Voor investeerders in vastgoed in box 3 is de WOZ-waarde niet alleen van betekenis voor de gemeentelijke belastingen, maar ook voor de berekening van de vermogensrendementsheffing. De WOZ-waarde speelt een centrale rol in de bepaling van de fiscale waarde van onroerend goed in het kader van de inkomstenbelasting. In het huidige stelsel wordt een forfaitair rendement gebruikt op basis van deze waarde, terwijl het kabinet overweegt om dit stelsel vanaf 2028 te vervangen door een systeem dat uitgaat van het werkelijke rendement. Dit heeft gevolgen voor de manier waarop beleggers hun vermogen belast moeten betalen.
Deze artikelen worden uitgevoerd onder de voorwaarden van het huidige fiscale kader en de voorstellen voor de toekomstige regeling, met een focus op de peildatum van 1 januari van het voorgaande jaar. Hierbij is het belangrijk te weten dat investeringen in het pand of verbouwingen die tot waardestijging leiden, niet altijd worden meegenomen in de WOZ-waarde. Dit kan leiden tot fiscale aanslagen die niet volledig aansluiten bij de werkelijke situatie van het onroerend goed.
In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de rol van de WOZ-waarde in de bepaling van de vermogensrendementsheffing in box 3, de peildatumregeling, de mogelijkheid tot een werkelijke waarde-aanslag en de betekenis van de voorstellen uit het wetsvoorstel dat in 2025 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Ook komen de fiscale implicaties van verbouwingen en investeringen in beeld, evenals de rol van de leegwaarderatio en de toepassing van het 2015-arrest van de Hoge Raad.
De rol van de WOZ-waarde in box 3
De WOZ-waarde is jaarlijks vastgesteld door gemeenten op basis van 1 januari van het voorgaande jaar. Deze waarde vormt de basis voor diverse belastingen, zoals de onroerendezaakbelasting, en speelt een sleutelrol in de bepaling van de vermogensrendementsheffing in box 3. In het huidige stelsel wordt een fictief rendement van 4% uitgegaan van deze waarde. Hierover wordt een belasting van 36% geheven, ongeacht of het rendement in werkelijkheid hoger of lager is.
Dit forfaitaire rendement heeft tot gevolg dat beleggers in box 3 automatisch belasting betalen op basis van een standaardwaarde, zelfs als er geen daadwerkelijke opbrengsten zijn. Dit systeem wordt echter sinds geruime tijd onder vuur genomen. In 2025 is een wetsvoorstel ingediend, waarin voorzien is in een overgangsregeling met ingangsdatum 1 januari 2028. Vanaf dat moment zou de belasting op basis van het werkelijke rendement moeten worden berekend.
Peildatum 1 januari: een belangrijk fiscaal referentiepunt
Voor de bepaling van de fiscale waarde van vastgoed in box 3 geldt dat de peildatum van de WOZ-waarde altijd 1 januari van het voorgaande jaar is. Voor de aangifte inkomstenbelasting 2024, bijvoorbeeld, wordt uitgegaan van de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2023. Dit is van groot belang omdat het bepalend is voor de berekening van het forfaitaire of werkelijke rendement.
Voor de berekening van het werkelijke rendement wordt het verschil tussen de WOZ-waarde op 1 januari van het huidige jaar en de WOZ-waarde op 1 januari van het voorgaande jaar bepaald. Dit verschil geeft de waardeverandering van het onroerend goed weer, en is daarmee de basis voor de belastingaanslag.
Een belangrijk fiscaal aspect is dat investeringen of verbouwingen die tot een waardestijging leiden, vaak niet worden meegenomen in de WOZ-waarde. Dit heeft als gevolg dat beleggers belasting betalen op een waarde die niet volledig aansluit bij de werkelijke waarde van het pand. Dit is een van de redenen waarom het huidige systeem van een forfaitair rendement wordt aangevallen.
Werkelijk rendement: een alternatief voor forfaitaire heffing
Het wetsvoorstel dat in 2025 naar de Tweede Kamer is gestuurd, stelt voor dat vanaf 1 januari 2028 de vermogensrendementsheffing in box 3 wordt gebaseerd op het werkelijke rendement. Dit betekent dat beleggers belasting zullen betalen op de daadwerkelijke opbrengsten en waardeveranderingen van hun vastgoedbezit. Dit stelsel is vergelijkbaar met het huidige systeem voor box 1, waarbij belasting wordt betaald op het daadwerkelijke inkomen.
In het nieuwe stelsel zouden beleggers belasting betalen op: - Directe opbrengsten, zoals huurinkomsten en interest. - Waardeveranderingen, inclusief stijgingen of dalingen in de marktwaarde van het pand.
