een ontwikkelingsgerichte aanpak, waarbij de focus ligt op het observeren van het eigen gedrag en het vergroten van bewustwording van de eigen interactievaardigheden. Het programma maakt gebruik van videobegeleiding, waarbij pedagogisch medewerkers hun eigen handelen van dichtbij kunnen observeren. Dit proces helpt hen om hun handelen te analyseren, te heroverwegen en te verfijnen. De kern van de methode is dat pedagogisch medewerkers zichzelf kunnen observeren, zodat ze beter inzicht krijgen in hun eigen interactie met kinderen. De training is gericht op het vergroten van het bewustzijn voor de initiatieven van kinderen, zodat deze kunnen worden gevolgd en gesteund. Het programma is ontworpen als een duurzame aanpak die niet beperkt blijft tot één cursus of training, maar zich uitstrekt over een periode van twee jaar. De uitvoering van het programma is niet beperkt tot het geven van lessen of het oefenen van woordjes op een werkblad. In plaats daarvan wordt gestreefd naar een evenwicht tussen gestructureerde activiteiten en vrije spelsituaties. De pedagogische werking moet zo worden georganiseerd dat kinderen de ruimte krijgen om zelf initiatieven te tonen. Dit vereist een planning van de dag die zowel beleidsmatig vastgelegd is als flexibel genoeg is om spontane en vrije activiteiten toe te laten. De uitvoering van het programma is dus gericht op het creëren van een omgeving waarin kinderen kunnen leren door te spelen, te experimenteren en te ontdekken.
Integratie in bestaande organisaties en samenwerking met andere programma’s
Het programma ‘Ben ik in Beeld’ is geïntegreerd in bestaande organisaties, zoals KSH, waar het reeds vanaf 2010 wordt toegepast. De vestiging KSH KDV Pendrecht in Rotterdam was in dat jaar het eerste VVE-gecertificeerde kinderdagverblijf van de stad. Dit duidt op een erkende kwaliteit van het programma binnen het maatschappelijk middenveld. Het programma is niet alleen geïntegreerd binnen één organisatie, maar kan ook gecombineerd worden met andere VVE-programma’s, zoals Puk van de methode Puk en Ko. De combinatie met andere programma’s is mogelijk en wordt geïntroduceerd op verzoek van de organisatie. De integratie gebeurt via de vestigingsleiding, waarbij zowel pedagogisch medewerkers als vestigingsmanagers deel uitmaken van de training. Op elk kinderdagverblijf en peuterspeelzaal kan het programma worden toegepast. De organisatie KSH biedt ook een folder aan over haar samenwerking met het programma ‘Ben ik in Beeld’. De combinatie met andere programma’s duidt erop dat het programma niet als een afzonderlijke of afsluitende aanpak wordt gezien, maar als onderdeel van een bredere strategie voor de kwaliteit van de kinderopvang. De samenwerking met andere programma’s versterkt de professionalisering van medewerkers en helpt om een consistente aanpak te waarborgen binnen de organisatie. De integratie gebeurt dus op meerdere niveaus: op het niveau van de vestiging, het personeel en de organisatie.
Financiële ondersteuning en subsidiebeleid
De financiering van het VVE-programma ‘Ben ik in Beeld’ vindt plaats via overheidssteun in de vorm van subsidie. Het subsidiebeleid is vastgelegd in de beleidsregel onderwijs, waarin het subsidieplafond voor 2016 is vastgesteld op maximaal € 33.408.500,00. Deze bedragen zijn bedoeld voor de subsidie aan voorschoolse voorzieningen met en zonder VVE-programma. De subsidie is gericht op het dekken van de kosten van het programma, inclusief de kosten van de training, begeleiding en evaluatie. De subsidie wordt uitgekeerd op basis van de werkelijke kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de uitvoering van VVE. De financiële verantwoording vereist dat de subsidieontvanger een overzicht geeft van de werkelijke subsidiabele lasten en de daarmee gerelateerde baten, afgezet tegenover de bij de subsidieverlening vastgestelde financiële begroting. Afwijkingen van meer dan 10% per begrotingsonderdeel worden in de verantwoording toegelicht. De financiële verantwoording is geen onderdeel van de accountantscontrole. De financiering is gericht op de uitvoering van het programma in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2016. De subsidie is gereserveerd voor kinderdagverblijven die in het begin van het jaar als peuterspeelzaal hebben aangevraagd. De subsidiebedragen zijn vastgelegd in een tabel, waarin voor elke groep de maximale subsidie wordt vastgesteld op basis van de grootte van de groep en het aantal uren per week. De maximale subsidie per groep bedraagt voor de periode van 1 januari tot 31 augustus 2016 maximaal 2/3e van het bedrag dat is opgenomen in de tabel. De financiering is dus beperkt tot een bepaalde periode en een bepaalde groep kinderen. Het subsidiebeleid is dus gericht op het waarborgen van een duurzame financiering voor de uitvoering van het programma, met nadruk op de financiële transparantie en de verantwoorde omgang met overheidsmiddelen.
