Inleiding
Een VVE-indicatie, afgegeven door het consultatiebureau van de GGD, speelt een centrale rol in de organisatie en kwaliteitsborging van kinderopvang en voorschoolse educatie, met name binnen het kader van integrale kindcentra. Deze indicatie dient als een signaal dat een kind extra aandacht nodig heeft vanwege een taal- of ontwikkelingsachterstand. Voor zowel de houder van een kinderopvang, als de ouders en andere betrokken partijen, heeft deze indicatie concrete gevolgen, waaronder verplichtingen voor ondersteuning, registratie en toezicht.
In dit artikel worden de juridische, operationele en kwaliteitsaspecten van de VVE-indicatie en de rol van de GGD besproken. De nadruk ligt op de verantwoordelijkheden van de houder, de samenwerking met het Kenniscentrum VVE en de GGD, en de financiële en administratieve voorwaarden die verband houden met VVE-kinderopvang. De informatie is afgeleid van de relevante lokale regelgeving, waaronder de Verordening inkoop kindplekken en kwaliteitsregels voor integrale kindcentra (CVDR215132) en uitvoeringsregels van een gemeentelijke kinderopvangregeling (CVDR339215).
De VVE-indicatie: Definitie en betekenis
Een VVE-indicatie is een officiële aanduiding van het consultatiebureau van de GGD dat een kind in de leeftijd van 18 tot 48 maanden extra zorg en aandacht nodig heeft vanwege een taal- of ontwikkelingsachterstand. Deze indicatie vormt een voorwaarde voor de toegang tot de voorschoolse educatie (VVE) binnen integrale kindcentra, zoals gedefinieerd in de Verordening inkoop kindplekken en kwaliteitsregels.
De GGD speelt een sleutelrol in het vaststellen van de VVE-indicatie. Dit gebeurt op basis van een evaluatie van de ontwikkeling van het kind. Indien de GGD een indicatie afgeeft, is dit een noodzakelijke voorwaarde voor het aanvragen van een VVE-kindplek of voor het gebruik van VVE-gerichte ondersteuning.
De VVE-indicatie heeft juridische en praktische gevolgen, zowel voor de houder van de kinderopvang als voor de ouder van het betrokken kind. Voor de houder is het een verplichting om contact op te nemen met het Kenniscentrum VVE voor ondersteuning, mits de houder geen VVE-certificaat heeft. Ook is het verplicht om het kind te registreren en het VVE-programma te documenteren.
Verantwoordelijkheden van de houder
De houder van een kinderopvang is verantwoordelijk voor het naleven van de wettelijke en kwaliteitsvoorschriften voor VVE-kindplekken. Dit omvat een aantal specifieke verplichtingen:
Controle op VVE-indicatie bij aanmelding: Bij het aanmelden van een kind dient de houder te controleren of er sprake is van een VVE-indicatie. Als dat het geval is, en de houder heeft geen VVE-certificaat, dient hij of zij contact op te nemen met het Kenniscentrum VVE voor ondersteuning. Deze ondersteuning dient te voldoen aan de kwaliteitsvoorschriften voor voorschoolse educatie.
Afspraken vastleggen: De inhoud van de ondersteuning, zoals geregeld tussen de houder en het Kenniscentrum, dient vast te worden gelegd in een overeenkomst. Deze overeenkomst moet duidelijk maken wat voor soort ondersteuning wordt verleend en hoe deze wordt uitgevoerd.
Signalerings- en doorverwijsprotocol: De houder moet beschikken over een adequaat protocol voor het signaleren van taal- of ontwikkelingsachterstand bij peuters. Dit protocol moet zorgen voor een vroegtijdige inschakeling van de GGD of het Kenniscentrum VVE.
Risico- en veiligheidsprotocol: Ook moet de houder een risico- en veiligheidsprotocol hanteren om de veiligheid van de kinderen te waarborgen.
Klanttevredenheid: Het is verplicht voor de houder om effectieve werkwijzen te hanteren rondom klanttevredenheid. Dit betreft bijvoorbeeld het afnemen van feedback van ouders en het actie ondernemen op basis daarvan.
