Inleiding
De energetische kwaliteit van de Nederlandse woningvoorraad is een centrale pijler in het huidige vastgoedbeleid, zowel voor de overheid als voor private investeerders. De beschikbaarheid van accurate data omtrent energielabels en verbruikscijfers is essentieel voor het inschatten van toekomstige kosten, het voldoen aan wettelijke verplichtingen en het bepalen van de marktwaarde van vastgoed. De analyse van de beschikbare gegevens, afkomstig van autoriteiten zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), biedt een gedetailleerd inzicht in de samenstelling van de woningvoorraad en het werkelijke energieverbruik.
Deze analyse richt zich op de status van energielabels per eind 2024 en de daadwerkelijke energieleveringen en -verbruiken, inclusief de significantie van zonnestroominstallaties. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen theoretische labelprestaties en de operationele werkelijkheid, welke wordt beïnvloed door factoren als stookgedrag en installaties.
Energielabels: De Stand van Zaken per 2024
Het energielabel voor woningen, ingevoerd sinds 2007, fungeert als een standaardindicatie voor de energieprestatie. Per 31 december 2024 waren ruim 5 miljoen van de bijna 8,3 miljoen woningen in Nederland voorzien van een geldig energielabel. Dit vertegenwoordigt 61% van de totale woningvoorraad. De geldigheidsduur van een dergelijk label bedraagt tien jaar.
De ontwikkeling van de energiezuinigheid over de afgelopen jaren is significant. Waar eind 2010 nog slechts 16% van de gelabelde woningen een energiezuinig label (A of B) had, bedroeg dit aandeel eind 2024 ruim 51%. Concreet betekent dit dat per eind 2024 bijna 35% van de geregistreerde labels behoort tot de klasse A of hoger, terwijl 16% een B-label heeft. Samen vormen de energiezuinige woningen (label A en B) dus meer dan de helft van de gelabelde voorraad. Het aandeel van de energie-onzuinige labels E, F en G liep in dezelfde periode terug van 25% in 2010 naar minder dan 14% in 2024.
Juridische en Marktdynamische Factoren
De toename in het aantal gelabelde woningen is deels gedreven door beleid. Sinds 2015 is het aantal verstrekte labels gestegen, wat samenhangt met een vereenvoudiging van de aanvraagprocedure en een verlaging van de kosten. Cruciaal hierbij waren de sancties die van kracht werden bij het ontbreken van een label bij verkoop of verhuur.
Een specifieke marktimpuls vond plaats in 2020. In dat jaar zijn er uitzonderlijk veel labels verstrekt, omdat de methodiek per 1 januari 2021 werd gewijzigd, waardoor een labelopname aanzienlijk duurder werd. Dit creëerde een voorwaartse beweging om nog onder de oude, goedkopere regeling te vallen. Het is hierbij relevant om op te merken dat alle woningen in 2015 een voorlopig of indicatief label hebben gekregen, maar dit is niet rechtsgeldig bij verhuur of verkoop; enkel een formeel geldig label (verkregen via een opname) voldoet aan de wettelijke eisen.
Beleidskader: EPBD
Het beleid rondom energiecertificering is verankerd in de Europese richtlijn Energy Performance of Buildings Directive (EPBD, EU-richtlijn 2002/91/EG). Deze richtlijn verplicht Europese lidstaten om de energiecertificering van gebouwen te regelen, wat de uniformiteit en de juridische status van het Nederlandse label verklaart.
Theorie versus Praktijk
Een belangrijke kanttekening bij de theoretische prestaties van energielabels is het verschil tussen theorie en praktijk. Onderzoek (Majcen, 2016) heeft aangetoond dat er een aanzienlijk verschil zit tussen het theoretische energiegebruik (zoals vastgelegd in het label) en het daadwerkelijke verbruik. Dit verschil wordt onder andere veroorzaakt door verschillen in stookgedrag van de bewoners. Voor vastgoedbeleggers en woningcorporaties betekent dit dat de labelwaarde een indicatie is, maar dat het operationele resultaat afhankelijk is van het gebruik.
Analyse van het Daadwerkelijke Energieverbruik
Naast de theoretische labelwaarden biedt de data van het CBS inzicht in de feitelijke energieleveringen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de totale woningvoorraad en specifieke subgroepen, zoals woningen met individuele gas- of blokverwarming. Ook wordt er specifiek gekeken naar woningen met en zonder zonnestroominstallatie.
