Het VVE-beleid in de gemeente Maastricht: Aanpak van risico’s op onderwijs- en ontwikkelingsachterstanden

Inleiding

Het voorschoolse en vroegschoolse educatietraject (VVE) speelt een centrale rol in de aanpak van onderwijsachterstanden in Nederland. In de gemeente Maastricht is dit beleid onderdeel van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB), dat gericht is op het verbeteren van ontwikkelings- en onderwijskansen van kinderen die op basis van omgevingsfactoren risico lopen op achterstand. Het GOAB is wettelijk verankerd en ondersteund door geoormerkte rijksmiddelen.

De evaluatieperiode 2019-2022 heeft aangetoond dat het huidige beleidskader in grote lijnen effectief werkt, maar ook dat er ruimte is voor verbetering, met name op het gebied van doelgroepdefinitie, financiële haalbaarheid en de werkelijke bereikbaarheid van doelgroepkinderen. Deze artikel geeft een overzicht van de centrale aspecten van het VVE-beleid in Maastricht, met aandacht voor doelgroepdefinities, financiering, de inzet van VVE-uren, monitoring en samenwerking.

Doelgroepdefinities en indicatiesystematiek

Definitie van het risico op achterstand

In Maastricht wordt de doelgroep voor VVE bepaald aan de hand van omgevingskenmerken van kinderen en hun gezin. Sinds 2019 gebruikt de overheid de volgende vijf kenmerken om te bepalen welke kinderen het meeste risico lopen op onderwijsachterstand:

  • Het opleidingsniveau van beide ouders;
  • Het herkomstland van de moeder;
  • De verblijfsduur van de moeder in Nederland;
  • Het gemiddelde opleidingsniveau van alle moeders op de school;
  • Of de ouders in schuldsanering zitten.

Deze kenmerken worden gebruikt om kinderen te identificeren die een hoger risico lopen op taal- of ontwikkelingsachterstand. Deze doelgroep wordt vervolgens geïndiceerd door arts- en jeugdziekenhuisartsen (JGZ) op basis van een medisch-ontwikkelingsonderzoek en gesprek met de ouders. De VVE-indicatie geeft het kind recht op extra uren voorschoolse educatie in een VVE-locatie.

Aanvullende criteria in vorige beleidsperiode

In de vorige beleidsperiode werden de doelgroepdefinities aangevuld met drie aanvullende criteria:

  • Een leerlinggewicht (kinderen tussen 2-6 jaar van ouders met een lage opleiding);
  • Thuistaal anders dan Nederlands of dialect;
  • Taalachterstand van 6 maanden of meer, veroorzaakt door omgevingsfactoren (niet-medisch), indien de meest gesproken thuistaal niet Nederlands is;
  • Sociaal-medische factoren die het risico op taal- of ontwikkelingsachterstand verder vergroten.

In de huidige beleidsperiode zijn deze aanvullende criteria echter niet langer van toepassing. De gemeente heeft ervoor gekozen om de doelgroepdefinities niet uit te breiden, om meer doelgerichte en effectieve ondersteuning te bieden.

Exclusie van kinderen van expats

Kinderen van expats vallen niet onder de doelgroepdefinitie. Dit betekent dat zij, ondanks hun mogelijke risico op onderwijsachterstand, geen recht hebben op extra uren VVE. In de evaluatieperiode is geconstateerd dat het aantal kinderen dat deelneemt aan VVE hoger is dan de inschatting van het CBS. Dit heeft geleid tot hogere kosten en een overschrijding van de beschikbare rijksmiddelen.

Financiering van VVE en onderwijsachterstandenbeleid

Rijksfinanciering voor voorschoolse educatie

De Rijksoverheid subsidieert gemeenten om VVE aan te bieden in kinderopvangcentra. De financiering is gebaseerd op het aantal kinderen dat risico loopt op onderwijsachterstand. In Maastricht wordt sinds 2019 gebruikgemaakt van een geoormerkte subsidie voor VVE, die in de voorschoolse educatie wordt ingezet. Het totale budget voor voorschoolse educatie in Nederland bedraagt ruim € 500 miljoen.

De financiering voor zogenaamde ‘zware’ groepen (groepen met een hoger percentage doelgroepkinderen) is in 2024 aangepast. De verdeling van subsidies is veranderd van 20% VVE/80% regulier naar 60% VVE/40% regulier. Deze wijziging betekent dat gemeenten met meer risico op onderwijsachterstanden nu aanzienlijk meer middelen krijgen voor VVE dan voorgaand.

Financiering voor vroegschoolse educatie

Daarnaast ontvangen scholen subsidies van de Rijksoverheid om onderwijsachterstanden in de basisschool te voorkomen en tegengaan. Sinds 1 augustus 2019 gebruikt de overheid een nieuwe methode voor de verdeling van deze subsidies. Deze methode is ontworpen om fouten in administratie te voorkomen en betere, actuele data te gebruiken bij de bepaling van de benodigde financiering.

Inzet van VVE-uren en bereikbaarheid

Juridisch recht op VVE-uren

Sinds 1 augustus 2020 hebben kinderen met een VVE-indicatie wettelijk recht op 960 uur VVE over de periode dat ze 2,5 tot 4 jaar oud zijn. Dit komt neer op gemiddeld 16 uur VVE-aanbod per week gedurende 40 schoolweken. In Maastricht is echter constaterend dat dit aantal niet altijd wordt bereikt. In 2021 was het gemiddelde aantal uren per week dat kinderen VVE kregen, slechts 13 uur.

