De voor- en vroegschoolse educatie (VVE) speelt een essentiële rol in de ontwikkeling van jonge kinderen. Het doel van VVE is om de taalontwikkeling en andere leervormen van kinderen in de leeftijd van twee tot vier jaar te stimuleren. In Nederland zijn verschillende beleidsregels, wetten en subsidieverordeningen opgesteld om VVE te ondersteunen. Deze richtlijnen zijn ontwikkeld door gemeenten en zijn meestal gebaseerd op nationale kaders zoals de Wet OKE. In dit artikel geven wij een overzicht van de relevante richtlijnen, beleidsvoornemens en subsidies in de context van VVE, met een focus op de periode vanaf 2010 tot en met 2022.
Inleiding
VVE is een programma dat gericht is op kinderen in de leeftijd van 2 tot 6 jaar en is bedoeld om hun sociale, emotionele, taal- en motorische ontwikkeling te bevorderen. In Nederland is VVE geïntegreerd in de bredere context van onderwijsachterstandenbeleid. Ondanks de nationale kaders zoals de Wet OKE, varieert de uitvoering van VVE per gemeente. De meeste VVE-richtlijnen zijn vervallen of gewijzigd sinds 2010, maar er zijn structurele principes die terugkeren in verschillende beleidsdocumenten. Deze principes omvatten het gelijkheidsbeginsel, zelfredzaamheid van instellingen en het verbeteren van kwaliteitsborging binnen de sector.
Beleidsregels en Subsidieverordeningen
VVE-arrangementen
In de gemeente Enschede was er tussen 2016 en 2022 een subsidieverordening opgesteld die specifiek gericht was op VVE-arrangementen. Deze regeling is vervallen per 22 november 2022, maar bevatte belangrijke definities en richtlijnen voor de uitvoering van VVE. Zo werd VVE gedefinieerd als een opgedane opvang voor kinderen van 2 en 3 jaar, waarin gestructureerd en samenhangend werk gedaan wordt om de ontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren. De regeling betrof ook subsidies aan instellingen die VVE aanboden, met nadruk op het vroegtijdige detecteren van ontwikkelingsachterstanden.
De subsidiecriteria in deze regeling beoogden gelijke behandeling van vergelijkbare organisaties, zoals peuterspeelzalen en kinderdagverblijven. Verder benadrukte de regeling de zelfredzaamheid van organisaties: subsidies moesten niet als een bestaansrecht worden gezien, maar als een ondersteuning van activiteiten die van belang waren voor peuters. Daarnaast moesten instellingen in staat zijn om hun eigen inkomsten te genereren.
VVE doet ertoe!
In de gemeente Almere was een subsidieverordening opgesteld met de naam "VVE doet ertoe!". Deze regeling gold vanaf 1 januari 2014 tot 15 mei 2014 en was bedoeld om de kwaliteit van VVE te verbeteren door middel van scholing en kwaliteitsborging. De subsidie was gericht op de samenwerking tussen basisscholen en peuterspeelzalen of kinderdagverblijven. Deze samenwerkingen, genaamd "VVE-combinaties", moesten intensief zijn en gericht op het verbeteren van de opbrengsten van kinderen.
In de subsidievoorstel stond dat VVE-combinaties subsidie konden ontvangen mits ze aan bepaalde criteria voldeed, zoals het aanwezig zijn van een eigen vermogen en het uitvoeren van een ontwikkelplan. De subsidie was niet alleen bedoeld om de scholing van medewerkers te faciliteren, maar ook om verletkosten te dekken bij het vervangen van medewerkers die scholing volgden.
Compensatie voor eigen bijdrage
In een andere gemeente, niet genoemd in de bronnen, werd een beleidsregel opgesteld die gericht was op de compensatie van de eigen bijdrage voor deelname aan VVE. Deze regel gold voor de jaren 2020 en verder en was bedoeld om kinderen uit huishoudens met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm gelijke kansen te geven. Ouders van peuters die in deze categorie vielen, konden hun eigen bijdrage aan VVE volledig of gedeeltelijk gecompenseerd krijgen.
Het doel van deze regeling was om de sluiting van bepaalde doelgroepen uit te sluiten. Door deze compensatie te verankeren in het beleid, wilde de gemeente ervoor zorgen dat alle kinderen, ongeacht hun inkomen, gelijke ontwikkelingskansen hadden. De regeling benadrukte ook het belang van het vroegtijdige detecteren van ontwikkelingsachterstanden, wat in lijn was met de doelstellingen van de Wet OKE.
Wetten en Regelgeving
Wet OKE
De Wet OKE is een centrale regelgeving voor VVE in Nederland. Deze wet is in 2010 ingevoerd en betreft drie wetswijzigingen die gericht zijn op de verbetering van de taalontwikkeling van jonge kinderen en de kwaliteit van peuterspeelzalen. De Wet OKE is geen aparte wet, maar een verzamelnaam voor wetswijzigingen in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
De wet stelt dat VVE een essentieel onderdeel is van het onderwijsachterstandenbeleid en benadrukt de rol van peuterspeelzalen en kinderdagverblijven in de voor- en vroegschoolse educatie. In de praktijk betekent dit dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van VVE, maar dat ze dit moeten doen op basis van nationale richtlijnen en standaarden.