Registratie en informatie: De houder moet ervoor zorgen dat elk kind dat deelneemt aan voorschoolse educatie geregistreerd is. Bovendien moet hij of zij de gegevens van geregistreerde kinderen actueel houden tot de overgang naar het basisonderwijs.
Samenwerking met primair onderwijs: De houder moet binnen het kader van het integraal kindcentrum een aantoonbare samenwerking hebben met het primair onderwijs, in het bijzonder wat betreft de doorgaande leerlijn.
Convenant ondertekenen: De houder moet het convenant WET OKE en VVE ondertekenen. Dit convenant bevat afspraken over het kwaliteitsbeleid en de wederkerigheid.
Rol van de GGD en het Kenniscentrum VVE
De GGD en het Kenniscentrum VVE spelen een essentiële rol in de aanbieding van VVE-kinderopvang. De GGD is verantwoordelijk voor het vaststellen van de VVE-indicatie en voor de evaluatie van de kwaliteit van de locaties die VVE-offerteren. Indien een locatie nog niet door de GGD is getoetst op de wettelijke vereisten, dient de Inspectie dit onderdeel zelf te toetsen.
Het Kenniscentrum VVE biedt ondersteuning aan kinderopvanghouders die VVE-kindplekken aanbieden. Deze ondersteuning dient te voldoen aan de kwaliteitsvoorschriften voor voorschoolse educatie. De inhoud van deze ondersteuning wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de houder en het Kenniscentrum. Het Kenniscentrum is tevens verantwoordelijk voor het uitvoeren van het VVE-programma en het registreren van de resultaten.
Samenwerking
De samenwerking tussen de houder, de GGD en het Kenniscentrum is verplicht. Dit betekent dat bij vermoedens van taal- of ontwikkelingsachterstand bij een kind, de houder verplicht is om contact op te nemen met de GGD en het Kenniscentrum. Deze samenwerking is ook nodig om aan de kwaliteitsvoorschriften voor VVE te voldoen.
De GGD heeft een belangrijke rol in de toeleiding tot VVE en in het afgeven van indicaties. Het is verplicht dat een VVE-indicatie van de GGD voorhanden is om in aanmerking te komen voor vergoeding van een VVE-kindplek. De GGD is ook verantwoordelijk voor het uitvoeren van toezicht en handhaving op de kwaliteit van de VVE-locaties, conform de beleidsregels van de gemeente.
Het Kenniscentrum VVE daarentegen is verantwoordelijk voor het uitvoeren van het VVE-programma en het registreren van de resultaten. Het Kenniscentrum werkt samen met de houder om zorg te bieden aan kinderen met een taal- of ontwikkelingsachterstand. De inhoud van deze ondersteuning wordt vastgelegd in een overeenkomst.
Financiële en administratieve voorwaarden
Voor de financiering van VVE-kindplekken gelden specifieke voorwaarden. De tarieven voor VVE-kindplekken worden jaarlijks vastgesteld door het college, op basis van een evaluatie van de daadwerkelijke kostprijs en het aantal kinderen met een VVE-indicatie. Deze evaluatie en het besluit van het college gaan ter informatie naar de gemeenteraad.
In de Verordening inkoop kindplekken en kwaliteitsregels is ook een mogelijkheid opgenomen om aanvullende afspraken te maken op basis van extra dienstverlening en kwaliteit. Hierbij kan het basis tarief worden opgeplust, indien het college dit wenselijk vindt. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor het stimuleren van VVE-aanbod op bepaalde locaties of het aanbieden van extra VVE-kwaliteit.
Wederkerigheidsovereenkomst
Een verplichte voorwaarde voor het afnemen van een kindplek bij het kindcentrum is dat de ouder over een wederkerigheidsovereenkomst beschikt. Deze overeenkomst bevat afspraken tussen de gemeente en de ouder over wederkerigheid. Wederkerigheid is hier gedefinieerd als het maken van een wederkerige inbreng in de maatschappij, zoals het werken, het volgen van een opleiding of mantelzorgtakken.
De houder van de kinderopvang is verantwoordelijk voor het uitvoeren van activiteiten en het naleven van eisen die door de GGD zijn gesteld. Bovendien is wederkerigheid in de vorm van mantelzorgtakken een erkende vorm van wederkerigheid. Dit betekent dat ouders die mantelzorgtaken vervullen, in aanmerking komen voor een VVE-kindplek.