Eindtermen en meetbaarheid van prestaties
De meetbaarheid van prestaties is een essentieel onderdeel van het subsidiebeleid. De prestaties worden gemeten op basis van de werkelijke realisatie van de doelstellingen van het programma. Het aantal twee- en driejarige peuters dat gedurende de subsidieperiode een VVE-programma heeft ontvangen, is de belangrijkste meetbare prestatie. Dit aantal wordt vastgesteld op basis van een telling in twee afzonderlijke telweken: de week van 1 tot en met 5 februari 2016 en de week van 3 tot en met 7 oktober 2016. Het gemiddelde van deze twee tellingen wordt berekend en afgerond op het eerstvolgende geheel getal. De registratie van het aantal peuters in de genoemde telweken moet worden ondertekend door een persoon die bevoegd is namens het bestuur om de subsidie te verantwoorden. De accountant controleert of de getekende registratie aanwezig is, of de namen op de registratie overeenkomen met de namen van ingeschreven peuters en of de berekening van het gemiddelde juist is uitgevoerd. In geval van een digitaal registratiesysteem is een papieren lijst met ondertekening niet vereist, maar moet er wel een verklaring zijn waarin staat dat de gegevens in het digitale registratiesysteem zijn opgenomen. Afwijkingen van meer dan 10% ten opzichte van de bij subsidieverlening overeengekomen prestaties worden in de inhoudelijke verantwoording toegelicht, met aanduiding van de aard, omvang en beïnvloedbaarheid van de afwijking. Wanneer de afgesproken resultaten niet zijn gehaald, wordt in de verantwoording aangegeven wat hiervoor de verklaring is en welke consequenties dit heeft voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten in het kalenderjaar dat op het moment van de verantwoording al loopt en voor het daaropvolgende kalenderjaar. Deze meetbaarheid en controle zijn bedoeld om zeker te stellen dat de subsidie doeltreffend wordt ingezet en dat de doelstellingen van het programma worden bereikt.
Kritische reflectie op de uitvoering en de balans tussen structuur en vrijheid
De uitvoering van het programma ‘Ben ik in Beeld’ is geïnspireerd op de overtuiging dat leren op jonge leeftijd vooral plaatsvindt door te spelen, te experimenteren en door te communiceren. De bronnen tonen aan dat pedagogisch medewerkers niet in de eerste plaats moeten focussen op het geven van lessen of het oefenen van woordjes op werkbladen. In plaats daarvan moet de focus liggen op het waarnemen van de eigen interactie met kinderen en het creëren van ruimte voor vrij spel. Het is kritisch om te benadrukken dat de doelen van het programma niet mogen wegen ten koste van de ontwikkeling van het kind. Als de doelen te zwaar zijn of te veel structuur bevatten, dan forceert het programma het kind en bereikt het het tegenovergestelde doel. De uitvoering van het programma dient dus in balans te zijn tussen het stellen van doelen en het erkennen van de initiatieven van kinderen. De pedagogische werking moet zo zijn georganiseerd dat kinderen de ruimte krijgen om zelf initiatieven te tonen. Dit vereist dat pedagogisch medewerkers zichzelf kritisch bezien en hun eigen handelen analyseren. De gebruikte methode, met name de videobegeleiding, helpt hierbij. Door hun eigen handelen te filmen, kunnen pedagogisch medewerkers hun eigen gedrag observeren en verbeteren. De balans tussen structuur en vrijheid is dus niet een vast patroon, maar een continue aanpassing die gebaseerd is op de behoeften en interesses van de kinderen. De uitvoering van het programma moet dus niet worden gezien als een vast programma dat elke dag op dezelfde manier wordt uitgevoerd, maar als een continue aanpassing die gericht is op de ontwikkeling van elk kind.
Conclusie
Het VVE-programma ‘Ben ik in Beeld’ is een professionele aanpak die is gericht op de versterking van de kwaliteit van de zorg en het educatief aanbod in de kinderopvang. Het programma is gericht op de ontwikkeling van pedagogisch medewerkers via videobegeleiding, waardoor zij beter inzicht krijgen in hun eigen handelen en beter kunnen luisteren naar de initiatieven van kinderen. Het programma is geïntegreerd in bestaande organisaties zoals KSH en kan gecombineerd worden met andere VVE-programma’s. De financiering gebeurt via overheidssteun in de vorm van subsidie, met een duidelijk financieel beleid en controle. De meetbaarheid van prestaties is zorgvuldig vastgelegd en de eindtermen zijn gericht op het aantal kinderen dat deelneemt aan het programma. De kritische reflectie op de balans tussen structuur en vrijheid benadrukt dat het programma niet bedoeld is om kinderen te forceren, maar om hen te laten ontwikkelen op een manier die aansluit bij hun natuurlijke ontwikkelingsfasen. Het programma is dus gericht op het creëren van een omgeving waarin kinderen kunnen leren door te spelen, te experimenteren en te communiceren, terwijl pedagogisch medewerkers hun professionele vaardigheden blijven verbeteren.