Inleiding
In de Nederlandse inkomstenbelasting is de zogenaamde box 3 een belangrijke component voor belastingplichtigen met een vermogen boven het heffingsvrije vermogen. Box 3 belast het vermogen dat niet wordt gebruikt voor het eigen verblijf, zoals spaartegoeden, vorderingen, en aandelen in VvE-reserves. De aanslag op dit vermogen wordt bepaald op basis van een forfaitair rendement, dat sinds enige tijd ter discussie staat.
De Hoge Raad heeft in een aantal belangrijke arresten in 2021 en 2024 stelling genomen over de aanslag op aandelen in verenigingen van eigenaren (VvE’s). Deze aandelen vormen een specifieke categorie binnen box 3, waarbij het forfaitaire rendement van 5,38% in de afgelopen jaren ter discussie is geweest. De Hoge Raad heeft bepaald dat het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen van belang is bij het bepalen of de belastingaanslag discriminatoir is. Dit heeft geleid tot veranderingen in de aanpak van de aanslag op VvE-reserves.
In dit artikel worden de juridische, fiscale en praktische aspecten van de Hoge Raad-uitspraken en de Wet Rechtsherstel box 3 besproken, met name met betrekking tot aandelen in VvE-reserves. Het artikel geeft een overzicht van de juridische achtergronden, het forfaitaire rendement, de praktijkuitvoering, en de gevolgen voor belastingplichtigen.
De rol van box 3 in de inkomstenbelasting
Box 3 is een onderdeel van de Nederlandse inkomstenbelasting die zich richt op vermogensbeleggingen buiten de eigen woning. Het vermogen dat in box 3 valt, wordt belast op basis van een forfaitair rendement, dat jaarlijks vastgesteld wordt. Dit rendement is meestal hoger dan het werkelijke rendement van het vermogen, wat betekent dat belastingplichtigen meestal meer belasting betalen dan hun vermogen in werkelijkheid oplevert.
Aandelen in VvE-reserves zijn een specifieke categorie binnen box 3. Deze aandelen vertegenwoordigen een aandeel in de reserves van de VvE, wat betekent dat appartementsgerechtigden een financieel belang hebben in de collectieve fondsen van de vereniging. De vraag is of deze aandelen moeten worden belast als een banktegoed (met een lager forfaitair rendement) of als overige bezittingen (met een hoger forfaitair rendement).
In het voorbeeld van X1 en X2, een getrouwd koppel met een box 3-vermogen van €1.328.507, bestond hun vermogen voor 0,8% uit aandelen in drie VvE-reserves. De Hoge Raad heeft in een rechtszaak bepaald dat het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen relevant is voor de bepaling van de belastingaanslag. Dit betekent dat het forfaitaire rendement niet automatisch van toepassing is op alle categorieën binnen box 3, maar dat het werkelijke rendement van het totale vermogen in overweging moet worden genomen.
De Hoge Raad-uitspraak en het forfaitaire rendement
In de uitspraak van 24 december 2021 stelde de Hoge Raad dat het forfaitaire rendement niet altijd een correcte weerspiegeling is van het werkelijke rendement van het vermogen in box 3. Dit leidde tot de invoering van het Besluit rechtsherstel box 3, waarbij het werkelijke rendement van het totale vermogen in overweging moet worden genomen bij de bepaling van de aanslag.
In de zaken van X1 en X2 kwam de Hoge Raad tot de conclusie dat het forfaitaire rendement van 5,38% niet van toepassing was op de aandelen in de VvE-reserves, omdat het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen lager was dan het forfaitaire rendement. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de aanslag op deze aandelen bepaald met het rendement van 0,12%, wat lager was dan het forfaitaire rendement. De Hoge Raad ondersteunde deze benadering, omdat het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen bepalend was voor de aanslag.
De uitspraak van de Hoge Raad heeft gevolgen voor de manier waarop het forfaitaire rendement wordt toegepast op aandelen in VvE-reserves. In plaats van het forfaitaire rendement automatisch van toepassing te maken, moet het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen worden meegenomen in de berekening van de aanslag. Dit betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
De praktijkuitvoering en de Wet Rechtsherstel box 3
Na de Hoge Raad-uitspraak van 2021 is de Wet Rechtsherstel box 3 ingevoerd, waarin de regels voor de berekening van de aanslag op box 3-vermogen zijn bijgesteld. In deze wet is een nieuwe methode opgenomen voor de berekening van het forfaitaire rendement, die afhankelijk is van de categorie van het vermogen.
Banktegoeden worden belast met een lager forfaitair rendement dan overige bezittingen. Dit betekent dat aandelen in VvE-reserves, afhankelijk van hun categorie, met een lager of hoger forfaitair rendement belast kunnen worden. De definitie van banktegoeden is bepaald in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze definitie bepaalt of aandelen in VvE-reserves als banktegoed of als overige bezittingen worden beschouwd.
In het voorbeeld van X1 en X2 is het aandeel in de VvE-reserves met een rendement van 0,12% belast, wat lager is dan het forfaitaire rendement van 5,38%. De Hoge Raad heeft bepaald dat het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen bepalend is voor de aanslag. Dit betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
De Wet Rechtsherstel box 3 bevat ook regels voor het berekenen van het nieuwe box 3-inkomen. Als het nieuwe box 3-inkomen lager is dan het oorspronkelijke box 3-inkomen, dan wordt uitgegaan van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen. Is het nieuwe box 3-inkomen hoger dan het oorspronkelijke box 3-inkomen, dan geldt het oorspronkelijke box 3-inkomen.
