De gemeente Doesburg heeft per 9 maart 1995 een regeling vastgesteld die de brandveiligheid van inrichtingen in haar gebied reguleert. Deze regeling, de Brandbeveiligingsverordening, is van kracht geweest vanaf dat moment tot 20 juli 2011, vanwege de invoering van een nieuwe wetgeving. Hoewel de regeling nu vervallen is, blijft zij van belang voor de beoordeling van bestaande situaties en voor het begrijpen van de juridische en technische eisen die vóór 2011 gold. De bronnen tonen aan dat de regeling specifieke richtlijnen bevat voor het gebruik van inrichtingen, de toepassing van brandveilige materialen, het verbod op bepaalde stoffen, en de verplichting tot vergunningverlening voor bepaalde soorten inrichtingen. De gemeente Doesburg heeft hierbij als doel de veiligheid van bewoners, medewerkers en bezoekers te waarborgen, met name bij het gebruik van ruimtes waar meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig kunnen zijn, of waar nachtverblijf wordt verleend aan meer dan tien personen. De regeling is van toepassing op alle ruimtelijk begrensde plaatsen die toegankelijk zijn voor mensen, met uitzondering van bouwwerken die onder de Woningwet en de bouwverordening vallen. Daarnaast zijn bepaalde bouwsels, zoals hotelboten, opslagschepen of drijvende restaurants, die niet vast op de grond zijn gebouwd, niet onder de werking van de Woningwet, maar vallen wel onder de definitie van "inrichting" in de zin van de Brandbeveiligingsverordening. De bronnen tonen ook aan dat de gemeente, via het college van burgemeester en wethouders, bevoegd was om vergunningen af te geven of te weigeren, en dat er een duidelijke rol was voor de brandweer als deskundige instantie bij het toezicht op de naleving van de voorschriften. De regeling is gebaseerd op het Bouwbesluit en de bouwverordening, en de toelichting op de (model-)bouwverordening 1992 is een belangrijke bron voor de toetsingscriteria. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het verrichten van werkzaamheden, het verbod op open vuur en roken, en het verbod op het aanwezig hebben van bepaalde brandbare stoffen. De bronnen tonen ook aan dat er bepaalde uitzonderingen waren, zoals bij het gebruik van een inrichting waarin sprake was van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en begeleiding. Tot slot zijn er richtlijnen voor het gebruik van stoffen die brandgevaar opleveren, en voor het opstellen van een ontruimingsplan. Deze bronnen tonen aan dat de regeling een uitgebreid kader van maatregelen bevat om brandgevaar te voorkomen en te beperken.
Juridische grondslag en toepassingsgebied van de Brandbeveiligingsverordening
De juridische grondslag van de Brandbeveiligingsverordening ligt in de Brandweerwet 1995, waarop het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg is gelet bij het vaststellen van de verordening. De wetgeving streeft ernaar om de veiligheid van burgers in het openbaar leven te waarborgen, met name op het gebied van brandveiligheid. De regeling is van toepassing op alle inrichtingen in de gemeente Doesburg, gedefinieerd als "voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaatsen". Deze definitie is ruim opgevat en omvat niet alleen vaste gebouwen, maar ook tijdelijke constructies zoals (feest)tenten, kampeerterreinen, en bouwwerken die niet onder de Woningwet vallen, zoals op het water drijvende bouwsels. De uitspraak van het Hof Arnhem uit 1972 ondersteunt dit begrip: een op het water drijvend bouwsel is geen gebouw in de zin van de gemeentelijke bouwverordening, omdat het niet vast aan de grond is verbonden. Dit betekent dat zulke bouwsels, zoals hotelboten of drijvende restaurants, onder de werking van de Brandbeveiligingsverordening vallen, zelfs als ze niet onder het Bouwbesluit vallen. De regeling is niet van toepassing op bouwwerken die onder de Woningwet en de bouwverordening vallen, zoals woonhuizen of gebouwen die voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit. Dit verschil in toepassingsgebied duidt op een duidelijke scheiding tussen woonwoningen en andere vormen van gebruik van ruimten, met name die met een hogere risicovoorziening vereisen. De regeling is van toepassing op alle inrichtingen waar sprake is van een groter aantal personen, of waar sprake is van nachtverblijf, of waar bepaalde gevarenstoffen worden opgeslagen. De gemeente Doesburg heeft in dit kader een bevoegd bestuursorgaan, namelijk het college van burgemeester en wethouders, dat bevoegd is om vergunningen af te geven, beperkingen op te leggen, of te weigeren. Het college kan ook het verbod op bepaalde stoffen of het gebruik van bepaalde materialen ophogen of veranderen, afhankelijk van de omstandigheden van de inrichting. De regeling is dus een juridische structuur waarmee de gemeente haar verantwoordelijkheid voor openbare veiligheid nakomt, met name op het gebied van brandveiligheid. De regeling is echter niet meer van toepassing sinds 21 juli 2011, wanneer zij werd vervangen door een nieuw kader van wetgeving. Toch blijft de regeling van belang voor het begrijpen van de juridische verantwoordelijkheden en verplichtingen van eigenaren, beheren en gebruikers van inrichtingen in de gemeente Doesburg, met name voor diegenen die in een periode leven of werken waarin de regeling nog van kracht was.
