Aandeel in het vermogen van een VvE in de context van box 3 in 2018

Inleiding

In het kader van de fiscale belastingverantwoording voor het jaar 2018 is het aandeel in het vermogen van een Vereniging van Eigenaren (VvE), en met name in de reserves van deze VvE, voorwerp van grondige juridische en fiscale overwegingen. Dit artikel biedt een overzicht van de juridische context, fiscale gevolgen en rechterlijke uitspraken die van toepassing zijn geweest op het aandeel in de VvE-reserves van belastingplichtigen in het jaar 2018.

De beschikbare gegevens tonen aan dat het aandeel in de VvE-reserves van een persoon of huwelijkspaar in 2018, in een aantal gevallen, voor 0,8% tot 1% van hun totale vermogen uitmaakte. De Belastingdienst en daarna de rechterlijke instanties hebben zich hiermee beziggehouden in het kader van de berekening van de box 3 heffing, waarbij het kwestie was of dit aandeel als banktegoeden of als overige bezittingen moest worden belast. De uiteindelijke uitspraak van het Hoge Hof in het licht van het Kerstarrest heeft geleid tot een herwaardering van het rendement dat op dit vermogen was toe te passen.

Dit artikel biedt een gedetailleerde en geïntegreerde analyse van deze kwestie, waarbij aandacht wordt besteed aan de juridische achtergronden, fiscale berekeningen en de rechterlijke standpunten.

Juridische context van VvE-reserves in 2018

De Vereniging van Eigenaren (VvE) vormt een wettelijk kader voor de gezamenlijke beheersing en onderhoud van gemeenschappelijke delen van woningen, zoals trappenhuizen, opritteken, gemeenschappelijke technische installaties en eventueel ook gemeenschappelijke ruimtes. De VvE wordt beheerd door de eigenaren, die elk een aandeel in de VvE hebben. Deze aandelen kunnen een waarde hebben, bijvoorbeeld in de vorm van reserves die door de VvE zijn opgebouwd en die niet voor directe uitgaven zijn bestemd.

In 2018 was het aandeel in de reserves van de VvE voor een aantal belastingplichtigen een onderdeel van hun vermogen dat onder de box 3 heffing viel. De vraag was echter of dit vermogen als banktegoeden of als overige bezittingen moest worden belast. Dit verschil had belangrijke fiscale gevolgen, aangezien de rendementspercentages voor deze categorieën verschillend waren.

Definities en wettelijke kaders

De Wet inkomstenbelasting 2001 (WIB 2001) bepaalt welke vermogens categorieën vallen onder de box 3 heffing. De box 3 heffing geldt voor niet-actief vermogen, zoals spaargeld, beleggingen en andere vermogensposities. Artikel 5.2 van de WIB 2001 bepaalt dat het rendement op banktegoeden wordt bepaald op basis van een forfaitair rendement, evenals voor overige bezittingen, maar met een ander percentage.

In de context van VvE-reserves is het belangrijk om duidelijk te maken dat een aandeel in de reserves van de VvE niet hetzelfde is als een spaarrekening of banktegoed. Het aandeel is namelijk verbonden aan het lidmaatschap in de VvE, wat betekent dat het vermogen van de VvE niet direct beschikbaar is voor de individuele eigenaar. Bij de verkoop van de woning gaat dit aandeel over naar de nieuwe eigenaar, wat duidelijk maakt dat het aandeel geen vrij beschikbaar vermogen is.

De Hoge Raad oordeelde in 2010 dat een aandeel in een VvE een vermogensrecht is en dat dit kwalificeert als overige bezittingen. Dit is een belangrijke uitspraak, die de basis vormt voor de juridische kwalificatie van VvE-reserves in de context van box 3.

Fiscale kwalificatie en berekening van het rendement

In 2018 was de box 3 heffing op het aandeel in de VvE-reserves voorwerp van een grondige analyse door de Belastingdienst en later door de rechter. Het totale vermogen van een belastingplichtig bepaalt hoe de box 3 heffing wordt berekend, met name het forfaitaire rendement dat op elk vermogensdeel wordt toegepast.

Voorbeeld: Aandeel in VvE-reserves van € 10.807

In een concrete zaak uit 2018 had een belastingplichtige een aandeel in de reserves van de VvE van € 10.807. Dit aandeel was onderdeel van een totaal vermogen van € 1.328.507, waarbij het aandeel in de VvE-reserves dus 0,8% uitmaakte van het totale vermogen.

De Belastingdienst had eerst een forfaitair rendement van 5,38% toegepast op dit aandeel, wat resulteerde in een belastbaar inkomen van € 581. Dit was onderdeel van een totaal belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 38.494 voor beide belastingplichtigen samen.

De vraag die in casus en hoger beroep was aanhangig, was of dit rendement juist was berekend. De belanghebbende stelde dat het rendement lager zou moeten zijn, aangezien de reserves niet hetzelfde zijn als banktegoeden.

