Inleiding
De inrichting van een bestelauto voor het vervoer van gehandicapten is een specifieke toepassing die zowel juridische, technische als praktische aspecten omvat. Voor zowel particuliere gebruikers als professionele organisaties is het van belang om te weten welke eisen gelden, welke aanpassingen mogelijk zijn en welke belastingvoordelen of terugbetalingen kunnen worden aangewend. In dit artikel worden de relevante richtlijnen uitgebreid beschreven, met nadruk op de juridische kaders zoals de motorrijtuigenbelasting (bpm) en de inrichtings- en ombouweisen die van toepassing zijn. Op basis van officiële publicaties van de Belastingdienst en het kadastrale kantoor van de gemeente (KvK) worden de voorwaarden voor een juridisch en functioneel geschikte inrichting van een bestelauto voor gehandicaptenvervoer uitgelegd.
Juridische kaders en belastingvoordelen
Aanvraag recht op terugbetaling van motorrijtuigenbelasting (bpm)
Een bestelauto die is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, kan in aanmerking komen voor de terugbetaling van motorrijtuigenbelasting (bpm). Dit recht is vastgelegd in artikel 15a van de wet en is van toepassing zowel op nieuwe als gebruikte voertuigen. Voor een nieuwe bestelauto wordt de volledige betaalde bpm teruggegeven. Bij gebruikte auto’s wordt het resterende bpm-bedrag terugbetaald.
Het belangrijkste voorwaarde is dat het voertuig daadwerkelijk is aangepast voor gehandicaptenvervoer. Dit betekent dat aanpassingen zoals het in- en uitrijden van rolstoelen mogelijk moeten worden gemaakt, de veiligheid van de inzittenden moet worden gegarandeerd en de laadruimte moet voldoen aan specifieke maatvoeringen. De inrichting moet duidelijk zichtbaar zijn, bijvoorbeeld via foto’s, een ombouwplan of een factuur van de uitvoerende monteur.
Juridische goedkeuring en toepassing van artikel 63 van de AWR
De Belastingdienst heeft duidelijke richtlijnen opgesteld over het juridische kader waarin deze terugbetaling mogelijk is. In het kader van artikel 63 van de Algemene Wet Rechtsverkeer (AWR), ook wel de hardheidsclausule genoemd, is er juridische goedkeuring verleend dat andere bewijsmiddelen dan standaarddocumenten ook kunnen worden gebruikt. Dit is bijvoorbeeld van toepassing bij het aantonen dat een bestelauto daadwerkelijk is ingericht voor gehandicaptenvervoer.
De datum waarop de aanspraak op terugbetaling ontstaat, is van belang. Voor nieuwe auto’s is dit de datum van inschrijving, en voor gebruikte auto’s de datum van tenaamstelling. Hierbij is het van belang dat de aansluitend ombouw en inrichting direct worden uitgevoerd en het voertuig direct wordt gebruikt voor gehandicaptenvervoer. Als dit niet het geval is, kan het forfaitaire verminderingspercentage van artikel 10 van de wet worden toegepast, wat leidt tot een lagere terugbetaling dan mogelijk was.
Aanvraagprocedure en benodigde documenten
Bij het indienen van een verzoek tot toepassing van de gehandicaptenregeling, moeten een aantal documenten worden meegestuurd. Deze omvatten onder andere een beschikking volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), waarin staat dat een hulpmiddel is verstrekt. Dit geldt bijvoorbeeld voor een niet-opvouwbare rolstoel of andere hulpmiddelen die noodzakelijk zijn voor de gebruiker.
Het is mogelijk dat een niet-opvouwbare rolstoel of een ander noodzakelijk hulpmiddel is verstrekt door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Dit dient te worden aangegeven bij de aanvraag. Daarnaast moet worden bewezen dat de bestelauto direct na het kentekenbewijs is aangepast en direct wordt gebruikt voor gehandicaptenvervoer.
Technische eisen aan ombouw en inrichting
Algemene inrichtingsrichtlijnen
Niet elke bestelauto die gebruikt wordt voor het vervoer van goederen voldoet aan de eisen voor gehandicaptenvervoer. Voor een bestelauto die specifiek is ingericht voor het transport van een gehandicapte en zijn rolstoel, gelden extra eisen. Deze zijn vastgelegd in het schema van de Belastingdienst en worden hieronder uitgebreid beschreven.
Grote bestelauto's (grote bestelbus, verhuisbus en dergelijke)
- Laadruimte (blok): Minimaal 200 cm lang, minimaal 130 cm hoog over een breedte van minimaal 20 cm en een lengte van minimaal 200 cm.
- Zijruiten: Toegestaan in de laadruimte.
- Vaste wand: Niet nodig.
- Aanvullende eisen: Bij het meten van de laadruimte moet de bestuurdersstoel in de achterste stand staan. De rugleuning mag rechtop staan.
Bestelauto's met open laadbak, enkelecabine en 1,5 cabine (Xtrcab)
- Open laadbak: Minimaal 125 cm lang en 20 cm breed.
- Vaste wand: Niet nodig.
- Aanvullende eisen: Geen aanvullende eisen opgenomen in de bron.
Bestelauto's met verhoogd dak (combi's, kleine bestelauto’s en dergelijke)
- Dak laadruimte: Minimaal 25 cm hoger dan de bovenkant van de portieropening van de bestuurder.