Vergunningvereisten voor het gebruik van inrichtingen
Volgens de Brandbeveiligingsverordening is het verboden om een inrichting te gebruiken zonder een vergunning van het bestuursorgaan, met name het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg. De vergunning is vereist wanneer aan één of meer van de in artikel 2.1.1 genoemde voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden zijn: het gebruik van een inrichting waar meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn; het opslaan van bedrijfsmatig stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104) of de regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188); het verstrekken van nachtverblijf aan meer dan tien personen in het kader van verzorging; of het verstrekken van huisvesting aan personen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op het risico dat verbonden is aan het aantal personen, het soort gebruik, en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Voor elk van deze gevallen moet een vergunning worden aangevraagd voordat de inrichting in gebruik kan worden genomen. Het college van burgemeester en wethouders heeft de bevoegdheid om de vergunning te verlenen, of af te wijzen, op basis van de eisen die zijn vastgesteld in de bijlagen van de bouwverordening en in de toelichting op de (model-)bouwverordening 1992. De toetsingscriteria zijn gebaseerd op de brandveiligheid van de constructies, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit en de bouwverordening, en op de gebruikseisen, zoals vastgelegd in de bijlagen van de bouwverordening. Het college kan aan de vergunning voorwaarden verbinden, zoals eisen ten aanzien van de stoffering en versiering, de uitgangen en vluchtwegen, de installaties, de standaard van de brandveiligheidsinstructie, het maximaal toelaatbare aantal personen, en het gebruik van middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand. De vergunning is vereist voor zowel vaste als tijdelijke inrichtingen, met inbegrip van hotelboten, opslagschepen, en (feest)tenten. Het is dus van essentieel belang dat iedereen die een inrichting wil gebruiken, eerst de voorwaarden van de regeling onderzoekt en in de juiste vorm een vergunning aanvraagt. Zonder vergunning is het gebruik van een dergelijke inrichting wettelijk verboden. De gemeente Doesburg heeft in dit kader een belangrijke rol als toezichthouder, met name door de brandweer te benoemen als deskundige instantie voor advies over brandpreventievoorschriften. De gemeente kan ook andere instanties inschakelen, zoals het bouw- en woningtoezicht, voor de beoordeling van de naleving van de voorschriften. De vergunning is dus een juridisch vereist document dat de veiligheid van de inrichting waarborgt, en dat een fundamentele rol speelt in het beheersen van het risico op brand.