Netto Elektriciteitslevering en Zonnestroom
Een cruciale variabele in de moderne energiemarkt is de netto elektriciteitslevering. De netto elektriciteitslevering wordt gedefinieerd als de elektriciteitslevering gesaldeerd met de eventuele teruglevering op de elektriciteitsaansluiting door opwekking met (voornamelijk) zonnepanelen. Indien het saldo van levering en teruglevering negatief is, wordt een minimale netto-elektriciteitslevering van 0 kWh aangehouden.
De data laat zien dat het aandeel woningen met een zonnestroominstallatie een directe impact heeft op de gemiddelde elektriciteitslevering. Een hoger aandeel woningen met zonnestroom leidt, ceteris paribus, tot een lagere gemiddelde elektriciteitslevering, aangezien de zelf opgewekte elektriciteit direct wordt gebruikt. Dit is van belang voor de inschatting van de netbelasting en de energetische onafhankelijkheid van woningen.
Verbruikpercentielen
Om een gedifferentieerd beeld te krijgen van het energieverbruik, maakt de data gebruik van percentielen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het verbruik per woning en het verbruik per bewoner.
Elektriciteitsverbruik per bewoner: De data onderscheidt de volgende percentielen voor het jaarverbruik voor elektriciteit per bewoner: - Percentiel 10: De 10% woningen met het laagste elektriciteitsverbruik (per bewoner). - Percentiel 20 t/m 90: De jaarverbruiken in respectievelijk het tweede tot en met negende deciel. - Percentiel 90: De hoogste 10% elektriciteitsverbruikers (per bewoner).
Hierbij geldt dat Percentiel 50 overeenkomt met de mediane waarneming. Dit betekent dat de helft van de woningen (met bepaalde kenmerken) meer verbruikt, en de andere helft minder.
Netto elektriciteitslevering: Voor de netto elektriciteitslevering worden eveneens percentielen gehanteerd: - Netto elektriciteitslevering, percentiel 10 t/m 40. - Netto elektriciteitslevering, percentiel 50 (mediaan). - Netto elektriciteitslevering, percentiel 60 t/m 90.
Deze gedetailleerde verdeling stelt experts in staat om specifieke doelgroepen te analyseren, variërend van energie-arme huishoudens tot zeer intensieve gebruikers.
Hoofdverwarmingstype
De analyse van het energieverbruik wordt verder genuanceerd door te kijken naar het hoofdverwarmingstype. De beschikbare cijfers zijn beschikbaar voor de totale woningvoorraad, maar ook specifiek voor woningen die als hoofdverwarmingstype 'individuele gas of blokverwarming' hebben. Dit onderscheid is relevant omdat de energietransitie zorgt voor een verschuiving van gas naar elektriciteit (via warmtepompen) en stadsverwarming. De data van het CBS maakt het mogelijk om de impact van deze verschuivingen op de netto energielevering te monitoren.
Conclusie
De analyse van de beschikbare gegevens rondom energielabels en verbruikscijfers in Nederland toont een duidelijke trend richting een energiezuinigere woningvoorraad per eind 2024. Met ruim 51% van de gelabelde woningen die voldoet aan label A of B, en een significante daling van de energie-onzuinige labels E, F en G, is de theoretische kwaliteit van de voorraad verbeterd. Deze ontwikkeling is juridisch ondersteund door de EPBD-richtlijn en marktgedreven door sancties en wijzigingen in de labelmethodiek, zoals die in 2020.
Tegelijkertijd benadrukt de data het belang van een onderscheid tussen theoretische labels en daadwerkelijk verbruik. Factoren zoals stookgedrag en de aanwezigheid van zonnestroominstallaties beïnvloeden de netto elektriciteitslevering aanzienlijk. De gedetailleerde percentieldata (van percentiel 10 tot 90) biedt hierbij een fijnmazig inzicht in de variatie in energiegebruik, zowel per woning als per bewoner.
Voor professionals in de vastgoedsector betekent dit dat bij de waardering en exploitatie van woningen rekening moet worden gehouden met zowel de formele energielabelstatus als de operationele energieprestaties, welke afhankelijk zijn van het specifieke verbruik en de aanwezige installaties.