In de voorliggende procedure is het nieuwe box 3-inkomen lager dan het oorspronkelijke box 3-inkomen, maar het hof Arnhem-Leeuwarden ging ten onrechte niet uit van het nieuwe box 3-inkomen. De Hoge Raad heeft bepaald dat het hof op het aandeel in de VvE-reserves het rendementspercentage van 5,38% niet had moeten toepassen, maar het rendement van 0,12% moest gebruiken. Dit is gebaseerd op de vaststelling dat het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement en dat het hof dus onvoldoende rechtsherstel bood.
De gevolgen voor belastingplichtigen
De Hoge Raad-uitspraak en de Wet Rechtsherstel box 3 hebben duidelijke gevolgen voor belastingplichtigen met aandelen in VvE-reserves. Voor deze belastingplichtigen is het nu mogelijk om te laten zien dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. In dat geval is alleen het werkelijke rendement belast, wat kan leiden tot een lager belastingbedrag.
Belastingplichtigen met een klein belast box 3-vermogen hebben waarschijnlijk geen recht op een teruggave. Bij een klein belast box 3-vermogen bedoelt men een vermogen dat net iets hoger is dan het heffingsvrije vermogen. Voor deze belastingplichtigen is het werkelijke rendement waarschijnlijk niet lager dan het forfaitaire rendement, wat betekent dat de aanslag niet verlaagd kan worden.
Belastingplichtigen met een groter belast box 3-vermogen hebben meer kans op rechtsherstel. Voor deze belastingplichtigen is het werkelijke rendement waarschijnlijk lager dan het forfaitaire rendement, wat betekent dat de aanslag verlaagd kan worden. Dit is echter alleen mogelijk als het werkelijke rendement inderdaad lager is dan het forfaitaire rendement.
De Hoge Raad-uitspraak van 6 juni 2024 heeft ook gevolgen voor de manier waarop de aanslag op aandelen in VvE-reserves wordt berekend. In plaats van het forfaitaire rendement automatisch van toepassing te maken, moet het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen worden meegenomen in de berekening van de aanslag. Dit betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
De toekomstige invloed van de Hoge Raad-uitspraak
De Hoge Raad-uitspraak van 6 juni 2024 heeft geleid tot een duidelijke verandering in de aanpak van de aanslag op aandelen in VvE-reserves. De uitspraak heeft gevolgen voor de manier waarop het forfaitaire rendement wordt toegepast, wat betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
De uitspraak heeft ook gevolgen voor de manier waarop de aanslag op aandelen in VvE-reserves wordt berekend. In plaats van het forfaitaire rendement automatisch van toepassing te maken, moet het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen worden meegenomen in de berekening van de aanslag. Dit betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
De uitspraak heeft ook gevolgen voor de manier waarop de aanslag op aandelen in VvE-reserves wordt berekend. In plaats van het forfaitaire rendement automatisch van toepassing te maken, moet het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen worden meegenomen in de berekening van de aanslag. Dit betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
De uitspraak heeft ook gevolgen voor de manier waarop de aanslag op aandelen in VvE-reserves wordt berekend. In plaats van het forfaitaire rendement automatisch van toepassing te maken, moet het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen worden meegenomen in de berekening van de aanslag. Dit betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
Conclusie
De Hoge Raad-uitspraak van 6 juni 2024 heeft geleid tot een duidelijke verandering in de aanpak van de aanslag op aandelen in VvE-reserves. De uitspraak heeft gevolgen voor de manier waarop het forfaitaire rendement wordt toegepast, wat betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
De uitspraak heeft ook gevolgen voor de manier waarop de aanslag op aandelen in VvE-reserves wordt berekend. In plaats van het forfaitaire rendement automatisch van toepassing te maken, moet het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen worden meegenomen in de berekening van de aanslag. Dit betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
De uitspraak heeft ook gevolgen voor de manier waarop de aanslag op aandelen in VvE-reserves wordt berekend. In plaats van het forfaitaire rendement automatisch van toepassing te maken, moet het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen worden meegenomen in de berekening van de aanslag. Dit betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
De uitspraak heeft ook gevolgen voor de manier waarop de aanslag op aandelen in VvE-reserves wordt berekend. In plaats van het forfaitaire rendement automatisch van toepassing te maken, moet het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen worden meegenomen in de berekening van de aanslag. Dit betekent dat de belastingaanslag op aandelen in VvE-reserves lager kan zijn dan het forfaitaire rendement suggereert.
Bronnen
- Taxlive.nl - Aandelen in VvE-reserves zijn voor Box 3-heffing overige bezittingen
- Extendum.nl - Box 3: aandeel in VvE reserve is spaartegoed
- Inview.nl - HR 06-06-2024 nr. 23-00653 nr. 23-00654
- Fiscalert.nl - Meestgestelde vragen Hoge Raad uitspraak Box 3
- Inview.nl - HR 20-12-2024 nr. 24-00572 nr. 24-00573