Kwaliteitsborging en toezicht
De kwaliteitsborging van VVE-kindplekken is onderdeel van de wettelijke verordeningen en gemeentelijke beleidsregels. De GGD is verantwoordelijk voor het uitvoeren van toezicht op de kwaliteit van de VVE-locaties. Dit gebeurt conform de beleidsregels die de gemeente heeft opgesteld op basis van de Wet Kinderopvang.
Een aanbieder kan geregistreerd worden in het Landelijk Register Kinderopvang (LRKP) als de GGD het advies geeft aan de gemeente. Deze registratie is alleen mogelijk als de GGD en eventueel de Inspectie van Onderwijs aangeven dat de locatie aan de wettelijke vereisten voldoet en voldoende kwaliteit biedt voor VVE.
Peutertoetsen en monitor VVE
De resultaten van VVE worden in de voorschoolse periode gemeten met de Peutertoets 1 en Cito Peutertoets. In de vroegschoolse educatie wordt gebruikgemaakt van de Cito-toetsen voor woordenschat. Deze toetsen dienen om de opbrengsten van het VVE-programma te meten en te documenteren.
Op stedelijk niveau wordt een monitor VVE uitgevoerd. Deze monitor bevat resultaten over het aanbod, bereik, kwaliteit en opbrengsten bij kinderen. De exacte invulling van deze monitor werd in 2012 nader uitgewerkt. De GGD, voorschoolse voorzieningen en schoolbesturen leveren de benodigde gegevens aan voor de monitor. De resultaten worden jaarlijks besproken en ingezet voor de verdere ontwikkeling van het VVE-beleid.
Peuterdossier
In het peuterdossier worden diverse gegevens opgenomen en bijgehouden. Dit dossier bevat:
- Observatiegegevens
- Eventuele toetsgegevens
- Eventuele (extra) begeleiding, inclusief externe zorg
- Eventuele handelingsplannen
- Hoe ouders betrokken worden bij de zorg
- Het aantal uren of dagdelen dat het kind op de opvang heeft doorgebracht
Het peuterdossier dient als documentatieinstrument voor de houder om de ontwikkeling van het kind te volgen en om de kwaliteit van de zorg te garanderen. Het is verplicht om ouders te informeren en te betrekken bij de zorg, conform de regelgeving.
Conclusie
De VVE-indicatie en de rol van de GGD zijn essentieel voor de kwaliteitsborging en organisatie van kinderopvang en voorschoolse educatie. De VVE-indicatie fungeert als een noodzakelijke voorwaarde voor toegang tot VVE-kindplekken en bepaalt de verantwoordelijkheden van de houder van de kinderopvang. Deze verantwoordelijkheden omvatten het afnemen van contact met het Kenniscentrum VVE, het vastleggen van afspraken, het signaleren van vermoedens van ontwikkelingsachterstand en het naleven van kwaliteitsvoorschriften.
De GGD en het Kenniscentrum VVE spelen een cruciale rol in de evaluatie, toezicht en ondersteuning van VVE-kindplekken. De GGD is verantwoordelijk voor de toekenning van de indicatie en voor de kwaliteitscontrole van de locaties. Het Kenniscentrum VVE zorgt voor de ondersteuning van houders en kinderen en voor het uitvoeren van het VVE-programma.
Op financieel en administratief vlak gelden duidelijke voorwaarden voor de financiering en registratie van VVE-kindplekken. De tarieven worden jaarlijks vastgesteld en kunnen worden aangepast op basis van extra dienstverlening. Wederkerigheid is een verplichte voorwaarde, en mantelzorgtakken worden hierin erkend.
De kwaliteitsborging van VVE-kindplekken is onderdeel van zowel wettelijke verordeningen als gemeentelijke beleidsregels. Toezicht wordt uitgevoerd door de GGD en eventueel de Inspectie van Onderwijs. De resultaten van VVE worden gemeten met toetsen en worden jaarlijks besproken in de monitor VVE. Het peuterdossier dient als documentatieinstrument voor de houder en de ouders.
Samen vormen deze elementen een gedetailleerde en gereglementeerde benadering van de organisatie van VVE-kindplekken, gericht op de kwaliteit van de zorg en het behoud van wederkerigheid.