De vereniging van eigenaren (VvE) speelt een centrale rol in de beheersing en financiering van gemeenschappelijke zaken in woningcorporaties. Voor een eigenaar is dit niet alleen een verplichting, maar ook een vorm van belegging in het gezamenlijke vermogen van het pand. Het effect van dit aandeel op de box 3-belasting is echter een complex en juridisch gevoelig onderwerp, met belangrijke gevolgen voor de fiscale last die een belastingplichtige draagt. De beschikbare bronnen tonen aan dat het aandeel in de reserves van een VvE niet automatisch wordt beschouwd als banktegoed, maar in bepaalde gevallen wel onder de categorie banktegoeden kan vallen, met name tijdens de overgangsperiode tot 1 januari 2023. Dit artikel verkent op basis van officiële bronnen de belastingrechtelijke status van een aandeel in VvE-reserves, het verschil in forfaitair rendement tussen banktegoeden en overige bezittingen, en de gevolgen voor rechtsherstel en belastingaanslagen. De analyse richt zich op de situatie zoals die in 2018 gold, aangezien de belangrijkste rechtspraak en wetgeving op dat jaar zijn gebaseerd.
Belastingrechtelijke classificatie van VvE-aandeel in box 3
Het recht op heffing in box 3 is gebaseerd op het vermogen dat een persoon bezit op 1 januari van het belastingsubjectjaar. In de wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën vermogen, waaronder bank- en spaartegoeden, en overige bezittingen. De belastinggrondslag voor box 3 wordt bepaald door het forfaitaire rendement van het vermogen, dat afhankelijk is van de classificatie. De kernvraag in de juridische discussie is of een aandeel in de reserves van een VvE tot de categorie banktegoeden behoort of tot de categorie overige bezittingen. De bronnen tonen duidelijk aan dat dit afhangt van de wettelijke situatie op het moment van de belastingaangifte.
Volgens de Belastingdienst is het aandeel in het vermogen van de VvE, inclusief reserves zoals de algemene reserve, onderhoudsreserve, of voorzieningen, opgenomen onder de categorie 'bank- en spaartegoeden' in de aangifte van inkomensbelasting. Dit geldt ook voor spaartegoeden met een BEM-clausule en geld dat op een derdenrekening van een notaris of gerechtsdeurwaarder staat. Echter, deze classificatie is niet universeel en is afhankelijk van de wettelijke regeling op het tijdstip van de belastingaangifte.
De wetgever heeft in de overgangsperiode van 2023 tot en met 2026 bepaald dat een aandeel in de VvE-reserve – net zoals het vermogen op een derdengeldrekening van een notaris of gerechtsdeurwaarder – met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2023 onder de categorie banktegoeden valt. Deze regeling is bedoeld om te voorkomen dat het vermogen dat op een bankrekening staat, ongunstiger belast wordt dan dat welke op een bankrekening van een derdenrekening staat. Deze regeling is gebaseerd op de feitelijke praktijk dat dergelijke middelen vaak op een bankrekening worden bijgehouden en daardoor meer op banktegoed lijken te lijken dan op een eigen vermogensvorm.
De juridische discussie is echter niet beperkt tot deze overgangsregeling. In een door de Hoge Raad beoordeeld beroep in de zaak van een persoon met een aandeel in de reserves van drie VvE’s (X1 en X2) is gebleken dat de classificatie van een VvE-aandeel niet automatisch tot banktegoed behoort. De Hoge Raad oordeelde dat het voor het rechtsherstel en de vraag of de box-3-heffing discriminatoir is, van wezenlijk belang is wat het werkelijke rendement is op het gehele box-3-vermogen van de belastingplichtige. De Hoge Raad benadrukte dat het rendement van het gehele vermogen, niet alleen van één deel, moet worden beoordeeld. In deze zaak werd geoordeeld dat het aandeel in de VvE-reserves onder de destijds (2018) geldende wetgeving niet kwalificeert als banktegoed, maar als overige bezitting.
Dit betekent dat de classificatie afhankelijk is van de wettelijke situatie op het tijdstip van de aangifte. Voor het belastingsubjectjaar 2018, dat centraal staat in de bronnen, geldt dat een VvE-aandeel als een overige bezitting wordt beschouwd. Dit heeft direct gevolgen voor het toepasselijke forfaitaire rendement en daarmee de belastinggrondslag.
Forfaitair rendement: Banktegoed versus overige bezittingen
Het verschil in belastingaanslag tussen het forfaitaire rendement van banktegoed (0,12%) en dat van overige bezittingen (5,38%) is een sle cleverpunt in de box-3-besparing. Voor een aandeel in VvE-reserves is dit verschil bepalend voor de uiteindelijke belastinglast. De bronnen tonen duidelijk aan dat het rendement dat wordt toegepast op het aandeel in de VvE-reserves afhangt van de classificatie, en dat deze classificatie in 2018 tot de categorie 'overige bezittingen' behoorde.
