VVE-regeling Amsterdam: Subsidies voor voor- en vroegschoolse educatie

Inleiding

De regeling voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE) in Amsterdam is een juridisch verankerd instrument om onderwijsachterstanden bij jonge kinderen te voorkomen of, waar nodig, te bestrijden. Deze subsidieruimte richt zich op kinderen van 2,5 tot 6 jaar en heeft als doel om een kwalitatief hoogwaardig educatief aanbod te realiseren binnen peuterspeelzalen, kindercentra en de groepen 1 en 2 van het basisonderwijs. Deze subsidieruimte is vastgelegd in een regeling die is geldend geweest van 1 augustus 2015 tot 30 juni 2016, en is vervallen op 1 juli 2016. Hoewel de regeling historisch is, is het belangrijk om de inhoud en de structuren van de regeling te begrijpen, aangezien deze de basis vormt voor huidige en toekomstige beleidsuitvoering in het domein van voor- en vroegschoolse educatie.

In dit artikel worden de hoofdpunten van de Amsterdamse subsidieruimte voor VVE beschreven, met een specifieke aandacht voor de rol van HBO’ers, de vereisten voor het aanvragen van subsidies, en de verplichtingen die daarmee gepaard gingen. De nadruk ligt op de wettelijke kaders, de organisatorische verplichtingen, en de financiële bepalingen. Dit artikel is bedoeld voor professionals in het onderwijs, zorgverleners, en beleidsmakers die zich willen inlezen in de structuur van VVE-beleid in een stadscontext.

VVE: Doelgroep en doelen

De voor- en vroegschoolse educatie (VVE) richt zich op kinderen van 2,5 tot 4 jaar en kleuters tot 6 jaar die risico lopen op taalachterstand of andere ontwikkelingsachterstanden. De Wet op het Primair Onderwijs (Wpo) verplicht de gemeente om een dekkend aanbod van VVE te garanderen voor deze doelgroep. De doelgroepkinderen zijn gedefinieerd als kinderen die door een jeugdarts, jeugdverpleegkundige of opvoedadviseur zijn aangewezen als in risicogroep voor (taal)achterstand.

De Amsterdamse VVE-regeling streeft ernaar om deze educatieve voorzieningen niet alleen beschikbaar te maken, maar ook kwalitatief goed en bereikbaar te houden. De regeling bevat wettelijke verplichtingen voor de gemeente om zowel de fysieke voorzieningen als de kwaliteit van de pedagogische en didactische inzet te waarborgen. Hierbij is sprake van een zogenaamde inspanningsverplichting: de gemeente moet ervoor zorgen dat alle kinderen uit de doelgroep aan VVE kunnen deelnemen.

De subsidies zijn georiënteerd op het ondersteunen van deze educatieve inzet. De regeling biedt financiering voor de inzet van HBO’ers, coaching voor pedagogisch personeel, en voor het uitvoeren van VVE-thuisprogramma's. Het is een complexe subsidieruimte, waarin juridische, pedagogische en organisatorische elementen nauw met elkaar verbonden zijn.

De rol van HBO’ers in de VVE-regeling

De inzet van HBO’ers op groepen en als coach voor pedagogisch medewerkers is een belangrijk onderdeel van de Amsterdamse subsidieruimte. HBO’ers worden ondersteund via een subsidiesubsidiebedrag dat afhankelijk is van het aantal uren dat ze actief betrokken zijn bij het educatieve werk. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft vastgelegd dat voor een HBO’er die als pedagogisch medewerker op een groep werkt, maximaal € 4.249,- per groep wordt uitgekeerd, op basis van 680 directe uren per jaar. Voor HBO’ers die als coach fungeren, is het maximaal subsidiebedrag € 6.574,- per groep, op basis van 160 directe uren per jaar.

De inzet van HBO’ers is onderworpen aan een aantal voorwaarden. Zo moet de HBO’er reeds in het bezit zijn van een relevante HBO-opleiding op pedagogisch en didactisch gebied of het ‘Programma Erkenning Verworven Competenties’ (EVC) succesvol hebben doorlopen. Daarnaast moet hij of zij een scholing in één van de erkende VVE-programma’s hebben afgerond of deze binnen drie maanden doen. Bovendien is het afronden van de gemeentelijke VVE-module voor HBO’ers op de groep verplicht. Deze module is bedoeld om de kwaliteit van de inzet te waarborgen.

De HBO’er is geacht een bijdrage te leveren aan opbrengstgericht werken en de verhoging van de kwaliteit op de werkvloer. Daarom is het voor de aanvrager verplicht om, na afronding van de bestedingsperiode, een rapportage in te dienen over de inzet van HBO’ers. Deze rapportage moet een beschrijving bevatten van de wijze waarop de HBO’ers hebben bijgedragen aan het werk en de kwaliteit van het educatieve aanbod.

