De Nederlandse woningcorporaties staan aan de vooravond van een ongekende opgave. In het licht van de Nationale Prestatieafspraken (NPA) en de maatschappelijke druk om de gebouwde omgeving te verduurzamen, rust er een zware verantwoordelijkheid op deze instanties om hun woningvoorraad energiezuiniger te maken. De doelstelling is helder en onverbiddelijk: uiterlijk in 2028 moeten alle woningen met energielabels E, F en G uit de sector zijn verdwenen. Dit artikel analyseert, op basis van de meest recente data en onderzoeken, de huidige stand van zaken, de regionale diversiteit in opgaven en de strategische keuzes die corporaties moeten maken om deze ambitieuze deadline te halen. Hierbij worden juridische, technische en economische perspectieven geïntegreerd om een volledig beeld te schetsen van de huidige transitiestatus.
De Juridische en Maatschappelijke Context van Verduurzaming
De noodzaak tot verduurzaming is niet louter een technische of economische afweging; deze is wettelijk verankerd in de Nationale Prestatieafspraken. Deze afspraken, gesloten tussen het Rijk, gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties, vormen de ruggengraat van het huidige beleid. Een centrale pijler hierin is het voornemen om de verhuurderheffing te verlagen, mits corporaties voldoen aan strikte verduurzamingscriteria. De afspraak om energielabels E, F en G uiterlijk in 2028 te hebben uitgefaseerd, is hier een direct gevolg van.
De Autoriteit woningcorporaties (Aw) heeft in 2023 onderzoek gedaan naar de voortgang en risico’s van deze uitfasering. Het onderzoek werd uitgevoerd door risicogericht te spreken met negen corporaties, met als doel zicht te krijgen op de voortgang en eventuele belemmeringen. Uit dit onderzoek blijkt dat de sector zich bewust is van de urgentie. Alle onderzochte corporaties hebben scherp in beeld om welke woningen het gaat en hebben duidelijke plannen gemaakt. De verwachting is dat nagenoeg alle onderzochte corporaties de afspraak kunnen realiseren. Dit toont aan dat de sector voortvarend aan de slag is gegaan, ondanks de complexiteit van de opgave.
Een belangrijk juridisch kader hierbij is de uitzonderingsgrond die in de Nationale Prestatieafspraken is opgenomen. De verplichting tot uitfasering geldt niet voor alle woningen. Zo zijn gemeentelijke, provinciale en Rijksmonumenten (landelijk ongeveer 15.000 eenheden, oftewel 0,6% van het totale bezit) uitgezonderd. Ook woningen die zijn aangemerkt voor sloop, en Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) waar geen instemming van 70% van de huurders is verkregen, vallen buiten de verplichting. Deze juridische nuances zijn van cruciaal belang voor de planning en investeringsstrategie van corporaties, aangezien ze de totale omvang van de daadwerkelijke verduurzamingsopgave beïnvloeden.
Huidige Staat van de Energetische Prestaties
Om de voortgang te meten, wordt er binnen de sector intensief gebruikgemaakt van data-analyse. De Atriensis Energiemonitor 2025 biedt een gedetailleerd inzicht in de energieprestaties van woningcorporaties per 1 januari 2025. In dit onderzoek leverden 123 corporaties, met in totaal meer dan één miljoen woningen in bezit, gegevens aan. De monitor analyseert geregistreerde energielabels en weegt het gemiddelde bouwjaar van de corporatie mee in de beoordeling.
Uit de gegevens van de Atriensis Energiemonitor 2025 blijkt dat de gemiddelde corporatiewoning momenteel energielabel B heeft. Er is een stijging van ruim één procent waargenomen, wat erop wijst dat het gemiddelde energielabel van de corporatiewoningen langzaam maar zeker opschuift naar label A. Dit is een significant resultaat, gezien de enorme voorraad aan woningen die momenteel nog moet worden verduurzaamd.
