In het kader van de inkomstenbelastingaangifte in Nederland speelt het aandeel in VvE- (Vereniging van Eigenaren) reserves een specifieke rol binnen het stelsel van box 3. Box 3 richt zich op vermogensinkomsten en betreft onder andere beleggingsvermogen, zoals aandelen in VvE-reserves, onroerende zaken en andere vaste bezittingen. In 2017 werd het huidige stelsel van box 3 verder verfijnd, waarbij het aandeel in VvE-reserves expliciet onder de categorie "overige bezittingen" viel, wat leidde tot een hoger forfaitair rendement dan bijvoorbeeld banktegoeden. Deze structuur heeft gevolgen voor de belastingaangifte en heeft in bepaalde gevallen ook juridische kwesties opgeleverd, zoals het rechtsherstel van belastingaanslagen in strijd met de Europese Verdragen op grond van discriminatie.
In dit artikel worden de juridische, fiscale en praktische aspecten van het aandeel in VvE-reserves binnen het kader van box 3 belastingaangifte besproken. Het doel is om inzicht te geven in de wijze waarop dit vermogensrecht wordt beheerd binnen het huidige belastingstelsel, de invloed van rechtsherstelmaatregelen en de consequenties van de verfijningen in het Belastingplan 2024.
Juridische Context van het Aandeel in VvE-Reserves
Het aandeel in de reservefondsen van een Vereniging van Eigenaren (VvE) is een vermogensrecht dat bij het opstellen van een inkomstenbelastingaangifte in box 3 valt onder de categorie "overige bezittingen". In de praktijk betekent dit dat het forfaitaire rendement dat wordt toegepast op dit aandeel hoger ligt dan bijvoorbeeld op banktegoeden, namelijk 5,38 procent. Dit rendement wordt vermenigvuldigd met de marktwaarde van het aandeel in de VvE-reserves om de belastbare inkomsten te bepalen.
De juridische betekenis van dit aandeel werd onderzocht in een cassatieprocedure waarin sprake was van een aanslag voor inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2018. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, aangevend dat de heffing in strijd was met artikel 14 EVRM en artikel 1 EP. In het kader van het hoger beroep was er een overeenkomst bereikt dat de aanslag zou worden verminderd. Een belangrijk juridisch vraagstuk in deze procedure was of het forfaitaire rendement dat zou moeten worden toegepast op het aandeel in VvE-reserves 5,38 procent is, zoals voor overige bezittingen, of lager, namelijk 0,12 procent, zoals voor banktegoeden.
De belanghebbende stelde in deze procedure dat het forfaitaire rendement van 5,38 procent hoger was dan het werkelijk behaalde rendement, waardoor in haar mening onvoldoende rechtsherstel werd geboden. De huidige juridische richtlijnen zijn echter duidelijk: het aandeel in VvE-reserves valt onder de categorie overige bezittingen, wat betekent dat het forfaitaire rendement van 5,38 procent geldt. Dit is ook bevestigd in het Belastingplan 2024, waarin deze verdeling in vermogenscategorieën verder wordt verfijnd.
Forfaitaire Rendementen in Box 3: Banktegoeden versus Overige Bezittingen
Het forfaitaire rendement is een kernaspect van het box 3-stelsel. Het bepaalt hoeveel van het vermogen als belastbaar inkomen wordt gezien, zonder dat dit inkomen feitelijk is gerealiseerd. In het huidige stelsel is het vermogen van de belastingplichtige in box 3 onderverdeeld in drie categorieën:
- Banktegoeden, met een forfaitair rendement van 0,12 procent;
- Overige bezittingen, met een forfaitair rendement van 5,38 procent;
- Schulden, die een negatief forfaitair rendement vertegenwoordigen, gebaseerd op gemiddelde hypothekenrente.
Het aandeel in VvE-reserves valt onder de categorie overige bezittingen, wat betekent dat het forfaitaire rendement van 5,38 procent wordt toegepast. Deze verdeling is niet arbitrair, maar is gebaseerd op het feit dat overige bezittingen historisch gezien hogere rendementen opleveren dan banktegoeden. De formule voor het forfaitaire rendement van overige bezittingen is gebaseerd op een fictieve mix van beleggingen, zoals aandelen, onroerende zaken, obligaties en overige vermogensvormen. Dit is een vereenvoudigde benadering die de gemiddelde rendementen op lange termijn weerspiegelt.