Voor vastgoed dat nog niet is verkocht, zoals een woning of niet-beursgenoteerde aandelen, zou belasting pas worden geheven bij verkoop. Dit verschilt van het huidige systeem, waarbij beleggers al vóór verkoop belasting betalen, ook al is er geen daadwerkelijk rendement.
Voor de bepaling van de fiscale waarde van het vastgoed in 2028 zou worden uitgegaan van de WOZ-waarde op 1 januari 2028, met eventuele correcties, zoals de leegwaarderatio voor huurbeschermde woningen.
De mogelijkheid tot een werkelijke waarde-aanslag
Hoewel het forfaitaire rendement het standaardstelsel is, is er sinds 2015 ook de mogelijkheid om een werkelijke waarde-aanslag te doen. Dit betekent dat beleggers kunnen aantonen dat de werkelijke waarde van het pand lager is dan de WOZ-waarde. In dat geval mag men uitgaan van de werkelijke waarde voor de berekening van de vermogensrendementsheffing.
Volgens het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1788) is een werkelijke waarde-aanslag toegestaan indien de werkelijke waarde van het pand ten minste 10% lager is dan de gecorrigeerde WOZ-waarde. Deze correctie houdt rekening met de leegwaarderatio voor huurbeschermde woningen.
Om een werkelijke waarde-aanslag aan te vragen, is het noodzakelijk om een taxatie uit te voeren door een onafhankelijke waarder. De taxatie dient uitgevoerd te worden op of dicht bij 1 januari van het voorgaande jaar. Bijvoorbeeld voor de aangifte inkomstenbelasting 2024 zou een taxatie uitgevoerd moeten worden op of rond 1 januari 2023.
Een belangrijk aspect is dat de taxatie moet worden uitgevoerd in de verhuurde staat, omdat de WOZ-waarde van een verhuurde woning is gebaseerd op de woning in een onverhuurde staat. Dit verschil kan leiden tot aanzienlijke verschillen tussen de WOZ-waarde en de werkelijke waarde, vooral bij woningen met huurbescherming.
Verbouwingen en investeringen in het kader van WOZ-waarde
Een van de problemen bij het huidige stelsel is dat verbouwingen of investeringen in het pand niet altijd worden meegenomen in de WOZ-waarde. Dit heeft als gevolg dat de waardestijging die ontstaat door investeringen niet in rekening wordt gebracht bij de berekening van het forfaitaire rendement. Dit kan leiden tot een situatie waarbij beleggers belasting betalen op een waarde die niet volledig aansluit bij de werkelijke waarde van het pand.
Voorbeeld: een belegger verbouwt een woning in 2023. Deze verbouwing leidt tot een waardestijging van het pand. In de WOZ-beschikking van 2024 wordt echter uitgegaan van de toestand van de woning op 1 januari 2024. Aangezien de verbouwing in 2023 is uitgevoerd, wordt de waardeverandering die deze verbouwing heeft teweeggebracht, niet meegenomen in de WOZ-waarde van 2024. Dit heeft als gevolg dat de belegger belasting betaalt op een waarde die niet volledig aansluit bij de werkelijke waarde van het pand.
Het wetboek WOZ bevat een regel die stelt dat de toestand van het pand op 1 januari van het jaar van de WOZ-beschikking als uitgangspunt dient. In het geval van verbouwingen die in het voorgaande jaar zijn uitgevoerd, wordt deze waarde teruggerekend naar de prijspeildatum van 1 januari van het voorgaande jaar. Dit betekent dat de waardeveranderingen die ontstaan door verbouwingen, niet direct meegenomen worden in de WOZ-waarde. Dit kan leiden tot fiscale complicaties, aangezien het verschil tussen de daadwerkelijke waarde en de WOZ-waarde niet duidelijk is.
De leegwaarderatio en haar invloed op box 3
Voor huurbeschermde woningen geldt een specifieke correctie, namelijk de leegwaarderatio. Deze ratio is een reductie op de WOZ-waarde, die rekening houdt met de feitelijke verhuurbaarheid van het pand. Voor deze woningen is het fiscaal mogelijk om een correctie aan te brengen op de WOZ-waarde.
De leegwaarderatio is een belangrijk instrument bij het bepalen van de fiscale waarde van een verhuurde woning in box 3. Aangezien de WOZ-waarde is gebaseerd op de woning in een onverhuurde staat, moet deze waarde worden gecorrigeerd met de leegwaarderatio om een waarde te verkrijgen die aansluit bij de werkelijke verhuurwaarde van het pand.
De leegwaarderatio is in de loop van de jaren aangepast, en heeft in 2023 een aanzienlijke invloed gehad op de fiscale belastingaanslagen in box 3. Voor beleggers die vermoeden dat de werkelijke waarde van hun pand ten minste 10% lager is dan de gecorrigeerde WOZ-waarde, is het fiscaal verstandig om een taxatie uit te voeren en een beroep te doen op het 2015-arrest van de Hoge Raad.