Een concrete benchmark in deze transitie is de netto warmtevraag. De gewenste norm fungeert hierbij als een richtlijn voor hoe energiezuinig huizen zouden moeten zijn. De prestaties van individuele corporaties kunnen hier sterk op afwijken. Zo scoort Trudo, volgens de monitor, al beter dan het gemiddelde. In 2025 mocht Trudo de award voor de woningcorporatie met de beste gemiddelde netto warmtevraag in ontvangst nemen. De woningen van Trudo wijken nog maar 9% af van de gewenste norm, wat betekent dat het energieverbruik heel dicht in de buurt komt van de gestelde doelstelling. Dergelijke individuele successen tonen aan dat het streven naar een gemiddeld energielabel A voor de gehele sector haalbaar is, mits de juiste technieken en investeringen worden toegepast.
De Opgave: Uitfasering van E, F en G-labels
De kern van de huidige verduurzamingsopgave ligt in het wegwerken van de slechtste energielabels. Volgens gegevens uit 2021 had gemiddeld 11% van het corporatiebezit een E, F of G-label. Dit percentage vertegenwoordigt een aanzienlijke hoeveelheid woningen die dringend nodig zijn om te verduurzamen om de doelstelling van 2028 te halen. Nieuwere data van de Autoriteit woningcorporaties laat zien dat het aantal woningen met een laag energielabel in 2022 afnam met 28.617. Hiermee daalde de voorraad woningen met een E, F of G-label eind 2022 naar 206.302.
De Autoriteit woningcorporaties heeft op basis van de voornemens die corporaties eind 2023 hebben aangeleverd, een projectie gemaakt voor 2028. Hieruit volgt dat de voorraad woningen met een E, F of G-label moet dalen naar 51.726 in 2028. Dit impliceert een drastische reductie. Het is hierbij van belang op te merken dat het nog onbekend is in hoeverre deze laatste woningen onder uitzonderingsgronden vallen, zoals monumenten of woningen die voor sloop zijn aangemerkt.
De verdeling van deze opgave is echter zeer ongelijk. De beschikbare gegevens zijn hierover niet eenduidig wat betreft exacte aantallen per regio, maar de trends zijn duidelijk. Tussen corporaties en regio’s bestaan grote verschillen in de opgave voor EFG-labels. In absolute aantallen heeft Zuid-Holland het hoogste aantal woningen met een EFG-label. Echter, wanneer wordt gekeken naar de omvang van de provinciale corporatievoorraad, heeft Limburg de grootste opgave. Daarna volgen Zuid-Holland, Noord-Holland en Groningen. Deze regionale verschillen vereisen maatwerkoplossingen en kunnen van invloed zijn op de beschikbaarheid van regionale subsidies of de prioritering van investeringen.
Om inzicht te krijgen in de te zetten labelstappen, is het bouwjaar van het bezit een bepalende factor. Landelijk gezien is 47% van het bezit gebouwd na 1980. De provincie Flevoland heeft het jongste bezit; 77% van de woningen is gebouwd na 1980. Hierdoor ligt de benodigde aantal labelstappen in Flevoland erg laag, namelijk 1% van het totale bezit. Dit onderstreept de technische realiteit dat oudere woningen vaak meer ingrepen vereisen om aan moderne energienormen te voldoen dan nieuwere bouw.
Tabel: Projectie Energielabels Corporaties 2022 vs. 2028
De volgende tabel, gebaseerd op data van de Autoriteit woningcorporaties, illustreert de verschuiving in de energielabels die nodig is om de doelstellingen te bereiken. De cijfers laten de gewenste ontwikkeling zien van de huidige voorraad naar de gewenste situatie in 2028.
| Energielabel | Percentage 2022 | Percentage 2028 | Aantallen 2022 | Aantallen 2028 |
|---|---|---|---|---|
| A++++ t/m A+ | 5,5% | 21,1% | 115.042 | 467.310 |
| A | 28,3% | 33,6% | 596.458 | 743.639 |
| B | 19,9% | 19,6% | 418.679 | 434.429 |
| C | 25,7% | 17,6% | 540.435 | 389.183 |
| D | 9,7% | 5,4% | 204.948 | 118.513 |
| E | 5,2% | 1,2% | 108.407 | 27.498 |
| F | 2,5% | 0,6% | 52.907 | 12.951 |
| G | 2,1% | 0,5% | 44.988 | 11.277 |
| Totaal onbekend | 1,1% | 0,4% | 22.142 | 9.744 |
| Totaal | 100% | 100% | 2.104.006 | 2.214.544 |
Deze tabel toont een significante verschuiving naar hogere energielabels. Met name de toename van label A en hoger is opvallend, evenals de drastische reductie van de labels E, F en G. Het aandeel label B blijft min of meer stabiel, wat erop kan wijzen dat een deel van de woningen met label B mogelijk niet direct hoeft te worden verduurzaamd, afhankelijk van de specifieke doelstellingen.
