Inleiding
De Vroeg-Vroege Educatie (VVE) speelt een essentiële rol in de ontwikkeling van jonge kinderen. Het is een onderdeel van de voorschoolse opvang en richt zich op het stimuleren van de ontwikkeling van peuters in de periode voor het begin van de basisschool. Een VVE-indicatie wordt vaak afgegeven door jongerengezondheidszorg (JGZ) of andere deskundigen wanneer er risicofactoren zijn die wijzen op een grotere kans op ontwikkelingsachterstand. In de context van de voorschoolse opvang is het van belang dat deze indicaties serieus genomen worden, zowel voor de opvangaanbieders als voor de gemeentelijke beleidsvormen.
In deze bijdrage wordt ingegaan op de praktische toepassing van de VVE-indicatie in het kader van de voorschoolse opvang, met een nadruk op de rol van de VVE-coördinatie, de wettelijke en beleidsregelgeving in gemeenten zoals Apeldoorn, en de samenwerking tussen instellingen. De tekst is opgesteld op basis van relevante uitvoeringsregels en beleidsdocumenten, met het oog op het verduidelijken van de kaders die aan de toepassing van de VVE-indicatie zijn verbonden.
Wat is een VVE-indicatie?
Een VVE-indicatie is een officiële aanduiding van een kind dat in de voorschoolse opvang extra aandacht of begeleiding nodig heeft vanwege risicofactoren die wijzen op een grotere kans op ontwikkelingsachterstand. Deze indicatie wordt vaak afgegeven door de jongerengezondheidszorg (JGZ) en kan worden ingetrokken als het risico is verlaagd of verdwenen. De risicofactoren die een rol spelen bij het stellen van zo’n indicatie zijn:
- Het opleidingsniveau van de ouders
- Een eventuele indicatie voor Stevig Ouderschap
- De taalomgeving thuis
- De spraak- en taalontwikkeling van het kind
De verpleegkundige van de JGZ beoordeelt of het risico zo groot is dat een VVE-indicatie nodig is. Een kind dat aan één of meerdere van deze risicofactoren voldoet, wordt ingeschreven als doelgroepkind. Deze indicatie is van belang omdat het bepaalt of een kind in aanmerking komt voor extra uren VVE of andere vormen van ondersteuning in de voorschoolse opvang.
Beleidskaders rond VVE-indicatie
In gemeenten zoals Apeldoorn en Opsterland zijn er specifieke beleidsregels opgesteld die de rol van de VVE-indicatie verduidelijken en reglementeren. Deze beleidskaders zijn onder andere gericht op de samenwerking tussen opvanginstellingen en de JGZ, de wettelijke eisen aan VVE-programma’s, en de financiële ondersteuning voor aanbieders die VVE-inspanningen doen.
In de uitvoeringsregels van de gemeente Opsterland wordt bijvoorbeeld gesteld dat een aanbieder die een VVE-programma wil implementeren, een erkend programma moet aanschaffen om subsidies direct in te kunnen vullen. Als het gekozen programma niet erkend is, maar wel voldoet aan de gestelde voorwaarden, kan het programma toch gebruikt worden, mits de Inspectie van Onderwijs een positief oordeel uitbrengt.
Daarnaast wordt in deze regels benadrukt dat de kwaliteit van de VVE in een voorschoolse opvang wordt beoordeeld aan de hand van de Werkinstructie VVE-locatie van de Inspectie. Voor 2015 moet het oordeel van de Inspectie tonen dat de indicatoren "Wettelijke condities" en "Ontwikkeling, begeleiding, zorg" minimaal op een score van 3 (volledig voldoende) worden beoordeeld. Als een indicator als wenselijk of noodzakelijk verbeterpunt wordt ingeschat (score 1 of 2), kan dit aanleiding geven voor nader onderzoek, afwijzing of het bijstellen van subsidies door de gemeente.