Beleidsdoelstellingen en evaluatie

De evaluatie van de periode 2019-2022 heeft aangetoond dat er sprake is van een positieve ontwikkeling in het bereiken van doelgroepkinderen. Het aantal niet-bereikte doelgroepkinderen is sterk gedaald, van 153 in 2019 tot 60 in 2022. Toch blijft het aantal kinderen dat VVE ontvangt hoger dan de inschatting van het CBS, wat betekent dat de financiering niet altijd volledig aansluit bij de werkelijkheid op de grond.

Invoering van het programma Speelplezier

Op de meeste voorschoolse locaties wordt het programma Speelplezier ingezet. Dit programma richt zich op de taal- en sociaal-emotionele ontwikkeling van jonge kinderen en is ontworpen om kinderen met een risico op onderwijsachterstand vroegtijdig te ondersteunen. Het Pedagogisch Educatief Raamplan (PER) biedt houvast voor de inhoud en samenwerking tussen de diverse partners in de gemeente.

Monitoring en resultaatgerichtheid

Monitoringssysteem

Om de effectiviteit van het VVE-beleid te meten, gebruikt Maastricht een monitoringssysteem dat de ontwikkeling van kinderen op vier gebieden volgt:

  1. Taal;
  2. Rekenen;
  3. Motoriek;
  4. Sociaal-emotionele ontwikkeling.

Deze ontwikkeling wordt bijgevolgd op vier momenten in de voorschool (2,5 jaar, 2,11 jaar, 3,5 jaar, 3,11 jaar) en op twee momenten in de vroegschool (januari en juni elk jaar).

Resultaatdoelen

De gemeente streeft ernaar dat:

  • De reguliere peuters gedurende de voorschool niet onder de leeftijdsgemiddelde ontwikkelingsnormen vallen;
  • De doelgroeppeuters gedurende de voorschool ten minste een verbetering laten zien ten opzichte van hun startniveau;
  • De reguliere kleuters gedurende de vroegschool niet onder de leeftijdsgemiddelde ontwikkelingsnormen vallen.

Samenwerking en partnerschap

Samenwerking met kinderopvang

De inzet van VVE hangt sterk af van de samenwerking met kinderopvangcentra. Deze instellingen ontvangen subsidies en zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van het VVE-programma. De subsidie-systematiek is vastgelegd en er zijn duidelijke afspraken gemaakt over hoe kinderen worden toegewezen aan VVE-locaties.

Knooppuntfuncties

De gemeente Maastricht benut knooppuntfuncties om de samenwerking tussen de diverse partners te vergemakkelijken. Deze knooppunten zorgen voor een efficiënte overdracht van informatie, coördinatie en ondersteuning van kinderen en ouders.

Ouderbetrokkenheid

Ouderbetrokkenheid is een belangrijk element in het VVE-beleid. Ouders worden geïnformeerd over de mogelijkheden van VVE en worden aangemoedigd om actief betrokken te zijn bij de ontwikkeling van hun kind. Dit kan bijdragen aan het succes van de ondersteuning en het bereiken van het doelgroepdoel.

Aanbevelingen voor de toekomst

De evaluatieperiode heeft geleid tot een aantal aanbevelingen voor de komende jaren. Deze omvatten:

  1. Doelgroepdefinitie aanpassen: Er wordt beter gekeken of kinderen een andere ondersteuningsbehoefte hebben, wat leidt tot een geleidelijke bijstelling van het aantal geïndiceerde kinderen.
  2. Inzet van VVE-aanbod verdiepen: De inzet van VVE-uren moet beter aansluiten bij de juridisch verankerde standaarden.
  3. Monitoring versterken: Het monitoringssysteem moet worden verder uitgebouwd om meer inzicht te krijgen in de effectiviteit van het VVE-beleid.
  4. Samenwerking uitbreiden: De samenwerking met partners, zoals GGD, scholen en kinderopvang, moet verder worden gestimuleerd.
  5. Ouderbetrokkenheid verhogen: Er moet meer aandacht zijn voor het betrekken van ouders bij het VVE-traject.

Conclusie

Het VVE-beleid in de gemeente Maastricht speelt een essentiële rol in de aanpak van onderwijs- en ontwikkelingsachterstanden. Het beleid is wettelijk verankerd, goed onderbouwd en ondersteund door rijksfinanciering. De evaluatie van de periode 2019-2022 heeft aangetoond dat het beleid in grote lijnen effectief is, maar dat er ruimte is voor verbetering, met name op het gebied van doelgroepdefinities, financiering en bereikbaarheid.

De gemeente Maastricht streeft ernaar om in de komende jaren een doelgerichter, effectiever en resultaatgerichter aanpak te realiseren. Hierbij is samenwerking tussen diverse partners van groot belang. De uitkomsten van de evaluatie en de aanbevelingen voor de toekomst zorgen voor een solide basis voor het verdere uitbouwen van het VVE-beleid in Maastricht.

Bronnen

  1. Lokale regelgeving over VVE in Maastricht
  2. Rijksfinanciering van onderwijsachterstandenbeleid

Related Posts