Strategieën en Uitdagingen voor de Toekomst
De weg naar 2028 is nog lang en vol uitdagingen. Hoewel de plannen er zijn en de voortgang zichtbaar is, spelen er diverse factoren die de realisatie kunnen beïnvloeden. Een van de grootste uitdagingen is het ontbreken van volledige zekerheid over de exacte status van alle woningen. Zo is het, zoals eerder vermeld, niet bekend in hoeverre de laatste woningen met lage labels in 2028 onder uitzonderingsgronden vallen. Dit creëert een onzekerheidsmarge in de planning en budgettering.
Daarnaast is er de technische complexiteit van de verduurzaming zelf. Het verhogen van het energielabel van een woning is vaak meer dan alleen het aanbrengen van isolatie. Het kan betrekking hebben op de installatie van warmtepompen, het vernieuwen van het glas, of het aanpakken van de gehele bouwkundige schil. De kosten die hiermee gemoeid zijn, variëren sterk per woningtype en bouwjaar. Hoewel de bronnen geen specifieke financiële data per woning bevatten, is duidelijk dat de investeringen aanzienlijk zijn.
De Autoriteit woningcorporaties signaleert in haar onderzoek dat corporaties de opgave in beeld hebben en voortvarend aan de slag zijn. De focus ligt op het realiseren van de afspraak. De belangrijkste risico’s die hierbij worden geïdentificeerd, hebben vaak te maken met de snelheid van de uitvoering, de beschikbaarheid van materialen en vaklieden, en de acceptatie door huurders van de noodzakelijke ingrepen. Met name bij VvE’s is instemming van 70% van de huurders nodig, wat een extra organisatorische horde kan zijn.
Een andere factor is de rol van innovatie. De Atriensis Energiemonitor 2025 vermeldt dat er nieuw is gekeken naar de vergelijking tussen de aangeleverde data van de corporatie en gegevens in EP-online. Dit toont aan dat de betrouwbaarheid en uniformiteit van data cruciaal worden gevonden. Het is essentieel dat de systemen goed met elkaar kloppen om een eerlijk beeld van de voortgang te krijgen. De vraag is of de huidige systemen voldoende zijn ingericht om de complexiteit van de verduurzamingstransacties te monitoren.
Conclusie
De Nederlandse woningcorporaties staan er, volgens de meest recente data, relatief goed voor wat betreft de energetische prestaties van hun woningvoorraad. De gemiddelde woning heeft energielabel B en beweegt richting label A. Echter, de echte uitdaging ligt in de komende jaren, gericht op de uitfasering van de ongeveer 206.000 woningen met label E, F of G die eind 2022 nog in de voorraad zaten. De doelstelling om deze woningen uiterlijk in 2028 te hebben verduurzaamd of uitgefaseerd, is ambitieus maar, gezien de huidige voortvarendheid van de sector, haalbaar.
Regionale verschillen in bouwjaren en labelopgaven vereisen een gedifferentieerde aanpak. Terwijl Flevoland met zijn jonge voorraad een relatief lage opgave heeft, staan provincies als Limburg en Zuid-Holland voor een grotere uitdaging. De juridische uitzonderingsgronden voor monumenten en sloopwoningen bieden enige armslag, maar de druk op de sector blijft hoog.
Kortom, de transformatie van de corporatiesector naar een duurzame woningvoorraad is in volle gang. De data laat een duidelijke trend zien van verbetering, maar de weg naar een overwegend energiezuinige voorraad vergt een combinatie van technische innovatie, juridische discipline en forse investeringen. De komende jaren zullen moeten uitwijzen of de geplande labelstappen daadwerkelijk worden gerealiseerd en of de doelstelling van 2028 wordt gehaald.