Beperkingen op het gebruik van gevaarlijke stoffen en brandbare materialen
De regeling bevat een aantal duidelijke verboden ten aanzien van het gebruik van gevaarlijke stoffen en brandbare materialen in of nabij inrichtingen. In artikel 2.2.1 wordt bepaald dat het verboden is een inrichting te gebruiken die in strijd is met de gebruikseisen zoals vermeld in bijlage 3 of 4 bij de bouwverordening. Bijlage 3 bevat de algemene gebruikseisen voor inrichtingen, terwijl bijlage 4 specifieke eisen bevat voor bepaalde soorten inrichtingen, met name die niet voldoen aan de eisen van een woonschip. Daarnaast is het verboden om stoffen te gebruiken die zijn gedefinieerd in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), evenals in artikel 11 van de regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188), in, op of nabij een inrichting. Deze stoffen omvatten brandbare vloeistoffen, gassen, en materialen die bij brand een hoge warmte- of rookontwikkeling kunnen veroorzaken. Het verbod geldt niet voor bepaalde situaties, zoals bij het verrichten van werkzaamheden of bij het vullen van brandstofreservoirs, waarvoor de gemeente kan toestaan dat het verbod tijdelijk wordt opgeheven. De regeling stelt ook eisen aan de opslag van deze stoffen, en vereist dat er voldoende afzondering is tussen de opslagruimte en de rest van de inrichting. Bovendien zijn er richtlijnen voor het gebruik van middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand, en voor het opstellen van een ontruimingsplan dat rekening houdt met de interne organisatie van de inrichting. De gemeente Doesburg heeft in dit kader de verantwoordelijkheid om te zorgen dat alle inrichtingen voldoen aan deze eisen, en dat er voldoende toezicht wordt gehouden op de naleving van de voorschriften. De brandweer is daarnaast belast met het geven van advies over brandpreventievoorschriften, en kan ook worden ingeschakeld voor het toezicht op de naleving van de voorschriften. De regeling is dus een belangrijk instrument om het risico op brand te verkleinen, en speelt een cruciale rol in het beheren van de veiligheid van inrichtingen in de gemeente Doesburg. De eisen zijn gebaseerd op het Bouwbesluit en de bouwverordening, en zijn gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten en technische ontwikkelingen. De regeling is echter niet meer van toepassing sinds 21 juli 2011, wanneer zij werd vervangen door een nieuw wetgevingskader. Toch blijft de regeling van belang voor het begrijpen van de juridische verantwoordelijkheden en verplichtingen van eigenaren, beheren en gebruikers van inrichtingen in de gemeente Doesburg.
Toezicht en toezichthoudende taken van de gemeente
De gemeente Doesburg is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de voorschriften van de Brandbeveiligingsverordening. Het bestuursorgaan, in de vorm van het college van burgemeester en wethouders, is belast met de uitvoering van de wetgeving op het gebied van brandveiligheid. Het college moet ervoor zorgen dat alle inrichtingen die onder de regeling vallen, voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in de bijlagen van de bouwverordening en de toelichting op de (model-)bouwverordening 1992. Het college heeft de bevoegdheid om aan de vergunning voorwaarden te verbinden, zoals eisen ten aanzien van de stoffering en versiering, de uitgangen en vluchtwegen, de installaties, de standaard van de brandveiligheidsinstructie, het maximaal toelaatbare aantal personen, en het gebruik van middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand. De gemeente heeft ook de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van de voorschriften, met name op het gebied van het gebruik van gevaarlijke stoffen, het verbod op open vuur en roken, en het verbod op het aanwezig zijn van bepaalde stoffen. Het college moet ervoor zorgen dat er voldoende maatregelen worden getroffen tegen het ontstaan van brand bij het verrichten van onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden. Bovendien moet het college ervoor zorgen dat er voldoende toezicht wordt gehouden op de naleving van de voorschriften, en dat er voldoende middelen worden ingezet voor het voorkomen van brand. De gemeente kan ook andere instanties inschakelen, zoals het bouw- en woningtoezicht, voor de beoordeling van de naleving van de voorschriften. De brandweer is daarnaast belast met het geven van advies over brandpreventievoorschriften, en kan ook worden ingeschakeld voor het toezicht op de naleving van de voorschriften. De gemeente heeft in dit kader ook de verantwoordelijkheid voor het opstellen van een ontruimingsplan dat rekening houdt met de interne organisatie van de inrichting. Het college moet ervoor zorgen dat er voldoende informatie wordt verschaft aan de bewoners en bezoekers van de inrichting, en dat er voldoende opleiding wordt gegeven aan het personeel. De gemeente heeft dus een belangrijke rol als toezichthouder, met name door de brandweer te benoemen als deskundige instantie voor advies over brandpreventievoorschriften. De gemeente moet ervoor zorgen dat alle inrichtingen voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in de bijlagen van de bouwverordening en de toelichting op de (model-)bouwverordening 1992. De gemeente heeft ook de verantwoordelijkheid voor het opstellen van een ontruimingsplan dat rekening houdt met de interne organisatie van de inrichting. De gemeente heeft dus een belangrijke rol als toezichthouder, met name door de brandweer te benoemen als deskundige instantie voor advies over brandpreventievoorschriften. De gemeente moet ervoor zorgen dat er voldoende informatie wordt verschaft aan de bewoners en bezoekers van de inrichting, en dat er voldoende opleiding wordt gegeven aan het personeel. De gemeente heeft dus een belangrijke rol als toezichthouder, met name door de brandweer te benoemen als deskundige instantie voor advies over brandpreventievoorschriften.
