Richtlijnen voor de inrichting van woningen en bijzondere bijstand

Inleiding

Bij het inrichten van een woning zijn er zowel juridische als financiële richtlijnen van belang om rekening mee te houden. Deze richtlijnen bepalen niet alleen de maximale uitgaven die toegestaan zijn voor inrichtingskosten, maar ook de manier waarop dergelijke kosten kunnen worden gefinancierd, bijvoorbeeld via bijzondere bijstand. De beschikbare regelingen zijn vastgelegd in beleidsregels zoals de Beleidsregels Bijzondere bijstand inzake inrichtingskosten en draagkrachtberekening. Deze regelingen zijn van toepassing op individuen en gezinnen die zich in een bijzondere situatie bevinden en voor wie het normale inkomensmodel niet voldoende is om de inrichtingskosten te dekken.

In dit artikel worden de relevante richtlijnen voor inrichtingskosten en bijzondere bijstand besproken, inclusief de maximale bedragen die toegestaan zijn, de draagkrachtberekening, en de voorwaarden voor het verstrekken van bijzondere bijstand. Daarnaast wordt ingegaan op de juridische kaders die deze regelingen onderbouwen en de eventuele toekomstige ontwikkelingen in het kader van het Deltaprogramma en fiscale aandachtpunten. Het artikel richt zich voornamelijk op de situatie van individuen en gezinnen die inwoners zijn van Nederland en die in 2023 of daarvoor een regeling hadden aangevraagd.

Beleidsregels bijzondere bijstand inzake inrichtingskosten

De Beleidsregels Bijzondere bijstand inzake inrichtingskosten en draagkrachtberekening zijn van toepassing op personen die zich in een bijzondere situatie bevinden en voor wie het normale inkomensmodel niet voldoende is om de inrichtingskosten te dekken. Deze regeling is gebaseerd op artikel 35 van de Participatiewet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beleidsregels zijn geldig geweest vanaf 3 november 2016 tot 31 augustus 2023.

Inrichtingskosten en kosten van duurzame gebruiksgoederen worden in het algemeen beschouwd als incidenteel voorkomende, algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm, of via gespreide betaling achteraf. Hieruit volgt dat in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Echter, bijzondere bijstand kan worden verleend wanneer er sprake is van individueel bijzondere omstandigheden en de kosten niet kunnen worden gedekt uit de bijstandsnorm.

Maximale bedragen voor inrichtingskosten

De maximale bedragen voor inrichtingskosten zijn afhankelijk van het aantal personen in het huishouden. Voor een alleenstaande gelden de volgende maximale bedragen:

  • Kamerbewoner: € 1.709,00
  • Zelfstandig gehuisvest: € 3.271,00

Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd met de Consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Aanpassingen worden gedaan met ingang van 2017, en naar boven afgerond op halve euro’s.

Voor een meerpersoonshuishouden gelden de volgende maximale bedragen:

  • Twee personen (gezamenlijke huishouding): € 3.803,50
  • Twee personen (geen gezamenlijke huishouding): € 3.757,00
  • Drie personen: € 4.211,50
  • Vier personen: € 4.838,50
  • Vijf personen: € 5.293,00
  • Voor iedere extra persoon: € 506,00

Deze bedragen worden periodiek aangepast aan de meest recente prijzengids van het NIBUD, waarbij uitgegaan wordt van 50% van de meerkosten per persoon. Ook hier wordt naar boven afgerond op halve euro’s.

Gedeeltelijke inrichtingskosten

Bij gedeeltelijke inrichtingskosten geldt een percentage van de voor volledige inrichtingskosten geldende maximale bedragen. Dit percentage is afhankelijk van de verhouding waarin de gedeeltelijke inrichtingskosten staan tot de volledige inrichtingskosten. Op basis van gegronde redenen kan worden afgeweken naar een lager bedrag.

Aanschaf duurzame gebruiksgoederen

Voor de bepaling van de maximaal te verstrekken bijzondere bijstand voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen wordt in beginsel uitgegaan van 75% van de waarde zoals vastgelegd in de meest recente Prijzengids van het NIBUD, onderdeel inventaris. Ook hier wordt naar boven afgerond op halve euro’s.