De rol van VVE-coördinatie
VVE-coördinatie is een essentieel element in het kader van de doorgaande leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie. In de Wet op het primair onderwijs is verankerd dat de burgemeester en wethouders verantwoordelijk zijn voor het maken van afspraken over deze organisatie. De inspectie van onderwijs controleert op haar beurt of deze leerlijn kwalitatief voldoet, gebruikmakend van een aantal indicatoren:
- Er is VVE-coördinatie tussen de voor- en vroegschool
- Er vindt doorstroom plaats van kinderen van de voor- naar een vroegschool
- Er is een warme overdracht
- Er is afstemming van het aanbod
- Er is afstemming van het pedagogisch klimaat en educatief handelen
- Er is afstemming van de manier om met ouders om te gaan
- Er is afstemming van de interne begeleiding en zorg
Deze indicatoren vormen de kern van het kwaliteitsbeleid rond VVE en de doorstroom naar de basisschool. De coördinatoren van de voor- en vroegschoolse educatie zijn verantwoordelijk voor het opzetten van een structuur waarin gezamenlijk overleg gevoerd wordt over activiteiten op het gebied van taal, rekenen, sociaal-emotioneel gedrag, motoriek en scholing.
De samenwerking tussen voorschool en koppelschool kan zich op drie stadia afspelen:
- Informeel contact, incidenteel gepland overleg of wederzijds bezoek
- Structuur voor gezamenlijk overleg
- Volwaardige doorstroom en coördinatie
De rol van de VVE-coach
In het kader van de VVE-indicatie en de kwaliteitsborging van de voorschoolse opvang speelt de rol van de VVE-coach een belangrijke rol. De coach heeft een aantal kerncompetenties, waaronder:
- Gedegen kennis van en ervaring met het voorschoolse educatieve programma
- Klantgerichtheid
- Kwaliteitsgerichtheid
- Professionalisering/ontwikkelingsgerichtheid
- Samenwerking/collegialiteit
- Kennis van opbrengstgericht werken
- In staat zijn om pedagogisch medewerkers te observeren en feedback te geven
- In staat zijn om over de grenzen van de eigen professie te kijken
- Geïnteresseerd zijn in het werk van anderen
- Heldere verwoording van de pedagogische opdracht
- Zichtbaar maken van werkwijze en resultaten
- Kennis van de ontwikkeling van jonge kinderen, opvang en educatie
De coach speelt een rol bij het observeren van peuters met ondersteuningsbehoefte, het adviseren over de pedagogische aanpak, het coördineren van de in- en externe zorg, het signaleren van scholingsbehoefte en het bewaken van hercertificering. In Apeldoorn wordt bewust gekozen voor een rol van de coach die niet direct betrokken is bij de dagelijkse begeleiding van peuters, om te voorkomen dat de zogenaamde "helicopter view" verdwijnt. Dit betekent dat de coach zich vooral richt op de bredere coördinatie en kwaliteitsborging van het pedagogisch klimaat en het ondersteunende netwerk rond de kinderen.
De praktijk van de VVE-indicatie
In de praktijk van de voorschoolse opvang is het van belang om duidelijke kaders te hanteren bij de toekenning en toepassing van VVE-indicaties. De JGZ speelt een centrale rol in het stellen van deze indicaties, maar ook de opvangaanbieders zijn verantwoordelijk voor het signaleren van kinderen die mogelijk ondersteuning nodig hebben. Een aanbieder die start met peuteropvang in een gemeente zoals Opsterland, mag gedurende de opstartperiode werken met een minimum van 4 peuters. Echter, als de bezetting door vertrekkende kinderen onder de 7 kinderen per groep zakt, moet dit worden afgestemd met de gemeente, met concreet uitzicht op herstel binnen drie maanden.
In gevallen waarin een kind een VVE-indicatie heeft, is het mogelijk dat het kind in aanmerking komt voor extra uren VVE, zoals in artikel 11 van de uitvoeringsregels van Opsterland vermeld. Dit geldt onder andere voor kinderen die in 2014 gebruik maakten van een peuterspeelzaal in Opsterland, maar woonachtig zijn in een andere gemeente, of die in aanmerking komen voor extra VVE-uren zelfs zonder een indicatie van het consultatiebureau.
