De fiscale behandeling van vermogensaandelen in de reserves van verenigingen van eigenaren (VvE) is in 2023 onderwerp van grondige juridische en fiscale discussies. Deze aandelen zijn in de praktijk een van de minder traditionele vermogenscategorieën die in de belastingaangifte in box 3 van het inkomstenbelastingplan vallen. In dit artikel wordt een gedetailleerde beschouwing gegeven over de juridische, fiscale en praktische aspecten van het aandeel in de reserves van VvE, met een specifieke focus op de aanslagen van 2023 en de daarop volgende rechtspraak.
Inleiding
In 2023 bleef het aandeel in de reserves van verenigingen van eigenaren (VvE) een belangrijk punt in de fiscale discussie. De vraag stond centraal of dit aandeel in de context van de inkomstenbelasting in box 3 als een banktegoed of als "overige bezittingen" moet worden aangemerkt. Deze kwestie heeft rechtelijke gevolgen, aangezien het rendement dat op het vermogen wordt gelegd voor de belastingaangifte afhankelijk is van de categorie waarin het vermogen wordt ingedeeld.
De juridische kaders zijn bepaald door de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), de Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet) en het kerstarrest van de Hoge Raad van 2022 (HR BNB 2022/27). Binnen deze kaders zijn verschillende fiscale richtsnoeren gegeven, die opnieuw in het licht zijn gebracht door recente rechtszaken.
De juridische context
1. Aandeel in de VvE-reserve en het kerstarrest
In het kerstarrest van de Hoge Raad van 2022 (HR BNB 2022/27) werd bepaald dat de belastingheffing in box 3, zoals die vanaf 2017 gold, in strijd was met het eigenaarsrecht (artikel 1 EP) in combinatie met het non-discriminatieverdrag (artikel 14 EVRM). Deze uitspraak had verregaande gevolgen voor de fiscale behandeling van vermogensaandelen in box 3, waaronder ook aandelen in VvE-reserves.
De Hoge Raad stelde dat het vereiste rechtsherstel voor deze schending ervan uitging dat het belastbare rendement niet langer vooraf vastgesteld moest worden door een wettelijk voorzien forfaitair rendement, maar dat het werkelijke rendement op het vermogen in aanmerking moest komen. Dit heeft geleid tot herzieningen in de manier waarop het rendement op VvE-reserves wordt berekend.
2. Forfaitair rendement versus werkelijk rendement
Het forfaitair rendement is een standaardrendement dat wettelijk vastgesteld is voor bepaalde vermogenscategorieën. Voor banktegoeden is dit rendement 0,12%, voor overige bezittingen is het 5,38%. De vraag die in rechtszaken centraal stond, was of aandelen in VvE-reserves onder de categorie "banktegoeden" of "overige bezittingen" moesten vallen.
De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 6 juni 2024 (nr. 23/00654) bepaald dat aandelen in VvE-reserves niet als banktegoeden zijn te beschouwen, maar als overige bezittingen. Hierdoor is het forfaitaire rendement van 5,38% toepasbaar op deze aandelen. Dit rendement is hoger dan het werkelijke rendement dat meestal behaald wordt op VvE-reserves, wat heeft geleid tot discussies over het vraagstuk van voldoende rechtsherstel.
3. Rechtsherstel en de Wet rechtsherstel box 3
De Wet rechtsherstel box 3 werd ingevoerd om de schending van het EVRM en het EP door de belastingheffing in box 3 te corrigeren. Het doel van deze wet was om de belastingaanslagen in lijn te brengen met het werkelijke rendement op vermogensaandelen in box 3. In de praktijk betekent dit dat de fiscale autoriteiten bij de belastingaanslag rekening moeten houden met het werkelijke rendement op vermogenscategorieën.
In de rechtspraak is echter gebleken dat het toepassen van het forfaitaire rendement van 5,38% op VvE-reserves mogelijk niet voldoende rechtsherstel biedt, omdat het werkelijke rendement vaak veel lager is. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 2024 dit punt beoordeeld en tot de conclusie gekomen dat het rechtsherstel in dit geval niet voldoet aan de eisen die voortvloeien uit het kerstarrest.
De praktijk van aanslagen en herzieningen
1. Aanslagen in 2018 en herzieningen in het kader van de Herstelwet
In 2018 viel het aandeel in de VvE-reserve onder de categorie "overige bezittingen" en werd het rendement daarop berekend met het forfaitaire percentage van 5,38%. Dit leidde voor bepaalde belastingplichtigen tot aanslagen die aanzienlijk hoger waren dan het werkelijke rendement op dit vermogen.