Volgens bron 3 en 4 is de belastingplichtige in een zaak van 2018 die een aandeel van € 10.807,- in VvE-reserves had, in beginsel belast op basis van het forfaitaire rendement van 5,38% voor overige bezittingen. Dit leidt tot een belastinggrondslag van € 576,24 (5,38% van € 10.807,-). Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft echter in een latere fase van het proces geoordeeld dat het voor de berekening van het rechtsherstel van belang was of het werkelijke rendement op het aandeel lager was dan het forfaitaire rendement van 5,38%. Het hof ging er van uit dat de bijdragen aan de VvE-reserves op een afzonderlijke spaar- of betaalrekening horen te staan, zoals voorgeschreven in artikel 5:126, lid 3, BW. Op grond daarvan besloot het hof dat het forfaitaire rendement van 0,12% voor banktegoed moest worden toegepast op dit deel van het vermogen.
De Hoge Raad heeft dit oordeel echter niet onderschreven. In plaats daarvan oordeelde de Hoge Raad dat de classificatie van het VvE-aandeel niet het enige is waarop gelet hoeft te worden, maar dat het rendement van het gehele box-3-vermogen relevant is. De Hoge Raad stelde dat het rechtsherstel dat moet worden geboden, gebaseerd moet zijn op het werkelijke rendement van het gehele vermogen. In dit geval had de belastingplichtige (X1) niet genoeg feiten geleverd om te bewijzen dat het werkelijke rendement op haar gehele box-3-vermogen lager was dan het forfaitaire rendement van 5,38%. Daardoor kon zij niet in aanmerking komen voor extra rechtsherstel bovenop het forfait van de Herstelwet.
Het belangrijkste verschil tussen de twee categorieën ligt in het forfaitaire rendement. Voor banktegoed wordt een laag rendement van 0,12% toegepast, terwijl voor overige bezittingen een hoger rendement van 5,38% geldt. Dit verschil is niet op basis van de werkelijke rente die wordt ontvangen, maar is een forfaitaire regeling om administratieve kosten te besparen. De Hoge Raad heeft benadrukt dat het forfaitaire rendement alleen geldt voor het vermogen dat onder de desbetreffende categorie valt. Voor een VvE-aandeel dat als overige bezitting wordt beschouwd, is dus het hogere rendement van 5,38% toepasselijk.
Rechtsherstel en de rol van het gehele vermogen
Rechtsherstel in box 3 is een rechtsmiddel dat wordt toegepast wanneer het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement op het vermogen. Het doel is om een belastingplichtige te beschermen tegen onbillijke belastingaanslagen wegens het verschil tussen het forfait en het werkelijke rendement. In de praktijk is dit een complex proces, omdat het niet alleen op een enkele bezitting zoals een VvE-aandeel moet worden gelet, maar op het gehele box-3-vermogen van de belastingplichtige.
De bronnen tonen duidelijk aan dat de Hoge Raad in zijn oordeel van 2023 heeft benadrukt dat voor de vraag of de box-3-heffing discriminatoir is, het rendement van het gehele box-3-vermogen relevant is. De Hoge Raad oordeelde dat het voor rechtsherstel van wezenlijk belang is of het werkelijke rendement op het gehele vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. In de zaak van X1 en X2, die in 2018 een aandeel in de reserves van drie VvE’s bezaten, werd geoordeeld dat het voor het rechtsherstel van belang is of het werkelijke rendement op het gehele vermogen lager was dan het forfaitaire rendement. X1 kon daarvoor echter niet voldoende feiten leveren, waardoor zij niet in aanmerking kwam voor extra rechtsherstel bovenop het forfait van de Herstelwet.
Dit betekent dat een belastingplichtige die een aandeel in VvE-reserves bezit, niet automatisch recht heeft op rechtsherstel op basis van het lage rendement op dat deel van het vermogen, tenzij ze kunnen aantonen dat het werkelijke rendement op het gehele box-3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. In de zaak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was sprake van een lager rendement op het aandeel in de VvE-reserve, aangezien het op een afzonderlijke spaarrekening stond. Op grond daarvan werd het rendement van 0,12% toegepast, wat leidde tot een lagere belastinggrondslag. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat het gerechtshof niet had mogen afwijken van het Besluit rechtsherstel box 3, omdat het aandeel in de VvE-reserve in de wetgeving van 2018 niet als banktegoed werd beschouwd, maar als overige bezitting.