- Zijruiten: Toegestaan.
- Laadruimte (blok): Minimaal 98 cm hoog over een breedte van minimaal 20 cm en een lengte van ten minste 125 cm.
- Vaste wand: Direct achter de bestuurderszitplaats en ten minste 30 cm hoog over de volle breedte van de cabine.
Middelgrote bestelauto’s zonder verhoogd dak (ruimtewagens, minibusjes, terreinauto’s en dergelijke)
- Dak laadruimte: Geen duidelijke maatvoering vermeld in de bron.
Aanpassingen voor rolstoelgebruikers
Bij de inrichting van een bestelauto voor rolstoelgebruikers moeten specifieke voorzieningen worden aangebracht. Deze aandachtspunten zijn niet alleen van belang voor de functionele toepassing, maar ook voor de veiligheid van de gebruiker. De Belastingdienst heeft hierover duidelijke richtlijnen opgesteld, waarbij bepaalde kosten buiten de berekening van de motorrijtuigenbelasting kunnen worden gehouden.
De volgende voorzieningen zijn van belang:
- Een liftinstallatie of een soortgelijke installatie: Deze faciliteert het in- en uitrijden van rolstoelen.
- Voorzieningen voor het vastzetten van rolstoelen: Dit is essentieel voor de veiligheid tijdens het vervoer.
- Aangepaste voorzieningen gerelateerd aan de handicap: Dit kan bijvoorbeeld omvatten verhoogde stoelen, pedalen met rand, een aangepaste handrem of gasbediening.
Deze voorzieningen moeten duidelijk zichtbaar zijn en kunnen worden bewezen via documentatie. Als bijvoorbeeld een bestelauto wordt omgebouwd tot een personenauto die speciaal is ingericht voor het vervoer van gehandicapten, kunnen ook de kosten van deze voorzieningen buiten de berekening van de motorrijtuigenbelasting worden gehouden, mits ze aanwezig zijn en bewijsbaar zijn.
Praktische toepassing en voorbeelden
Inrichting en ombouw voor individueel vervoer
Bij individueel vervoer van een gehandicapte is het vaak noodzakelijk dat een bestelauto wordt ingericht voor het vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel. In dergelijke gevallen is het verplicht om aan te tonen dat de laadruimte is aangepast zodat deze niet langer van de bestuurderszitplaats of de cabine is afgescheiden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de verplichte vaste wand is verwijderd of als er geen vlakke laadvloer meer aanwezig is.
Het is ook van belang om te weten dat een gehandicapte in beginsel slechts recht heeft op één bestelauto. Echter, bij het vervangen van een bestelauto is het mogelijk dat de gehandicapte tijdelijk twee bestelauto’s in gebruik heeft. In dergelijke gevallen is het niet mogelijk om terugbetaling voor de tweede bestelauto te ontvangen zolang de resterende motorrijtuigenbelasting voor de eerste bestelauto nog niet is terugbetaald.
Inrichting voor groepsvervoer
Voor groepsvervoer van rolstoelgebruikers zijn extra voorzieningen nodig. Deze inrichting moet voldoen aan de eisen die zijn opgesteld voor zowel individueel als groepsvervoer. Daarnaast is het belangrijk om te weten dat de inrichtings- en ombouwkosten voor groepsvervoer buiten de berekening van de motorrijtuigenbelasting kunnen worden gehouden, zolang deze kosten zijn gericht op het vervoer van gehandicapten en veiligheid in de laadruimte.
Conclusie
De inrichting van een bestelauto voor gehandicaptenvervoer vereist een grondige kennis van zowel juridische, technische als praktische aspecten. Voor zowel particuliere gebruikers als organisaties is het van belang om te weten welke eisen gelden, welke aanpassingen mogelijk zijn en welke belastingvoordelen kunnen worden aangewend.
Het juridische kader voor de terugbetaling van motorrijtuigenbelasting (bpm) is duidelijk geregeld in artikel 15a van de wet en artikel 63 van de AWR. Hierbij is het van belang dat het voertuig daadwerkelijk is aangepast en direct wordt gebruikt voor gehandicaptenvervoer. De inrichting moet bewijsbaar zijn via documentatie zoals foto’s, ombouwplannen of facturen.
Technisch gezien zijn er specifieke maatvoeringen en inrichtingsrichtlijnen die moeten worden nageleefd. Deze variëren afhankelijk van het type bestelauto. Daarnaast zijn er specifieke voorzieningen nodig om het in- en uitrijden van rolstoelen mogelijk te maken en de veiligheid van de gebruiker te waarborgen. Deze voorzieningen kunnen, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, buiten de berekening van de motorrijtuigenbelasting worden gehouden.
Tenslotte is het belangrijk om de praktische toepassing van deze richtlijnen te begrijpen, zowel voor individueel als groepsvervoer. Het is verstandig om te overleggen met een erkende monteur of een deskundig bureau voor ombouw en inrichting om ervoor te zorgen dat alle juridische en technische eisen worden nageleefd.
Bronnen
- Staatsblad en officiële goedkeuring voor gehandicaptenregeling
- [Eisen aan ombouw en inrichting van bestelauto voor gehandicaptenvervoer](https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/autoenvervoer/belastingenopautoenmotor/motorrijtuigenbelasting/soortmotorrijtuig/bestelauto/eisenaanombouwen_inrichting