De Inspectie van de Belastingdienst heeft in het kader van de Herstelwet deze aanslagen herzien, waarbij het werkelijke rendement op het vermogen in aanmerking is genomen. In het geval van VvE-reserves is dit rendement in de praktijk vaak aanzienlijk lager dan 5,38%, wat heeft geleid tot aanslagverminderingen.
De vraag die in rechtszaken centraal stond, was of deze herzieningen voldoende rechtsherstel bieden in het kader van de kerstuitspraak van 2022. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 2024 bepaald dat het rechtsherstel in dit geval onvoldoende was, omdat het rendement op VvE-reserves als banktegoed had moeten worden aangemerkt.
2. Aanslagen in 2023 en de rol van het Besluit rechtsherstel box 3
In 2023 is het Besluit rechtsherstel box 3 van toepassing geweest op de belastingaanslagen van het aandeel in VvE-reserves. Dit besluit bepaalde dat het rendement op deze aandelen gelijk moest worden gesteld aan het rendement dat op banktegoeden wordt berekend, namelijk 0,12%.
Deze aanpak werd beoogd om een eerlijkere belastingaanslag te realiseren, gezien het feit dat VvE-reserves in de praktijk op bankrekeningen staan en daarom qua karakter vergelijkbaar zijn met banktegoeden. In de rechtspraak is echter gebleken dat deze aanpak niet in alle gevallen leidt tot voldoende rechtsherstel, wat heeft geleid tot juridische geschillen.
De rol van het Hoge Raad-arrest van 6 juni 2024
1. Juridische kader en toepassing
Het Hoge Raad-arrest van 6 juni 2024 (nr. 23/00654) is van belang voor de belastingaanslagen in 2023, omdat het bepaalt dat het aandeel in VvE-reserves niet als banktegoed, maar als overige bezitting moet worden aangemerkt. Hierdoor is het forfaitaire rendement van 5,38% toepasbaar, wat in de praktijk vaak leidt tot hogere aanslagen dan het werkelijke rendement.
Het arrest benadrukt tevens dat de VvE in beginsel verplicht is om haar reserves aan te houden op een bankrekening, zoals bepaald in artikel 5:126(3) van het Burgerlijk Wetboek. Deze wettelijke verplichting benadrukt de vergelijkbaarheid van VvE-reserves met banktegoeden, wat in de rechtspraak is geïnterpreteerd als een argument voor het toepassen van het rendement van 0,12%.
2. Gevolgen voor de praktijk
De uitspraak van de Hoge Raad heeft directe gevolgen voor de belastingaanslagen in 2023, omdat het bepaalt dat het aandeel in VvE-reserves onder de categorie "overige bezittingen" valt. Hierdoor is het forfaitaire rendement van 5,38% van toepassing, wat in de praktijk vaak leidt tot hogere aanslagen dan het werkelijke rendement.
Deze uitspraak heeft geleid tot juridische geschillen over het vraagstuk van voldoende rechtsherstel, omdat het rendement dat in de aanslag is gebruikt, hoger is dan het werkelijke rendement. De Hoge Raad heeft bepaald dat het rechtsherstel in dit geval onvoldoende was, omdat het rendement op VvE-reserves als banktegoed had moeten worden aangemerkt.
De kwestie van rechtsherstel
1. Kerstarrest en systemische schending
In het kerstarrest van 2022 (HR BNB 2022/27) is bepaald dat de belastingheffing in box 3 sinds 2017 in strijd is met het eigenaarsrecht (artikel 1 EP) in combinatie met het non-discriminatieverdrag (artikel 14 EVRM). Deze uitspraak betekent dat de belastingheffing niet langer kan worden gebaseerd op een forfaitaire berekening, maar dat het werkelijke rendement op het vermogen in aanmerking moet komen.
De uitspraak is systemisch van aard, wat betekent dat ze niet alleen van toepassing is op individuele aanslagen, maar ook op het algemene fiscale kader. Hierdoor is het vraagstuk van rechtsherstel van toepassing op alle belastingplichtigen die in 2018 of later een aanslag hebben ontvangen op hun aandeel in VvE-reserves.
