Inleiding
Het aandeel van een huiseigenaar in een reservefonds van een vereniging van eigenaren (VVE) kan een belangrijke rol spelen in de belastingaangifte. Dit artikel onderzoekt de juridische betrekkingen en de praktijk van de fiscale behandeling van dergelijke aandelen in het kader van de belastingaangifte. De betreffende informatie is gebaseerd op een arrest van de Hoge Raad van Nederland, genomen op 6 juni 2024, in zaak 23/00654. Dit arrest biedt inzicht in de wettelijke toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 en de interpretatie van het aandeel in een VVE-reservefonds in het kader van de inkomstenbelasting.
Aandeel in Reservefonds en Belastingaangifte
Wettelijke Context
In het arrest van 6 juni 2024 wordt bepaald dat het aandeel in een reservefonds van een VVE niet als banktegoed wordt beschouwd. Dit is belangrijk voor de belastingaangifte, omdat banktegoeden anders worden behandeld in de belastingwetgeving dan andere vermogensbestanddelen.
De inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2018 omvatte onder meer een aandeel in de reservefondsen van meerdere VVEs. De waarde van dit aandeel bedroeg € 10.807. In de belastingaangifte wordt het rendement op dergelijke aandelen bepaald, wat invloed heeft op de belastbare inkomsten en het totale belastingbedrag.
Rendement en Belastingverantwoordelijkheid
Het belanghebbende in het arrest maakte bezwaar tegen de belastingaanslag, met name omdat het rendement dat voor het aandeel in de VVE-reserve was vastgesteld, mogelijk niet overeenkwam met het werkelijke rendement. De belanghebbende argumenteerde dat het forfaitair rendement van 5,38%, dat normaal gesproken voor overige bezittingen geldt, hoger was dan het werkelijk behaalde rendement, wat leidde tot een onvoldoende rechtsherstel volgens artikel 14 EVRM en artikel 1 EP.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had in een eerder stadium al bepaald dat het rendement voor dergelijke aandelen lager moest zijn, namelijk 0,12%, wat het rendement is voor banktegoeden. Dit was echter niet in lijn met de wettelijke toepassing van de Wet rechtsherstel box 3, die het aandeel in de VVE-reserve als overige bezitting behandelde.
De Hoge Raad beoordeelde deze kwestie en concludeerde dat het aandeel in de reservefondsen van een VVE niet als banktegoed kan worden beschouwd, omdat het onder de wettelijke regeling in 2018 geen banktegoed vormde. Hieruit volgt dat het rendement voor dergelijke aandelen in de belastingaangifte op basis van het wettelijke rendement voor overige bezittingen moet worden berekend.
Wettelijke Toepassing
De Wet rechtsherstel box 3 en het Beleidsbesluit rechtsherstel box 3 zijn ontworpen om onrechtvaardige belastingaanslagen te corrigeren. In dit kader is het belangrijk te begrijpen hoe de fiscale autoriteiten vermogensrechten binnen box 3 classificeren.
In het arrest wordt duidelijk dat de fiscale autoriteiten aandelen in VVE-reserves classificeren onder de categorie 'overige bezittingen'. Deze categorie omvat een breed spectrum van vermogensrechten en wordt wettelijk geregeld door het wettelijke rendement van 5,38%. Dit rendement is vooraf vastgesteld en wordt gebruikt voor de berekening van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Praktische Betekenis voor Belastingplichtigen
De praktische betekenis van het arrest ligt vooral in de bepaling van het rendement dat op aandelen in VVE-reserves moet worden berekend. Voor belastingplichtigen die aandelen in dergelijke fondsen bezitten, is het van belang te weten dat deze aandelen onder de categorie 'overige bezittingen' vallen en dat het wettelijk rendement van 5,38% wordt gebruikt voor de belastingaanslag.
Het arrest benadrukt ook dat het belanghebbende niet kon aantonen dat het rendement van 5,38% niet overeenkwam met het werkelijke rendement. Dit betekent dat belastingplichtigen die aandelen in VVE-reserves bezitten, deze aandelen moeten rapporteren onder de categorie 'overige bezittingen' in hun belastingaangifte.
Systemische Betracht
Het arrest maakt ook duidelijk dat de systemische betracht een rol speelt bij de bepaling van het wettelijke rendement. De regering heeft gekozen voor een meerjarig gemiddelde rendement voor de categorie 'overige bezittingen', omdat het rendement van deze vermogensrechten jaarlijks sterk kan variëren. Dit gemiddelde rendement is ontworpen om een eerlijke benadering te geven van het werkelijke rendement dat met deze vermogensrechten behaald wordt.
Daarnaast benadrukt het arrest dat het gebruik van een wettelijk rendement voor de categorie 'overige bezittingen' ervoor zorgt dat belastingplichtigen die in slechte beleggingsjaren verlies lijden, niet gediscrimineerd worden. Door gebruik te maken van een gemiddeld rendement over meerdere jaren, wordt voorkomen dat belastingplichtigen in slechte jaren hun belastingverplichting moeten betalen op basis van een laag rendement, terwijl ze in andere jaren wel een hoog rendement behaald hebben.
Conclusie
Het aandeel in een reservefonds van een VVE speelt een belangrijke rol in de belastingaangifte. Het arrest van de Hoge Raad van Nederland op 6 juni 2024 in zaak 23/00654 maakt duidelijk dat dergelijke aandelen niet als banktegoed kunnen worden beschouwd en dat het rendement daarop moet worden berekend op basis van het wettelijke rendement voor overige bezittingen. Dit heeft directe gevolgen voor de belastingaanslag en de belastbaar inkomsten uit sparen en beleggen.
Het arrest benadrukt ook de systemische betracht bij de bepaling van het wettelijk rendement en maakt duidelijk dat de regering heeft gekozen voor een meerjarig gemiddelde rendement om ervoor te zorgen dat belastingplichtigen eerlijk worden behandeld. Voor belastingplichtigen die aandelen in VVE-reserves bezitten, is het van belang om te weten dat deze aandelen onder de categorie 'overige bezittingen' vallen en dat het wettelijk rendement van 5,38% wordt gebruikt voor de belastingaanslag.