Draagkrachtberekening

De draagkrachtberekening is een essentieel onderdeel van de regeling voor bijzondere bijstand. Deze berekening bepaalt of de persoon of het huishouden in staat is om de verstrekte bijstand te verwerken binnen zijn of haar inkomensstructuur. De draagkrachtberekening is gebaseerd op het inkomensniveau van de aanvrager en de mate waarin het inkomen kan worden ingezet om de bijzondere bijstand terug te betalen.

Verstrekkingswijze en terugbetaling

De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een geldlening en wordt in één keer uitbetaald, tenzij anders bepaald. De verstrekte geldlening moet volledig worden terugbetaald. Voor een inkomen dat gelijk is aan de bijstandsnorm, wordt maandelijks een bedrag van 6% van het maandinkomen afgelost. Voor inkomens boven de bijstandsnorm is de Algemene draagkrachtberekening bijzondere bijstand van toepassing.

Onderzoek en toepassing

Voor het toekennen van bijzondere bijstand wordt een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bepaalt of de aanvrager inderdaad in een bijzondere situatie verkeert en of de inrichtingskosten of aanschaf van duurzame gebruiksgoederen niet kunnen worden gedekt uit de bijstandsnorm. De draagkrachtberekening speelt hier een belangrijke rol in, omdat hij aantoont of de aanvrager in staat is om de verstrekte bijstand terug te betalen.

Toekomstige ontwikkelingen en het Deltaprogramma

Hoewel de regeling voor bijzondere bijstand inzake inrichtingskosten sinds 31 augustus 2023 niet langer van toepassing is, zijn er binnen het kader van het Deltaprogramma en andere beleidsmaatregelen aandachtpunten voor het inrichten van woningen in de toekomst.

Aanpassingen in het Deltaprogramma 2026

In het Deltaprogramma 2026, dat in 2025 door de minister van Infrastructuur en Waterstaat is aangeboden aan de Tweede Kamer, wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die het Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten nemen om op lange termijn veilig en prettig in Nederland te kunnen leven. De overheden onderstrepen dat Nederland op lange termijn bestand kan zijn tegen te veel en te weinig water, maar dat dit wel aanscherping van de manier vraagt waarop het land is ingericht.

De totale kosten van de maatregelen in het Deltaprogramma tot 2050 worden geraamd op circa 38 miljard euro. In het Deltafonds is er nu tot 2050 29 miljard euro beschikbaar. De deltacommissaris adviseert het kabinet om een verkenning te starten over de manier waarop Nederland klimaatbestendig kan worden ingericht, met aandacht voor het overbruggen van bestuurlijke en sectorale grenzen.

Toekomstige uitdagingen

De deltacommissaris benadrukt dat de huidige opgaven niet meer op te lossen zijn op de manier waarop de regelingen nu zijn georganiseerd. Soms liggen de oplossingen zelfs buiten de eigen regio of sector. Daarom is er behoefte aan een nieuw beleidskader dat aandacht besteedt aan de lange termijn financiering van maatregelen die nodig zijn om veilig te blijven voor hoogwater, toenemende weersextremen en zoetwatertekorten.

Fiscale aandachtpunten bij inrichtingskosten

Naast juridische en technische richtlijnen zijn er ook fiscale aspecten die van belang zijn bij het inrichten van een woning. Deze aspecten zijn vooral van toepassing op werkgevers die bijzondere vergoedingen verstrekken aan werknemers, of op werknemers die zich in een bijzondere situatie bevinden.

Wijzigingen in de werkkostenregeling

De werkkostenregeling (WKR) stelt werkgevers in staat om bepaalde vergoedingen en verstrekkingen, zoals kerstpakketten en cadeaubonnen, onbelast aan werknemers te geven. Deze regeling is onderdeel van de vrije ruimte, die wordt berekend over de totale fiscale loonsom van de organisatie. De vrije ruimte in de eerste schijf (tot € 400.000 loonsom) is de afgelopen jaren stapsgewijs verhoogd. Per 2025 steeg het percentage van 1,92% naar 2%, en met ingang van 1 januari 2027 volgt een nieuwe verhoging naar 2,16%. Voor het loon boven de grens van € 400.000 blijft het lagere percentage van 1,18% gelden.

