Inleiding
Vroegschoolse educatie (VVE) speelt een centrale rol in de ontwikkeling van jonge kinderen en is daarom ook sterk gereguleerd. In dit artikel worden de wettelijke eisen die van toepassing zijn op VVE in kinderopvang besproken, op basis van de beschikbare informatie uit openbare bronnen. De nadruk ligt op kwaliteitseisen, toezicht, financiële regelingen en de rol van zowel de gemeente als de kinderopvangorganisaties in het bieden en beheren van VVE.
De wetgeving rond VVE is geëvolueerd, met name sinds de invoering van de Wet Onderwijs en Opvoeding (OKE), de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) en de Wet Kinderopvang. Deze wetgeving houdt rekening met het belang van vroeg onderwijs en opvoeding voor kinderen van 0 tot 4 jaar, en legt duidelijke kaders vast voor wie VVE aanbiedt, hoe het uitgevoerd moet worden, en welke kwaliteitseisen daaraan verbonden zijn.
De informatie is afgeleid van officiële documenten zoals regelgeving, toelichtingen en beleidsregels. In de loop van het artikel wordt ingegaan op de rol van de GGD, de Onderwijsinspectie en de gemeente in het toezicht en de handhaving van kwaliteit in de VVE-sector. Ook wordt ingegaan op de financiële aspecten zoals ouderbijdrage, subsidies en het toepassen van standaarden op basis van de Belastingdienst.
Het doel van dit artikel is om een duidelijk overzicht te geven van de wettelijke eisen voor VVE in kinderopvang, gericht op een doelgroep van (potentiële) ouders, professionals in de kinderopvangsector en beleidsmakers die betrokken zijn bij deze educatieve voorziening.
Wettelijke kaders voor VVE
VVE is geregeld door verschillende wetskaders die ervoor zorgen dat de aanbieding van vroegschoolse educatie voldoet aan zowel kwaliteitseisen als pedagogische standaarden. De belangrijkste wetskaders die hierin een rol spelen zijn:
Wet Onderwijs en Opvoeding (OKE)
De Wet Onderwijs en Opvoeding (OKE) is vanaf 2018 van toepassing op kinderopvang en heeft geleid tot de harmonisatie van kwaliteitseisen tussen peuterspeelzalen en kinderopvang. Deze wet bepaalt dat alle kinderopvangorganisaties die VVE aanbieden voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen. Zo moet VVE bijvoorbeeld worden aangeboden voor minimaal 16 uur per week en gedurende 40 weken per jaar. Ook zijn er regels opgesteld voor de groepsgrootte en de verhouding tussen kinderen en medewerkers.
In dit kader zijn ook afspraken gemaakt over het aantal VVE-uren dat kinderen uit de doelgroep ontvangen. Kinderen van 2,5 tot 4 jaar ontvangen bijvoorbeeld 960 uur VVE per jaar, verdeeld over vier dagdelen van 4 uur. De aanbieding van VVE moet plaatsvinden in horizontale vaste groepen, waarin een kind minimaal twee dagdelen in dezelfde groep zit. Daarnaast mag in een groep die VVE ontvangt, maximaal 50% van de kinderen geïndiceerd zijn voor VVE of zorgkinderen zijn. Afwijken van deze regels is mogelijk in uitzonderlijke gevallen, maar dan moet dit goed beargumenteerd worden.
Wet Kinderopvang
De Wet Kinderopvang bepaalt wat kinderopvang inhoudt en welke eisen er aan deze vorm van opvang worden gesteld. Kinderopvang is gedefinieerd als “het bedrijfsmatig en anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint” (artikel 1.1, lid b). Deze definitie maakt duidelijk dat kinderopvang niet enkel om opvang gaat, maar ook om opvoeding en ontwikkeling.
In deze wet is ook de definitie van peuterspeelzaalwerk vervallen, wat betekent dat de eisen voor kinderopvang en peuterspeelzalen sinds de harmonisatie gelijk zijn. Werkende ouders die in 2018 of later een plek in een kinderopvang afnemen kunnen kinderopvangtoeslag aanvragen, wat betekent dat ze geen recht meer hebben op subsidies van de gemeente. Aan de andere kant kunnen kostwinnersgezinnen of gezinnen zonder werk nog steeds een beroep doen op gemeentelijke subsidie voor VVE.
Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK)
De Wet IKK, die per 1 januari 2018 gedeeltelijk in werking is getreden, stelt hogere kwaliteitseisen aan kinderopvang. Deze wet bevat onder meer regels omtrent de verhouding tussen kinderen en medewerkers (leidsterkindratio), aangescherpte taaleisen voor medewerkers, en de verplichting dat elk kind een mentor krijgt. Ook is er meer aandacht voor de ontwikkeling van kinderen. Deze eisen zijn van toepassing op alle kinderopvangorganisaties die VVE aanbieden.