De rol van de Inspectie van Onderwijs
De Inspectie van Onderwijs heeft een centrale rol in de beoordeling van de kwaliteit van de VVE in de voorschoolse opvang. De inspectie maakt gebruik van de Werkinstructie VVE-locatie (maart 2014) als richtsnoer voor de beoordeling. Voor 2015 moet het oordeel van de Inspectie tonen dat de indicatoren "Wettelijke condities" en "Ontwikkeling, begeleiding, zorg" minimaal op een score van 3 worden beoordeeld.
Als een indicator als wenselijk of noodzakelijk verbeterpunt wordt ingeschat, kan dit aanleiding geven voor nader onderzoek of het bijstellen van subsidies door de gemeente. In dat geval kan de Inspectie de rol van handhaver spelen, maar ook kan het college van burgemeester en wethouders besluiten om maatregelen te nemen, zoals afwijzing of stopzetting van subsidies.
Subsidies voor VVE-activiteiten
Subsidies voor VVE-activiteiten zijn onderdeel van de beleidsvormen die gemeenten hanteren om de kwaliteit van de voorschoolse opvang te verhogen. In Opsterland zijn er specifieke aanvraagformulieren vastgesteld voor subsidies ten behoeve van doelgroeppeuters en voor de scholing van leidsters en de aanschaf van een VVE-programma. Deze formulieren zijn opgenomen in de uitvoeringsregels van de gemeente.
Een aanbieder die een erkend VVE-programma aanschaft, kan subsidies vooraf ontvangen. In het geval van een niet-erkend programma wordt de subsidie pas uitbetaald wanneer de Inspectie van Onderwijs een positief oordeel heeft uitgebracht. Dit zorgt ervoor dat de kwaliteit van de VVE-activiteiten aan de wettelijke en pedagogische eisen voldoet.
De hardheidsclausule
De hardheidsclausule is een specifieke bepaling die ervoor zorgt dat kinderen die al gebruik hebben gemaakt van VVE-activiteiten in het verleden ook in een nieuwe opvanglocatie in aanmerking kunnen komen voor subsidies of extra uren. In Opsterland geldt deze clausule onder andere voor kinderen die in 2014 gebruik maakten van een peuterspeelzaal in de gemeente, maar nu woonachtig zijn in een andere gemeente. Deze regel is bedoeld om ervoor te zorgen dat kinderen niet gediscrimineerd worden op grond van hun woonplaats, als zij al ondersteuning hebben ontvangen in het verleden.
De rol van de GGD en de Inspectie
De GGD speelt een rol in de toetsing van de wettelijke condities van de voorschoolse opvang. Als deze toetsing niet is uitgevoerd op het moment dat de Inspectie een locatie bezoekt, toetst de Inspectie deze aspecten zelf. De toezicht- en handhavingsactiviteiten op de kwaliteit van de voorschoolse opvang worden uitgevoerd volgens de beleidsregels die de gemeente heeft opgesteld op grond van de Wet Kinderopvang.
Conclusie
De VVE-indicatie is een belangrijk instrument in de voorschoolse opvang, aangezien het helpt om kinderen te identificeren die extra aandacht of begeleiding nodig hebben. De praktijk van het stellen van VVE-indicaties is steeds duidelijker gereglementeerd in beleidsdocumenten en uitvoeringsregels, zoals die van de gemeenten Apeldoorn en Opsterland. Deze regels benadrukken niet alleen de rol van de JGZ en de Inspectie, maar ook de verantwoordelijkheid van de opvangaanbieders en de coördinatoren van voor- en vroegschoolse educatie.
De toepassing van VVE-indicaties verloopt binnen een duidelijk kader van kwaliteitsborging, samenwerking en subsidiebeleid. Door middel van VVE-coördinatie, een doorgaande leerlijn en een warme overdracht naar de basisschool, wordt de kwaliteit van de voorschoolse opvang verhoogd. De rol van de VVE-coach en de beoordelingen van de Inspectie zijn essentieel in dit proces. Binnen de voorschoolse opvang is het van belang dat alle actoren – van de JGZ tot de opvangaanbieders – hun rol serieus nemen en samenwerken aan een duurzame en kwalitatief goede voorbereiding van jonge kinderen op de basisschool.