Beleid en richtlijnen voor werkzaamheden en veiligheid
De regeling bevat een aantal richtlijnen voor het verrichten van werkzaamheden in of nabij inrichtingen. In artikel 2.3.4 wordt bepaald dat bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel 11 van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188), of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, voldoende maatregelen moeten worden getroffen tegen het ontstaan van brand. Deze maatregelen omvatten het nemen van voorzorgsmaatregelen, zoals het afsluiten van brandbare materialen, het gebruik van brandwerende afdekkingen, het plaatsen van brandblusapparaten in de buurt van de werkzaamheden, en het verstrekken van instructie aan het personeel. De gemeente Doesburg heeft in dit kader de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat alle werkzaamheden voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in de bijlagen van de bouwverordening en de toelichting op de (model-)bouwverordening 1992. De gemeente moet ervoor zorgen dat er voldoende toezicht wordt gehouden op de naleving van de voorschriften, en dat er voldoende middelen worden ingezet voor het voorkomen van brand. De gemeente kan ook andere instanties inschakelen, zoals het bouw- en woningtoezicht, voor de beoordeling van de naleving van de voorschriften. De gemeente heeft in dit kader ook de verantwoordelijkheid voor het opstellen van een ontruimingsplan dat rekening houdt met de interne organisatie van de inrichting. De gemeente heeft dus een belangrijke rol als toezichthouder, met name door de brandweer te benoemen als deskundige instantie voor advies over brandpreventievoorschriften. De gemeente moet ervoor zorgen dat er voldoende informatie wordt verschaft aan de bewoners en bezoekers van de inrichting, en dat er voldoende opleiding wordt gegeven aan het personeel. De gemeente heeft dus een belangrijke rol als toezichthouder, met name door de brandweer te benoemen als deskundige instantie voor advies over brandpreventievoorschriften. De gemeente moet ervoor zorgen dat er voldoende informatie wordt verschaft aan de bewoners en bezoekers van de inrichting, en dat er voldoende opleiding wordt gegeven aan het personeel.
Conclusie
De Brandbeveiligingsverordening van de gemeente Doesburg, die van kracht was van 9 maart 1995 tot 20 juli 2011, stelde een uitgebreid kader van wettelijke eisen voor het veilig gebruik van inrichtingen op het gebied van brandveiligheid. De regeling richtte zich op het voorkómen van brandgevaar en het beperken van de schade bij brand, met name in ruimtes waar sprake was van een groot aantal personen, nachtverblijf, of het gebruik van gevaarlijke stoffen. Belangrijke aspecten waren de vergunningvereisten voor bepaalde soorten inrichtingen, zoals die waar meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zouden zijn, of waar nachtverblijf werd verleend aan meer dan tien personen. Het college van burgemeester en wethouders had de bevoegdheid om vergunningen af te geven of te weigeren, en kon aan de vergunning voorwaarden verbinden, zoals eisen ten aanzien van uitgangen, vluchtwegen, brandveilige materialen, en voorzieningen tot melding van brand. De regeling verbond het gebruik van bepaalde stoffen die brandgevaar opleverden, en verbond open vuur en roken in bepaalde ruimten, met uitzonderingen indien een onthaal werd verleend door het bestuursorgaan. De gemeente had in dit kader een belangrijke rol als toezichthouder, met name door de brandweer te benoemen als deskundige instantie voor advies over brandpreventievoorschriften. De regeling is echter per 21 juli 2011 vervallen en is opgevolgd door een nieuw wetgevingskader. Desondanks blijft de regeling van belang voor het begrijpen van de juridische verantwoordelijkheden en verplichtingen van eigenaren, beheren en gebruikers van inrichtingen in de gemeente Doesburg, met name voor diegenen die in een periode leven of werken waarin de regeling nog van kracht was. De bronnen tonen aan dat de regeling een uitgebreid kader bevatte om het risico op brand te beperken, en dat er een duidelijke scheiding was tussen woonwoningen en andere vormen van gebruik van ruimten, met name die met een hogere risicovoorziening vereisen. De regeling is dus een belangrijk voorbeeld van lokale wetgeving die de openbare veiligheid waarborgt, met name op het gebied van brandveiligheid.