Kwaliteitseisen voor VVE
De kwaliteit van VVE wordt onder andere bepaald door de eisen die zijn opgenomen in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit vroegschoolse educatie. Hierin zijn regels opgenomen over het aantal uren VVE, de groepsgrootte, de verhouding tussen kinderen en medewerkers, en de structuur van de educatieve activiteiten. Deze regels zijn van toepassing op alle kinderopvangorganisaties die VVE aanbieden.
Aantal uren VVE
VVE wordt aangeboden in de vorm van 16 uur per week, verdeeld over vier dagdelen van 4 uur. Dit aantal uren is van toepassing op alle kinderen die VVE ontvangen. Voor kinderen uit de doelgroep, die tussen de 2,5 en 4 jaar oud zijn, geldt dat ze in totaal 960 uur VVE per jaar ontvangen. Deze uren worden geregeld door de GGD, die zorgt voor de indicering van kinderen naar VVE-locaties.
Groepsgrootte en horizontale groepen
VVE vindt plaats in horizontale vaste groepen. Dat betekent dat een kind minimaal twee dagdelen in dezelfde groep zit. De groepsgrootte wordt bepaald door het aantal kinderen dat aanwezig is in de groep. In een groep die VVE ontvangt, mag maximaal 50% van de kinderen geïndiceerd zijn voor VVE of zorgkinderen zijn. In uitzonderlijke gevallen kan dit percentage afwijken, maar dan moet dit goed beargumenteerd worden.
Leidsterkindratio en mentorverplichting
De verhouding tussen kinderen en medewerkers is een belangrijk kwaliteitsaspect. De Wet IKK bepaalt dat er een verlaagde leidsterkindratio geldt voor groepen die VVE ontvangen. Ook is het verplicht dat elk kind een mentor heeft. Deze mentor is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het kind en werkt samen met de ouders en andere medewerkers in de organisatie.
Toezicht en handhaving
Het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van VVE is een belangrijk onderdeel van de wetsregelgeving. De GGD, de Onderwijsinspectie en de gemeente spelen een rol bij het toezicht op de kwaliteit van VVE. Deze partijen zijn verantwoordelijk voor het controleren van of de kwaliteitseisen worden nageleefd en of er eventueel handhaving nodig is.
Rol van de GGD
De GGD is verantwoordelijk voor de indicering van kinderen naar VVE-locaties. Dit betekent dat de GGD bepaalt welke kinderen in aanmerking komen voor VVE. Daarnaast is de GGD ook verantwoordelijk voor het controleren van of de kwaliteitseisen voor VVE worden nageleefd. De GGD werkt samen met de gemeente om het toezicht op VVE te organiseren. Twee maal per jaar worden afspraken gemaakt over het toezicht op de kwaliteit van de kinderopvang. De GGD voert ook inspecties uit en stelt rapporten op over de kwaliteit van VVE.
Als het aanbod van VVE niet voldoet aan de kwaliteitseisen, maakt de GGD een rapport op waarvan de gemeente een afschrift ontvangt. In dat geval kan de gemeente, indien nodig, handhaven. Dit betreft bijvoorbeeld het beëindigen van samenwerking met de kinderopvangorganisatie of het verplichten om aanpassingen aan te brengen.
Rol van de Onderwijsinspectie
De Onderwijsinspectie is verantwoordelijk voor het toezicht op de educatieve kwaliteit van VVE. De inspectie controleert of de kwaliteitseisen voor VVE worden nageleefd en of de activiteiten die worden aangeboden voldoen aan de pedagogische doelen. De inspectie kan toezicht houden op VVE op verzoek van de gemeente of op eigen initiatief.
De inspectie werkt met een landelijk toetsingskader, dat is ontwikkeld om de kwaliteit van VVE te beoordelen. Dit kader bevat onder meer criteria voor de inrichting van de ruimte, de structuur van de dag, de betrokkenheid van de ouders en de kwaliteit van het educatieve programma.
Rol van de gemeente
De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van kwaliteitseisen. De gemeente zorgt ervoor dat de kinderopvangorganisaties die VVE aanbieden voldoen aan de regels. Daarnaast is de gemeente ook verantwoordelijk voor de financiering van VVE. De gemeente ontvangt middelen van het Rijk voor de bestrijding van onderwijsachterstanden. Deze middelen worden uitgekeerd in de vorm van een doeluitkering, die ook wordt genoemd als SiSa-verantwoording.