Subsidie- en stimuleringsverordeningen
In de gemeente Hoogeveen was er een verordening opgesteld voor de stimuleringslening voor particuliere woningverbetering en VVE. Deze verordening is vervangen door een nieuwe versie vanaf 1 april 2016. De oude verordening was gericht op het stimuleren van particuliere woningverbetering en VVE, maar is ingetrokken bij de invoering van de nieuwe regeling.
De nieuwe verordening betreft subsidies en leningen die gemeenten kunnen verstrekken aan particulieren voor woningverbetering en VVE. Deze verordening benadrukt de rol van de gemeente als faciliteerder van VVE en benadrukt ook de verantwoordelijkheid van particulieren voor hun eigen woningverbetering.
Beleidsplan VVE
In 2017 was in een onbekende gemeente een nieuw beleidsplan voor VVE opgesteld voor de jaren 2018 en 2019. Dit plan werd bijgesteld in 2020 en verder ontwikkeld in de jaren 2020 en verder. Het plan was opgesteld met input van verschillende partijen, zoals voorschoolse voorzieningen, jeugdgezondheidszorg (JGZ Zuidzorg), het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en basisscholen.
Het beleidsplan benadrukte de visie en doelstellingen van VVE, met een focus op gelijke ontwikkelingskansen voor alle kinderen in de gemeente. In het plan stond ook beschreven hoe deze doelstellingen behaald zouden worden, met concrete acties op het gebied van scholing, kwaliteitsborging en samenwerking tussen scholen en voorschoolse instellingen.
Het plan bevatte ook hoofdstukken over toezicht, financiën, verantwoording en evaluatie. Deze hoofdstukken benadrukten de rol van de gemeente als beleidsvoerder en benadrukt de verantwoordelijkheid van instellingen voor de kwaliteit van hun VVE-programma's.
Subsidiecriteria
In verschillende subsidiesverordeningen zijn criteria opgesteld om de toegang tot subsidies te reguleren. Deze criteria zijn doorgaans gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel, zelfredzaamheid en het aanwezig zijn van een eigen vermogen. In de subsidiesverordening van Enschede, bijvoorbeeld, is duidelijk gesteld dat subsidies bedoeld zijn om activiteiten te ondersteunen die van belang zijn voor peuters, maar dat organisaties zelf verantwoordelijk zijn voor hun instandhouding.
In de subsidiesverordening van Almere is ook benadrukt dat subsidies gericht zijn op het verbeteren van kwaliteitsborging en scholing. De subsidies zijn niet bedoeld om instellingen te ondersteunen in hun dagelijkse bedrijfsvoering, maar om concrete verbeteringen in de kwaliteit van VVE te realiseren.
Evaluatie en Toezicht
In de beleidsdocumenten en subsidiesverordeningen is ook aandacht voor evaluatie en toezicht. Deze aandacht is gericht op het meten van de effectiviteit van VVE-programma's en het verbeteren van kwaliteitsborging. In het beleidsplan van 2020 is bijvoorbeeld een hoofdstuk gewijd aan evaluatie, waarin beschreven staat hoe de effectiviteit van VVE-programma's gemeten zal worden.
Toezicht op VVE-programma's is ook een belangrijk onderdeel van de beleidsvoorstel. In de subsidiesverordening van Enschede is bijvoorbeeld benadrukt dat subsidies verbonden zijn aan bepaalde toezichtsmaatregelen, zoals jaarverslagen en evaluaties. Deze maatregelen zijn bedoeld om te zorgen dat subsidies op de juiste manier worden gebruikt en dat VVE-programma's effectief zijn.
Conclusie
VVE is een essentieel onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid in Nederland en speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van jonge kinderen. De uitvoering van VVE varieert per gemeente, maar er zijn structurele principes die terugkeren in de beleidsvoorstel en subsidiesverordeningen. Deze principes omvatten het gelijkheidsbeginsel, zelfredzaamheid van instellingen, het verbeteren van kwaliteitsborging en het vroegtijdig detecteren van ontwikkelingsachterstanden.
In dit artikel is een overzicht gegeven van de relevante richtlijnen, beleidsvoornemens en subsidies voor VVE in Nederland, met een focus op de periode vanaf 2010 tot en met 2022. Deze richtlijnen benadrukken de rol van gemeenten als beleidsvoerders en benadrukken de verantwoordelijkheid van instellingen voor de kwaliteit van hun VVE-programma's. In de toekomst is het van belang om deze richtlijnen verder te ontwikkelen en aan te passen aan de wisselende behoeften en kansen in de sector van voor- en vroegschoolse educatie.