Deze juridische afwikkeling laat zien dat de status van een VvE-aandeel in box 3 afhangt van de juridische classificatie, en dat dit in 2018 tot de categorie overige bezittingen behoorde. Daardoor was het forfaitaire rendement van 5,38% toepasselijk. Het rechtsherstel is echter afhankelijk van het gehele vermogen en niet alleen van het rendement op een enkele bezitting. Deze afhankelijkheid van het gehele vermogen maakt het moeilijk voor een belastingplichtige om rechtsherstel te verkrijgen, tenzij ze over overtuigende feiten beschikken.
Praktische gevolgen voor belastingaangiften en belastingplichtigen
Voor een eigenaar die een aandeel bezit in de reserves van een VvE, zijn de gevolgen van de classificatie en het toepasselijke forfaitaire rendement direct en meetbaar. In 2018, het jaar waarop de belangrijkste bronnen zijn gebaseerd, was het aandeel in de VvE-reserves onderdeel van het box-3-vermogen en moest het worden aangegeven in de aangifte inkomensbelasting. De waarde van dit aandeel, dat op 1 januari 2018 werd vastgesteld, werd ingevoerd in de categorie bank- en spaartegoeden, evenals andere vormen van spaar- en beleggingsvermogen.
De praktische gevolgen voor de belastingplichtige liggen in het verschil tussen het forfaitaire rendement voor banktegoed (0,12%) en dat voor overige bezittingen (5,38%). Als een VvE-aandeel wordt beschouwd als overige bezitting, dan wordt het voor de belastingberekening in aanmerking genomen met het hogere rendement. Voor een aandeel van € 10.807,- in VvE-reserves betekent dit een belastinggrondslag van € 576,24 (5,38% van € 10.807,-), wat aanzienlijk hoger is dan het bedrag dat zou gelden bij een classificatie als banktegoed (€ 12,97).
Deze ongelijkheid leidt tot een hogere belastinglast voor de eigenaar. In de zaak van X1 en X2, waarin het gerechtshof oorspronkelijk had geoordeeld dat het voor het rechtsherstel van belang was of het werkelijke rendement op het aandeel lager was dan 5,38%, werd de aanslag verlaagd omdat het hof het rendement van 0,12% toepaste. Deze afwijking van het standaardbeleid is echter door de Hoge Raad niet onderschreven. De Hoge Raad oordeelde dat het gerechtshof had moeten uitgaan van de wettelijke classificatie van 2018, waarbij het aandeel in de VvE-reserve als overige bezitting moest worden beschouwd, en dat het daarom het forfaitaire rendement van 5,38% moest toepassen.
De gevolgen zijn dus duidelijk: in 2018 was het aandeel in de VvE-reserve geen banktegoed, en moest het dus met het hogere forfaitaire rendement worden belast. Toch heeft de rechter de mogelijkheid geboden om op basis van feiten te bewijzen dat het werkelijke rendement lager was, wat rechtsherstel zou kunnen opleveren. Deze mogelijkheid is echter beperkt, omdat het voor de belastingplichtige moeilijk is om te bewijzen wat het werkelijke rendement op het gehele vermogen is.
Conclusie
De beschikbare bronnen tonen duidelijk aan dat het aandeel in de reserves van een VvE in 2018 niet automatisch tot de categorie banktegoed behoorde, maar als overige bezitting werd beschouwd. Dit heeft gevolgen voor het toepasselijke forfaitaire rendement en daarmee de belastinggrondslag. Het rendement voor overige bezittingen (5,38%) was aanzienlijk hoger dan dat voor banktegoed (0,12%), wat leidde tot een hogere belastinglast voor eigenaren die een aandeel bezaten in VvE-reserves.
Toch is er ruimte voor rechtsherstel, mits de belastingplichtige kan aantonen dat het werkelijke rendement op het gehele box-3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. De Hoge Raad heeft benadrukt dat het rendement van het gehele vermogen, niet alleen van het aandeel in de VvE-reserve, relevant is voor het rechtsherstel. In de zaak van X1 en X2 is gebleken dat een lager rendement op het aandeel in de VvE-reserve – bijvoorbeeld wanneer het op een afzonderlijke spaarrekening staat – leidt tot een lagere belastinggrondslag. Deze afwijking van het standaardbeleid is echter niet door de Hoge Raad onderschreven, omdat de belastingplichtige niet voldoende feiten heeft geleverd om het werkelijke rendement op het gehele vermogen te bewijzen.
De wetgever heeft in de periode 2023–2026 een overgangsregeling ingevoerd, waarbij een VvE-aandeel met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 tot de categorie banktegoed behoort, met het lagere forfaitaire rendement van 0,12%. Deze regeling is bedoeld om ongelijkheden tussen verschillende vormen van spaar- en beleggingsvermogen te verminderen. Voor de toekomst is het dus belangrijk om rekening te houden met de geldende wetgeving op het tijdstip van de aangifte.