De gemeente moet aantonen hoeveel kinderen hebben deelgenomen aan VVE en welk bedrag is besteed aan de verlaging van de ouderbijdrage voor doelgroepkinderen. Dit is onderdeel van de verantwoording aan het Rijk. Daarnaast heeft de gemeente ook een rol bij het opstellen van werkafspraken met kinderopvangorganisaties over de registratie en monitoring van VVE.
Financiële regelingen
De financiering van VVE is een belangrijk aspect van het aanbod van vroegschoolse educatie. De financiering hangt af van de situatie van de ouders, de soort aanbod en de subsidies die beschikbaar zijn. In dit deel van het artikel worden de financiële regelingen besproken, met name de ouderbijdrage, subsidies en de rol van de Belastingdienst.
Ouderbijdrage
De ouderbijdrage is een centraal aspect van de financiering van kinderopvang. Sinds de harmonisatie in mei 2017 werken alle voorschoolse voorzieningen met een ouderbijdrage die gebaseerd is op de ouderbijdragetabel van de Belastingdienst. Deze tabel bepaalt hoeveel ouders moeten betalen voor kinderopvang op basis van hun inkomsten en gezamenlijke situatie.
Voor VVE-uren wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Dit betekent dat ouders die VVE afnemen geen aparte bijdrage hoeven te betalen voor deze uren. De kosten van VVE worden ingeschaald met de ouderbijdrage voor kinderopvang. Dit geldt ook voor gezinnen die subsidies ontvangen of die recht hebben op kinderopvangtoeslag.
Subsidies en kinderopvangtoeslag
De financiering van VVE hangt ook af van of ouders subsidies of kinderopvangtoeslag ontvangen. Werkende ouders die in 2018 of later een plek in een kinderopvang afnemen kunnen kinderopvangtoeslag aanvragen. Dit betekent dat deze ouders geen recht meer hebben op subsidies van de gemeente. Aan de andere kant kunnen kostwinnersgezinnen of gezinnen zonder werk nog steeds een beroep doen op gemeentelijke subsidie voor VVE.
Er zijn vier categorieën van ouders die betrokken zijn bij VVE:
- Ouders van doelgroeppeuters VVE
- Ouders van reguliere peuters
- Ouders die wél recht hebben op kinderopvangtoeslag
- Ouders die géén recht hebben op kinderopvangtoeslag
De financiering van VVE is afhankelijk van welke categorie ouders in valt. Voor ouders die subsidies ontvangen of kinderopvangtoeslag hebben, is de financiering van VVE een onderdeel van de algehele financiering van de kinderopvangplek.
Rol van de Belastingdienst
De Belastingdienst speelt een rol bij de financiering van VVE via de ouderbijdragetabel. Deze tabel bepaalt hoeveel ouders moeten betalen voor kinderopvang op basis van hun inkomsten en gezamenlijke situatie. De ouderbijdrage is gebaseerd op de inkomsten van de ouders en wordt berekend door de Belastingdienst.
De ouderbijdrage is een belangrijk instrument om de toegankelijkheid van kinderopvang en VVE te verhogen. Omdat VVE-uren geen eigen bijdrage vereisen, is de financiering van deze uren ingeschaald met de ouderbijdrage voor kinderopvang. Dit betekent dat ouders die VVE afnemen geen aparte bijdrage hoeven te betalen.
Conclusie
Vroegschoolse educatie is een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van jonge kinderen en wordt daarom sterk gereguleerd. De wettelijke eisen voor VVE zijn vastgelegd in verschillende wetten en beleidsregels, waaronder de Wet Onderwijs en Opvoeding (OKE), de Wet Kinderopvang en de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK). Deze wetten bepalen onder andere hoe lang VVE wordt aangeboden, hoeveel uren er per jaar beschikbaar zijn, en welke kwaliteitseisen er aan het aanbod zijn verbonden.
Het toezicht op en de handhaving van VVE wordt gedaan door de GGD, de Onderwijsinspectie en de gemeente. Deze partijen controleren of de kwaliteitseisen worden nageleefd en of er eventueel handhaving nodig is. De financiering van VVE hangt af van de situatie van de ouders, de soort aanbod en de subsidies die beschikbaar zijn. De ouderbijdrage is een centraal aspect van de financiering van VVE en is gebaseerd op de ouderbijdragetabel van de Belastingdienst.
In totaal is VVE een complexe en georganiseerde voorziening die zowel pedagogische, juridische als financiële aspecten omvat. Voor ouders, professionals in de kinderopvangsector en beleidsmakers is het belangrijk om zich bewust te zijn van de wettelijke eisen die van toepassing zijn op VVE, zodat het aanbod van vroegschoolse educatie zo goed mogelijk kan worden geregeld.