Subsidieaanvraag en verplichtingen

De aanvraagproces voor subsidies onder de VVE-regeling was strikt georganiseerd. Subsidie kon uitsluitend worden aangevraagd door houders van peuterspeelzalen of kindercentra die geregistreerd stonden in het Landelijk Register Kinderdagverblijven en Peuterspeelzalen (LRKP). Bovendien waren enkel houders die in 2014 en 2015 subsidies hadden ontvangen in aanmerking voor subsidies voor peuterspeelzaalwerk, voorschoolse educatie, en VVE-thuisprogramma’s.

De aanvraag had te maken met de voorbereiding van een gedetailleerde subsidieaanvraag. Deze bevatte onder andere een begroting van de inzet van HBO’ers, een plan met duidelijke activiteiten en resultaten, en een motivatie voor de gekozen variant van inzet. De aanvrager moest ook aantonen dat de in te zetten medewerker aan alle opleidingseisen voldoet, zoals het afronden van een erkend VVE-programma en de gemeentelijke module.

De subsidiesubsidieaanvraag moest voor 1 oktober van het jaar worden ingediend waarvoor de subsidie werd aangevraagd. De beslissing van het college moest voor 1 januari van het kalenderjaar zijn genomen. De aanvragen die niet aan de eisen voldeden, zoals het uitvoeren van een VVE-thuisprogramma buiten Nederland of het niet opnemen in de Nationale Jeugdinterventies (NJI) databank, werden geweigerd.

Subsidieverplichtingen

Onderdeel van het subsidiebeleid was het stellen van verplichtingen aan de aanvragende partij. Deze verplichtingen zijn bedoeld om de kwaliteit van de inzet van HBO’ers en het VVE-thuisprogramma te waarborgen. De aanvrager moest bijvoorbeeld een eindrapportage indienen waarin de resultaten van het VVE-thuisprogramma werden afgezet tegen de gestelde doelen. Deze rapportage moest onder andere aangeven hoeveel ouders bereikt waren en hoe de activiteiten uitgevoerd zijn. Bovendien moesten de sterke en zwakke punten van de uitvoering worden genoemd, evenals de resultaten van eventuele effectmetingen.

De eindrapportage moest ook een financiële paragraaf bevatten, waarin de werkelijke inkomsten en uitgaven werden opgenomen. De kosten moesten worden uitgesplitst in structurele en incidentele kosten. Indien het VVE-thuisprogramma ook op de vroegschool was uitgevoerd, moest een splitsing gemaakt worden tussen de kosten voor de voor- en vroegschool.

Voor de inzet van HBO’ers gingen extra verplichtingen gelden. Zo moest de aanvrager aantonen dat de HBO’er aan alle opleidingseisen voldoet. Deze verplichtingen zijn onder meer vastgelegd in de controleverklaring door de accountant of in een aparte aanlevering van bewijzen. Indien deze bewijzen niet werden aangeleverd of niet binnen de gestelde termijn, kon het college de subsidie in trekken of de uitkering beperken.

De inzet van HBO’ers in detail

De inzet van HBO’ers op de groep of als coach voor pedagogisch medewerkers is een centraal thema in de Amsterdamse VVE-regeling. HBO’ers zijn als een extra competentie in het pedagogische team geïntegreerd, met de taak om kwalitatief hoogwaardig educatief werk te leveren. De HBO’er is een beroepskracht met een HBO-diploma of die het ‘Programma Erkenning Verworven Competenties’ (EVC) succesvol heeft doorlopen. Deze opleidingen zijn van essentieel belang om de kwaliteit van de inzet te waarborgen.

De HBO’er mag in twee varianten worden ingezet: als pedagogisch medewerker op de groep of als coach van de pedagogisch medewerkers. In beide gevallen moet hij of zij aan strikte eisen voldoen. Zo moet hij of zij in de eerste weken van de inzet reeds in het bezit zijn van een relevante HBO-opleiding of het EVC-programma hebben doorlopen. Daarnaast moet hij of zij een scholing in één van de vier erkende VVE-programma’s afgerond hebben of deze binnen drie maanden doen. Bovendien is het afronden van de gemeentelijke VVE-module voor HBO’ers op de groep verplicht.

De inzet van HBO’ers is onderworpen aan een aantal tijdslimieten. De gesubsidieerde activiteiten moeten worden uitgevoerd tussen 1 januari en 31 december van het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Dit betekent dat de inzet van HBO’ers strikt gekoppeld is aan het kalenderjaar en dat de subsidie niet kan worden verlengd of verplaatst naar een ander jaar.

Verantwoording en rapportage

De verantwoording en rapportage zijn belangrijke onderdelen van de VVE-regeling. De aanvrager is verplicht om na afloop van de bestedingsperiode een gedetailleerde rapportage in te dienen. Deze rapportage bevat een beschrijving van de inzet van HBO’ers, de wijze waarop deze inzet heeft bijgedragen aan opbrengstgericht werken en de verhoging van kwaliteit op de werkvloer. De verantwoording moet worden ingediend op het daarvoor bestemde formulier.