Het Besluit Rechtsherstel Box 3 en het Kerstarrest

Het Besluit Rechtsherstel Box 3, uit 2022, betrof een massaal bezwaarprocedure tegen de box 3 heffing vanaf 2017. In deze procedure was de kwestie van de systemische verenigbaarheid van de box 3 heffing met het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM) en het eigendomsgrondrecht (artikel 1 Protocol I EVRM) centraal. Het Kerstarrest van het Hoge Hof in 2022 (HR BNB 2022/274) was daarvan het resultaat en heeft een grote impact gehad op de beoordeling van het rendement op VvE-reserves.

In het licht van dit Kerstarrest zag het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich genoodzaakt om het rendement op de VvE-reserves te herzien. Het hof concludeerde dat het forfaitaire rendement dat op banktegoeden werd toegepast (0,12%) beter paste bij de aard van de VvE-reserves. Dit was een belangrijke wending in de zaak, omdat het rendement van 5,38% voor overige bezittingen aanzienlijk hoger was dan het werkelijk behaalde rendement.

De Belastingdienst had het aandeel in de VvE-reserves eerst belast met het forfait van 5,38%, maar na herziening werd het rendement op 0,12% bepaald. Dit heeft geleid tot een aanzienlijke verlaging van de box 3 heffing voor betrokken belastingplichtigen.

Rechtspraak en het voordeel van rechtsherstel

De rechtspraak in deze kwestie toont aan dat het rendement op VvE-reserves niet willekeurig kan worden bepaald, maar moet worden beoordeeld op basis van de aard en functie van het vermogen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in de zaak van 10 januari 2023 opnieuw beoordeeld dat het rendement op de VvE-reserves lager moet zijn dan het forfait van 5,38%. Dit is gedaan met het oog op het Kerstarrest en het feit dat het aandeel in de VvE-reserves niet vrij beschikbaar is.

De rechtspraak benadrukt ook dat het vermogen in de VvE-reserves in beginsel op een bankrekening moet worden aangehouden (artikel 5:126 BW), wat betekent dat het vermogen niet direct beschikbaar is voor de individuele eigenaar. Dit verschil in beschikbaarheid is van belang bij de beoordeling van het rendement.

Het Hof achtte het rechtsherstel dat in het Herstelbesluit was geboden onvoldoende en heeft het rendement op 0,12% bepaald. Dit was een belangrijke wending in de zaak, omdat het betekent dat het belastbare inkomen uit het aandeel in de VvE-reserves sterk is verlaagd.

De rol van het individuele vermogen in de beoordeling

Een belangrijk aspect in deze rechtspraak is de rol van het individuele vermogen van de betrokken belastingplichtigen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde dat de vraag of de box 3 heffing discriminatoir was, afhankelijk was van het rendement van het gehele box 3-vermogen. Dit betekent dat het individuele vermogen van een belastingplichtige een rol speelt in de beoordeling van de proportionaliteit van de heffing.

In deze zaak had het aandeel in de VvE-reserves slechts een beperkte invloed op het totale rendement. Het totale vermogen van de betrokkenen bedroeg € 1.328.507, waarvan de VvE-reserves € 10.807 uitmaakten. Dit betekent dat het aandeel in de reserves slechts 0,8% van het totale vermogen was. De rechtspraak oordeelde dat de box 3 heffing in dit geval niet buitensporig was en dat het rendement dat op de VvE-reserves was toegepast, adequaat was.

Conclusie

Het aandeel in het vermogen van een VvE, en met name in de reserves van deze VvE, is in 2018 voorwerp van grondige rechtselijke en fiscale overwegingen geweest. De kwestie was of dit aandeel als banktegoed of als overige bezitting moest worden belast. De uiteindelijke uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, in het licht van het Kerstarrest, heeft geleid tot een herwaardering van het rendement dat op dit vermogen was toe te passen.

Het rendement is van 5,38% verlaagd naar 0,12%, wat een aanzienlijke verlaging van de box 3 heffing betekent voor betrokken belastingplichtigen. De rechtspraak benadrukt dat het aandeel in de VvE-reserves geen vrij beschikbaar vermogen is en dat het rendement daarom lager moet zijn dan het forfait van 5,38%.

Deze kwestie toont aan dat de belastingverantwoording van VvE-reserves complex is en dat rechterlijke beslissingen van grote invloed kunnen zijn op de fiscale belasting. Het is daarom belangrijk dat eigenaren van woningen en belastingplichtigen zich bewust zijn van de fiscale regelgeving rondom VvE-reserves en de mogelijke rechtszaken die kunnen invloed hebben op de belastingaanslagen.

Bronnen

  1. HR-06-06-2024-nr-23-00653-nr-23-00654
  2. 16C67E5FDAB2E5DD00258A2E0048023B
  3. aandelen-in-vve-reserves-zijn-voor-box-3-heffing-overige-bezittingen

Related Posts