Deze verhogingen geven werkgevers extra ruimte om onbelaste vergoedingen en voorzieningen te verstrekken, zonder dat daarover een eindheffing van 80% verschuldigd is. Werkgevers kunnen bijvoorbeeld een hoger bedrag aan kerstgeld of cadeaubonnen verstrekken zonder dat dit fiscaal belastinggevend is.

Meldplicht opting-in

De opting-inregeling maakt het mogelijk om een arbeidsrelatie die normaal gesproken niet onder de loonbelasting valt, toch als een (fictieve) dienstbetrekking aan te merken voor de loonbelasting. Zodra voor opting-in wordt gekozen, zijn de reguliere loonbelastingregels van toepassing.

Om opting-in te gebruiken, moeten werkgever en werknemer momenteel samen een verklaring indienen bij de Belastingdienst voordat de werkzaamheden aanvangen. Pas na bevestiging kan de regeling daadwerkelijk worden toegepast. Deze meldplicht zorgt voor extra administratieve stappen, zowel voor werkgevers als voor de Belastingdienst.

Aanpassingen in de drempelvrijstelling

De drempelvrijstelling wordt verlengd en vanaf 2026 met € 300 verhoogd. De hoogte van de drempelvrijstelling wordt elke drie jaar geëvalueerd, voor het eerst in 2028. Uit het akkoord Gezond naar het pensioen uit oktober 2024 blijkt dat de regeling gericht is op werknemers met zwaar werk die niet gezond werkend de AOW-leeftijd kunnen halen. Sociale partners dienen de RVU af te bakenen.

De pseudo-eindheffing voor RVU-uitkeringen boven de drempelvrijstelling zal vanaf 2026 stapsgewijs worden verhoogd naar 57,7% in 2026, 64% in 2027 en 65% met ingang van 2028.

Opheffen fiscale knelpunten bij invaren pensioenen

Per 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen (‘Wtp’) van kracht. Pensioenfondsen, vakbonden en werkgevers hebben tot 1 januari 2028 om hun pensioenregeling aan te passen aan de nieuwe wetgeving. Dit betekent onder meer dat een pensioenregeling omgezet dient te worden naar een beschikbarepremieregeling.

Met de komst van de Wtp worden bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten omgezet (‘ingevaren’) naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit proces roept fiscale vragen op, omdat de overgang van het oude naar het nieuwe stelsel gevolgen kan hebben voor de fiscale behandeling van pensioenrechten. De overheid heeft de taak om fiscale knelpunten te voorkomen of op te lossen bij het invaren van pensioenen, zodat er geen onverwachte belastingaanslagen of fiscale complicaties ontstaan.

Conclusie

Het inrichten van een woning is een proces dat zowel juridische, financiële als fiscale aandacht vereist. De beschikbare regelingen zoals bijzondere bijstand voor inrichtingskosten zijn uitgebreid gestructureerd en onderbouwd door beleidsregels en wettelijke kaders. Deze regelingen zijn in het verleden van toepassing geweest tot 31 augustus 2023 en zijn bedoeld voor personen die zich in een bijzondere situatie bevinden.

De maximale bedragen voor inrichtingskosten zijn afhankelijk van het aantal personen in het huishouden en worden jaarlijks of periodiek aangepast. De draagkrachtberekening speelt een centrale rol bij het bepalen van de toegankelijkheid van deze regelingen. Bovendien is er aandacht voor het verlenen van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening, waarvan de terugbetaling afhankelijk is van het inkomensniveau van de aanvrager.

Toekomstige ontwikkelingen zoals het Deltaprogramma 2026 en aanpassingen in fiscale regelingen benadrukken het belang van een flexibele en aanpasbare aanpak bij het inrichten van woningen. Zowel juridische als fiscale kaders zullen een rol spelen bij het ontwikkelen van toekomstige regelingen die gericht zijn op klimaatbestendigheid, duurzame inrichting en financiële toegankelijkheid.

Bronnen

  1. Beleidsregels Bijzondere bijstand inzake inrichtingskosten en draagkrachtberekening
  2. Deltacommissaris: meer slagkracht nodig voor inrichting delta van de toekomst
  3. Prinsjesdag 2025: wijzigingen voor de loonheffingen

Related Posts