Opbrengstgericht werken in VVE: Kaders, instrumenten en uitvoering in 2010

In de context van de voorschoolse educatie en het Vroegtijdige Voorschoolse Educatieve (VVE) beleid, werd in 2010 veel aandacht besteed aan het opbrengstgericht werken. Dit werktervorm is georiënteerd op het behalen van concrete leer- en ontwikkelingsdoelen van kinderen, en is een kernaspect in de professionalisering van de VVE-locaties. In dit artikel worden de kaders, instrumenten en uitvoering van opbrengstgericht werken in de VVE in 2010 besproken, met een nadruk op de rol van coaches, observatiesystemen, en het kwaliteitskader.

Kaders voor opbrengstgericht werken

Het kwaliteitskader VVE is een centraal instrument geweest voor de toetsing en verdere ontwikkeling van de kwaliteit in de VVE-locaties. In 2010 was het doel van dit kader om zowel wettelijke eisen als ambities op te stellen die leidden tot een hogere kwaliteit van de voor- en vroegschoolse educatie. Het kader legt een duidelijke grens tussen kwaliteitseisen, die wettelijk zijn geregeld, en kwaliteitsambities, die op lange termijn worden nagestreefd. Dit groeimodel maakt het mogelijk voor instellingen om stapsgewijs te verbeteren en aan hogere standaarden te voldoen.

Het kwaliteitskader is ontwikkeld in samenwerking met betrokken partijen en is gebaseerd op zowel landelijke wet- en regelgeving als recente wetenschappelijke inzichten. Daardoor is het kader goed aansluitend bij de lokale context, zoals die in 2010 gold in gemeenten zoals Gilze en Rijen. Binnen het kader worden per thema duidelijke eisen en ambities opgenomen, en wordt aangegeven hoe de wettelijke kaders uit het Kwaliteitskader van de Wet Kinderopvang verwerkt zijn in het lokale beleid.

Een belangrijk aspect van het kwaliteitskader is dat het als uitgangspunt dienst voor zowel de toetsings- en waarderingskaders van de gemeente als voor de zelfevaluaties van de instellingen. Hiermee wordt een consistente benadering van kwaliteitscontrole en ontwikkeling mogelijk. De kadering van eisen en ambities maakt het bovendien duidelijk waar instellingen zich op moeten richten om te voldoen aan de nationale kwaliteitsnormen.

Instrumenten voor opbrengstgericht werken

Het uitvoeren van opbrengstgericht werken vereist niet alleen duidelijke kaders, maar ook concrete instrumenten. In 2010 werden verschillende hulpmiddelen ontwikkeld en ingezet om de implementatie van het opbrengstgericht beleid te faciliteren. De Kijkwijzer VVE is hier een voorbeeld van. Dit instrument biedt handvatten voor de zelfevaluatie van instellingen en wordt ook gebruikt als toetsinstrument bij inspecties. Het bevat de VVE-indicatoren van de Inspectie van het Onderwijs en fungeert als een observatiemiddel om de stand van zaken in kaart te brengen.

Daarnaast speelt observatie en registratie een centrale rol in het opbrengstgericht werken. Deze activiteiten geven inzicht in de opbrengsten van kinderen en de effectiviteit van het VVE-programma. Door de vertaling van observatiegegevens van kindniveau naar groepsniveau wordt een duidelijk beeld verkregen van de inzet van het programma. Dit leidt tot meetbare ontwikkelopbrengsten, die op hun beurt weer kunnen dienen als grondslag voor verbeteringen in de werkwijze van instellingen.

Een ander belangrijk instrument is de rol van de hbo’er als VVE-coach. In 2010 was het doel om deze coaches beschikbaar te stellen voor groepen met veel geïndiceerde VVE-kinderen. Deze coaches hebben een gemiddelde beschikbaarheid van 100 uur per schooljaar en werken aan het bevorderen van planmatiger en zelfstandiger werken binnen de groepen. De coaching van pedagogisch medewerkers wordt gezien als een waardevolle randvoorwaarde voor kwaliteit. Verder is er in wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat de combinatie van coaching en Video Interactie Begeleiding (VIB) een extra positief effect heeft op de kwaliteit van de interactie tussen kinderen en medewerkers.

Uitvoering van opbrengstgericht werken

De uitvoering van opbrengstgericht werken in de VVE-locaties in 2010 hing sterk af van de samenwerking tussen verschillende partijen, zoals gemeenten, scholen en peuterspeelzalen. De professionalisering van het peuterspeelzaalwerk was een kernambitie in die periode. In de periode 2002–2006 was er al een grote kwaliteitsverhoging geconstateerd, en deze trend werd voortgezet. Programma’s zoals de Taallijn VVE en Piramide speelden hier een grote rol. Deze programma’s zijn officieel VVE-programma’s en werden breed ingezet op de peuterspeelzalen.

Een duidelijke indicator voor de succesvolle uitvoering van VVE-beleid in 2010 was dat 71% van de doelgroepkleuters op basisscholen in Gilze en Rijen een peuterspeelzaal had bezocht. Dit betekende dat de landelijke doelstelling van het VVE-beleid al aan het begin van de nieuwe beleidsperiode behaald was. Toch werd er benadrukt dat het niet de bedoeling was om hiermee op te houden. Het is van belang om op basis van deze goede ontwikkeling verder te bouwen en het beleid verder te professionaliseren.

Het aantal uren dat beschikbaar was voor VVE-coaches was een belangrijk aspect van de uitvoering. Voor groepen met veel geïndiceerde VVE-kinderen werd uitgegaan van een beschikbaarheid van 100 uur per schooljaar. Voor andere groepen kon het aantal uren door de instelling zelf worden bepaald. Deze uren werden ingezet in aanvulling op de rol van de pedagogisch beleidsmedewerker zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit kinderopvang.