2. Praktische uitwerking van rechtsherstel
De praktische uitwerking van rechtsherstel is bepaald door het Besluit rechtsherstel box 3 en de Wet rechtsherstel box 3. In het kader van deze wet is het rendement op VvE-reserves gelijkgesteld aan het rendement dat op banktegoeden wordt berekend, namelijk 0,12%.
Deze aanpak is bedoeld om een eerlijke belastingaanslag te realiseren, gezien het feit dat VvE-reserves in de praktijk op bankrekeningen staan en daarom qua karakter vergelijkbaar zijn met banktegoeden. In de rechtspraak is echter gebleken dat deze aanpak niet in alle gevallen leidt tot voldoende rechtsherstel, wat heeft geleid tot juridische geschillen.
De rol van de kamerstukken en moties
1. Moties en toezeggingen
De kamerstukken en moties van 2022-2023 geven aan dat er binnen de politiek en de wetgeving is gewerkt aan de vraagstukken rondom de belastingheffing op vermogensaandelen in box 3. De moties van Stoffer/Idsinga/Grinwis/Omtzigt en Eppink zijn gericht op een fijnmazigere benadering van de belastingaanslagen in box 3.
De motie van Stoffer/Idsinga/Grinwis/Omtzigt verzoekt om onderzoek naar de mogelijkheid van een forfaitaire vermogenssamenstelling, een tegenbewijsregeling en een realistisch rendementspercentage voor vermogensbestanddelen. De motie van Eppink verzoekt om een fijnmazigere berekening van het rendement op overige beleggingen.
De toezegging aan het lid Nijboer benadrukt de noodzaak om de fiscale behandeling van geld op spaarrekeningen van VvE's te onderzoeken. Deze toezegging benadrukt de vraag of deze geldmiddelen in de praktijk op dezelfde manier moeten worden behandeld als banktegoeden.
2. Evaluatie van onbelaste reiskostenvergoedingen
In de evaluatie van onbelaste reiskostenvergoedingen van juni 2023 worden aanvullende analyses gedaan over de fiscale behandeling van vermogensaandelen. Deze evaluatie benadrukt de noodzaak van een systemische aanpak van de belastingheffing op vermogensaandelen in box 3, met name in het licht van de kerstuitspraak van 2022.
De evaluatie wijst op de noodzaak om een duidelijkere scheiding te maken tussen vermogenscategorieën en om de belastingaanslagen te baseren op het werkelijke rendement op het vermogen. Deze aanpak is in lijn met de kerstuitspraak van 2022 en benadrukt de noodzaak van voldoende rechtsherstel.
Conclusie
Het aandeel in de reserves van verenigingen van eigenaren (VvE) is in 2023 onderwerp van grondige juridische en fiscale discussies. De vraag stond centraal of dit aandeel in de context van de inkomstenbelasting in box 3 als een banktegoed of als "overige bezittingen" moet worden aangemerkt. Deze kwestie heeft rechtelijke gevolgen, aangezien het rendement dat op het vermogen wordt gelegd voor de belastingaangifte afhankelijk is van de categorie waarin het vermogen wordt ingedeeld.
De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 6 juni 2024 bepaald dat het aandeel in VvE-reserves niet als banktegoed, maar als overige bezitting moet worden aangemerkt. Hierdoor is het forfaitaire rendement van 5,38% toepasbaar, wat in de praktijk vaak leidt tot hogere aanslagen dan het werkelijke rendement.
De kerstuitspraak van 2022 (HR BNB 2022/27) heeft geleid tot de noodzaak van voldoende rechtsherstel in de belastingaanslagen op vermogensaandelen in box 3. De uitspraak benadrukt de noodzaak om het werkelijke rendement op het vermogen in aanmerking te nemen, wat heeft geleid tot herzieningen in de praktijk van belastingaanslagen.
De moties en toezeggingen binnen de politiek benadrukken de noodzaak van een fijnmazigere berekening van het rendement op vermogensaandelen en een systemische aanpak van de belastingheffing in box 3. Deze aanpak is in lijn met de kerstuitspraak van 2022 en benadrukt de noodzaak van voldoende rechtsherstel.
In de praktijk blijft het aandeel in VvE-reserves een complex fiscaal onderwerp, dat vereist dat belastingplichtigen en fiscale autoriteiten nauwlettend rekening houden met de wettelijke kaders en rechtspraak. De uitspraak van de Hoge Raad van 2024 benadrukt de noodzaak van een eerlijke en transparante belastingaanslag, die in lijn is met het werkelijke rendement op het vermogen.