Fiscale aandachtspunten bij niet-woningen
Terwijl de WOZ-waarde voor woningen de standaard is, is dit niet het geval voor niet-woningen, zoals bedrijfspanden of kantoren. Voor deze soort vastgoed wordt uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer. Dit betekent dat beleggers in niet-woningen zelf verantwoordelijk zijn voor de bepaling van de fiscale waarde van hun pand.
Voor de bepaling van de waarde in het economisch verkeer is geen vaste methode vastgelegd. Dit maakt het voor beleggers lastiger om een betrouwbare waarde te bepalen. Het is daarom van belang dat beleggers een sluitende onderbouwing kunnen overleggen bij eventuele vragen van de Belastingdienst.
Mogelijke onderbouwmethoden zijn: - Taxatierapporten door onafhankelijke waarders. - De gekapitaliseerde jaarhuurmethode, waarbij de huurinkomsten worden gecapitaliseerd op basis van een marktrente. - De verkoopprijs van vergelijkbare panden, mits deze aansluiten bij de waarde in het economisch verkeer.
Het gebruik van deze methoden hangt af van de specifieke situatie van het pand en de marktwaarden. Het is belangrijk dat beleggers hierbij aansluiten bij de werkelijke waarde in het economisch verkeer, en niet alleen op basis van een schatting of vergelijking.
Toekomstige veranderingen in de box 3-regeling
Het wetsvoorstel dat in 2025 naar de Tweede Kamer is gestuurd, stelt voor dat vanaf 2028 de regeling in box 3 wordt aangepast naar een systeem dat uitgaat van het werkelijke rendement. Dit heeft als gevolg dat beleggers belasting zullen betalen op hun daadwerkelijke opbrengsten en waardeveranderingen, in plaats van op een standaardwaarde.
Deze verandering heeft gevolgen voor het fiscale kader van beleggers in box 3. Het betekent dat beleggers in de toekomst verplicht zullen zijn om hun vermogen nauwkeuriger te onderbouwen, en dat de Belastingdienst meer aandacht zal besteden aan de werkelijke waarde en opbrengsten van hun vastgoedbezit.
Voor beleggers die al rekening houden met de WOZ-waarde en eventuele correcties zoals de leegwaarderatio, is deze verandering geen grote verstorend effect. Het is echter belangrijk dat beleggers zich nu al op deze verandering voorbereiden, bijvoorbeeld door hun panden te laten taxeren en hun fiscale strategie bij te sturen.
Conclusie
De WOZ-waarde speelt een centrale rol in de bepaling van de vermogensrendementsheffing in box 3. In het huidige stelsel wordt uitgegaan van een forfaitair rendement van 4% op basis van de WOZ-waarde van 1 januari van het voorgaande jaar. Deze regeling leidt tot automatische belastingaanslagen, ook al is het daadwerkelijke rendement lager of zelfs nul. Dit systeem is sinds geruime tijd onder vuur genomen, en wordt in 2025 vervangen door een systeem dat uitgaat van het werkelijke rendement.
Voor beleggers is het belangrijk om rekening te houden met de peildatum van 1 januari van het voorgaande jaar, aangezien dit de basis vormt voor de berekening van het forfaitaire rendement. Ook is het belangrijk om aandacht te besteden aan eventuele verbouwingen of investeringen die tot een waardestijging leiden, aangezien deze niet altijd meegenomen worden in de WOZ-waarde.
Voor beleggers die vermoeden dat de werkelijke waarde van hun pand lager is dan de WOZ-waarde, is het fiscaal verstandig om een taxatie uit te voeren en een beroep te doen op het 2015-arrest van de Hoge Raad. Dit kan leiden tot een verlaging van de vermogensrendementsheffing en een lagere belastingaanslag.
De toekomstige regeling die in 2028 in werking zou kunnen treden, is gericht op het belasten van het werkelijke rendement van beleggingen. Dit betekent dat beleggers in de toekomst verplicht zullen zijn om hun vermogen nauwkeuriger te onderbouwen, en dat de Belastingdienst meer aandacht zal besteden aan de werkelijke waarde en opbrengsten van hun vastgoedbezit. Het is daarom aan te raden om zich nu al op deze verandering voor te bereiden, bijvoorbeeld door taxaties uit te voeren en fiscale strategieën aan te passen.
Bronnen
- WOZ-waarde in toekomstig stelsel box 3
- Laag-renderend vastgoed in box 3: is er een alternatief voor de tegenbewijsregeling?
- Waardering van beleggingsvastgoed in box 3
- Box 3 verandert in 2028: belasting op echt rendement
- Vastgoed en fiscus: WOZ-waarde en belastingen
- Hoge Raad gaat verder in op werkelijk rendement in box 3