De verantwoording moet tevens de eindrapportage van het VVE-thuisprogramma bevatten. Deze eindrapportage bevat een overzicht van de resultaten van het programma, afgezet tegen de gestelde doelen. Daarin moet worden aangegeven hoeveel ouders bereikt zijn, uitgesplitst naar ouders van doelgroepkinderen en ouders van niet-doelgroepkinderen. Bovendien moeten de sterke en zwakke punten van de uitvoering van het programma worden genoemd, evenals de resultaten van eventuele effectmetingen.

De eindrapportage moet ook een financiële paragraaf bevatten, waarin een overzicht van de werkelijke inkomsten en uitgaven wordt opgenomen. De kosten moeten worden uitgesplitst in structurele en incidentele kosten. Indien het VVE-thuisprogramma ook op de vroegschool is uitgevoerd, moet een splitsing gemaakt worden tussen de kosten voor de voor- en vroegschool.

De rol van de accountant en de controleverklaring

De rol van de accountant is van essentieel belang in de VVE-regeling. De aanvrager is verplicht om een controleverklaring door de accountant in te dienen. Deze controleverklaring moet de opleidingseisen voor de in te zetten medewerker meenemen. Indien een accountantsverklaring niet van toepassing is, moet de aanvrager de bewijzen voor de opleidingen van de in te zetten medewerker meenemen bij de verantwoording van de subsidie aan de gemeente Amsterdam.

De aanvrager is verplicht om na afloop van de bestedingsperiode een afschrift van het bewijs van scholing in te dienen of deze controle te verwerken in de controleverklaring. Indien de bewijzen niet of niet binnen de gestelde termijn worden overgelegd, kan dit gevolgen hebben voor de subsidieverstrekking. Het college kan gebruik maken van de bevoegdheid om de subsidie in te trekken.

De verantwoording van de aanvrager moet dus niet alleen de financiële aspecten van het subsidieproject bevatten, maar ook een gedetailleerde beschrijving van de inzet van HBO’ers en de uitvoering van het VVE-thuisprogramma. Dit betekent dat de aanvrager aandacht moet besteden aan zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve aspecten van het project.

De vervallen regeling en haar betekenis

De Amsterdamse VVE-regeling is vervallen op 1 juli 2016. Dit betekent dat de regeling sinds die datum niet meer van toepassing is. De regeling is geldend geweest van 1 augustus 2015 tot 30 juni 2016. De vervallen van de regeling is belangrijk om te vermelden, omdat het betekent dat de subsidiesubsidiemogelijkheden die erin zijn vastgelegd, sinds die datum niet meer beschikbaar zijn.

Toch is het belangrijk om de inhoud van de regeling te begrijpen, omdat deze de basis vormt voor huidige en toekomstige beleidsuitvoering in het domein van voor- en vroegschoolse educatie. De regeling bevat wettelijke verplichtingen, organisatorische verplichtingen en financiële bepalingen die ook in toekomstige beleidsplannen kunnen worden toegepast. Bovendien is de regeling een voorbeeld van hoe subsidieruimtes kunnen worden georganiseerd in een stadscontext.

Conclusie

De Amsterdamse subsidieruimte voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is een belangrijk instrument om onderwijsachterstanden bij jonge kinderen te voorkomen of, waar nodig, te bestrijden. De regeling bevat wettelijke verplichtingen voor de gemeente om een kwalitatief hoogwaardig educatief aanbod te garanderen voor kinderen van 2,5 tot 6 jaar. De subsidiesubsidiemogelijkheden zijn gericht op de inzet van HBO’ers, coaching voor pedagogisch medewerkers en het uitvoeren van VVE-thuisprogramma's. Deze subsidiesubsidiemogelijkheden zijn onderworpen aan een aantal voorwaarden, waaronder opleidingseisen en verplichtingen voor de aanvrager.

De aanvraagproces is strikt georganiseerd en vereist een gedetailleerde subsidieaanvraag. De aanvrager is verplicht om na afloop van de bestedingsperiode een verantwoording in te dienen, waarin de inzet van HBO’ers en de uitvoering van het VVE-thuisprogramma worden beschreven. De verantwoording moet tevens een eindrapportage bevatten, waarin de resultaten van het programma worden afgezet tegen de gestelde doelen. De rol van de accountant is van essentieel belang in deze verantwoording, omdat hij of zij de opleidingseisen moet meenemen of de bewijzen voor de opleidingen van de in te zetten medewerker moet meenemen.

De regeling is vervallen op 1 juli 2016, maar heeft als historisch document betekenis. Het bevat kaders die ook in toekomstige beleidsuitvoering van toepassing kunnen zijn. Het is daarom belangrijk om de inhoud van de regeling te begrijpen, omdat deze de basis vormt voor huidige en toekomstige beleidsuitvoering in het domein van voor- en vroegschoolse educatie.

Bronnen

  1. Subsidieregeling peuterspeelzaalwerk en voorschoolse educatie

Related Posts