Bij het opbrengstgericht werken ging het niet alleen om de aanwezigheid van coaches, maar ook om het uitvoeren van concrete observaties en registraties. Deze activiteiten leveren inzicht in de ontwikkeling van kinderen en geven bovendien input voor verbeteringen in de werkwijze van de instelling. Het structureren van observaties en registraties maakt het bovendien mogelijk om groepen, locaties of wijken met elkaar te vergelijken en zo opbrengsten te meten.

Voor kinderen met een VVE-indicatie werd 16 uur per week aangeboden, gesplitst in minimaal 3 dagdelen van 4 of 6 uur, verdeeld over minimaal 3 dagen in de week. Bij voorkeur werden 4 dagdelen van 4 uur, verdeeld over 4 dagen in de week, aangeboden. Ook voor kinderen zonder VVE-indicatie werd 16 uur per week aangeboden, maar ouders konden in overleg met de instelling andere keuzes maken, tot een minimum van 2 keer 4 uur. Van alle kinderen met een VVE-indicatie werd verwacht dat zij ook daadwerkelijk 16 uur per week aan het programma deelnemen in combinatie met een op VVE gericht programma voor ouders.

De rol van overleg en samenwerking

Overleg en samenwerking tussen scholen, gemeenten en instellingen waren essentieel voor het succesvol uitvoeren van het opbrengstgericht beleid in 2010. De gemeente hechtte veel waarde aan het voortzetten van het goede overleg dat in de afgelopen jaren was gevoerd met scholen en peuterspeelzalen. Bovendien wilde de gemeente nieuwe accenten leggen in het onderwijsachterstandenbeleid. De toewijzing van een deel van het voormalige GOA-budget aan het onderwijs bracht gemeenschappelijke taken met gescheiden verantwoordelijkheden voor gemeente en scholen teweeg. Dit gold met name voor het VVE-beleid en de doorlopende leerlijnen.

In de brief van de minister van Onderwijs uit juni 2006 werd benadrukt dat scholen een hogere vergoeding uit de gewichtenregeling zouden ontvangen, waarmee de kosten voor VVE op de eigen school betaald konden worden. Deze extra middelen waren voorheen naar de gemeente overgemaakt. Daarnaast moesten scholen bijdragen aan de doorlopende leerlijnen, wat constructief overleg met de gemeente vereiste.

Het overleg over de lokale educatieve agenda in Gilze en Rijen betekende een verdieping van de bestaande overlegvormen tussen gemeente en werkveld. Deze samenwerking is essentieel geweest om het opbrengstgericht werken effectief uit te voeren en het VVE-beleid verder te ontwikkelen.

De toekomst van opbrengstgericht werken

Ondanks de goede ontwikkelingen in 2010 was er nog ruimte voor verbetering. De gemeente stelde in 2010 verder ideeën op voor de toekomst, zoals het aanpassen en verbeteren van het observatieformulier en de overdracht van informatie. Daarnaast werd er benadrukt dat mondelinge overdracht waar nodig, en samenwerking bij het afstemmen van programma’s en thema’s, belangrijk waren voor de uitvoering van het VVE-beleid.

Een ander belangrijk aspect was de signalering van risicokinderen. Peuterspeelzalen hadden behoefte aan een instrument om deze kinderen eerder en beter te signaleren dan tot dusver was gebeurd. De gemeente ondersteunde initiatieven om ook op de peuterspeelzalen te werken met een zorgstructuur zoals die in het basisonderwijs al succesvol was ingezet. Dit betekent dat ook op de peuterspeelzalen een structuur ontwikkeld moest worden die gericht was op het verbeteren van de kansen voor kinderen met een risico op verstoorde schoolloopbanen.

In de komende jaren zou intensief gewerkt worden aan de verbetering van de kansen voor risicokinderen. Deze kinderen hebben kenmerken die voorspellen dat zij een risico lopen op een verstoorde schoolloopbaan. Het basisonderwijs had al een wegingsstelsel ontwikkeld, waarbij kinderen met hogere risico’s extra aandacht kregen. Dit model kon worden overgenomen en aangepast voor de VVE-locaties.

Conclusie

In 2010 was het opbrengstgericht werken in de VVE een kernaspect van het voorschoolse educatieve beleid. Door middel van kaders, instrumenten en samenwerking tussen verschillende partijen werd er gestreefd naar een hogere kwaliteit van de voor- en vroegschoolse educatie. Het kwaliteitskader VVE speelde een centrale rol in de toetsing en verdere ontwikkeling van het VVE-beleid, en instrumenten zoals de Kijkwijzer VVE, observatiesystemen en VVE-coaches maakten het uitvoeren van het opbrengstgericht werken mogelijk. De uitvoering van het beleid hing sterk af van de samenwerking tussen gemeenten, scholen en instellingen, en het overleg tussen deze partijen was essentieel voor het succes van het beleid.

De toekomstige ontwikkelingen in de VVE-locaties richtten zich op het verder professionaliseren van het werk en het verbeteren van de kansen voor risicokinderen. Door middel van structurele observatie, coaching en samenwerking kon het opbrengstgericht werken verder worden verankerd en effectiever worden uitgevoerd. Het doel was om een duurzame en effectieve voor- en vroegschoolse educatie te realiseren die gericht was op het behalen van concrete leer- en ontwikkelingsdoelen voor kinderen.

Bronnen

  1. GMB-2018-267742
  2. CVDR20498/1

Related Posts