De toepassing van het forfaitaire rendement is een voordeel voor belastingplichtigen, aangezien het vermijdt dat individueel bewijs moet worden geleverd van het daadwerkelijke rendement. In sommige gevallen kan het echter ook een nadeel betekenen, vooral als het forfaitaire rendement hoger ligt dan het werkelijke rendement. In dergelijke gevallen kan het principe van rechtsherstel worden aangewend, zoals uitgebreid besproken in het Belastingplan 2024.
Belastingaanslagen en Rechtsherstel in Box 3
Een van de meest prominente rechtsvragen rond box 3 is of de belastingaanslagen die worden opgelegd op basis van het forfaitaire rendement in strijd zijn met de grondrechten van de belastingplichtige. In het kader van de Hoge Raad uitspraak werd geoordeeld dat de belastingheffing in box 3 ten hoogste op basis van het werkelijk behaalde rendement moet plaatsvinden. Dit betekent dat belastingplichtigen in staat zijn om aan te tonen dat het forfaitaire rendement hoger ligt dan het werkelijke rendement, wat kan leiden tot een vermindering van de belastingaanslag.
De Belastingdienst heeft voor deze situatie een mechanisme opgezet: het formulier "opgaaf werkelijk rendement". Belastingplichtigen kunnen hiermee aantonen dat hun daadwerkelijke opbrengsten lager zijn dan het forfaitaire rendement, wat kan leiden tot een herziening van de aanslag. Deze mogelijkheid is in ieder geval beschikbaar voor personen die bezwaar hebben gemaakt tegen een aanslag en voor personen bij wie een aanslag is aangehouden in afwachting van uitspraken rond box 3.
De praktische toepassing van rechtsherstel is echter nog niet volledig duidelijk. De Belastingdienst heeft bijvoorbeeld alle aanslagen inkomstenbelasting aangehouden van belastingplichtigen met een box 3 beleggingsvermogen voor de jaren 2021 tot en met 2023. Het is echter nog niet duidelijk of personen die geen bezwaar hebben gemaakt ook gebruik kunnen maken van deze herziening.
Verfijningen in het Belastingplan 2024
Het Belastingplan 2024 introduceerde enkele verfijningen op het huidige stelsel van box 3. Een van de belangrijkste veranderingen betreft het aandeel in VvE-reserves en het aandeel in derdengeldenrekeningen van notarissen of gerechtsdeurwaders. Deze vermogensrechten zijn sinds 1 januari 2023 onder de categorie banktegoeden geplaatst, wat betekent dat het lage forfaitaire rendement van 0,12 procent wordt toegepast. Deze verandering is met terugwerkende kracht ingevoerd, wat betekent dat het ook van invloed is op belastingaangiften uit eerdere jaren.
De verandering is van praktisch belang, omdat banktegoeden een veel lager forfaitaire rendement hebben dan overige bezittingen. Voor personen die een aandeel in VvE-reserves hebben, kan dit leiden tot een aanzienlijke vermindering van de belastbare inkomsten. In de praktijk betekent dit dat de belastingaanslag voor deze personen kan worden herzien, mits zij bewijs kunnen leveren van het daadwerkelijke rendement.
Naast deze verandering is er ook een nieuwe aanpak voor vorderingen en schulden tussen fiscale partners. Deze vormen van vermogensrechten zijn sinds 1 januari 2023 gedefiscaliseerd, wat betekent dat ze niet langer in de belastingaangifte moeten worden opgenomen. Voor ouder-kindrelaties is deze gedefiscalisatie alleen van toepassing als het inkomen van het minderjarige kind aan de ouders wordt toegerekend. In andere gevallen blijven deze vormen van vermogensrechten wel onder de heffing vallen.
Praktische Implicaties voor Belastingplichtigen
De verfijningen in het Belastingplan 2024 hebben duidelijke praktische gevolgen voor belastingplichtigen met vermogensrechten in VvE-reserves. De meest directe gevolg is de verandering in de categorie waaronder het aandeel in VvE-reserves valt. Sinds 2023 valt het onder banktegoeden, wat betekent dat het forfaitaire rendement van 0,12 procent wordt toegepast in plaats van 5,38 procent. Voor personen die dit vermogensrecht al jaren hebben, kan dit leiden tot een aanzienlijke vermindering van de belastbare inkomsten.
In de praktijk betekent dit dat de Belastingdienst oude aanslagen kan herzien, mits de aanslagen zijn aangehouden in afwachting van uitspraken rond box 3. In sommige gevallen kan dit ook leiden tot een terugbetaling van belastingen die al zijn betaald. Dit is echter niet gegarandeerd, omdat de Belastingdienst niet verplicht is om aanslagen van personen te herzien die geen bezwaar hebben gemaakt.
Een andere praktische implicatie betreft de mogelijkheid om het werkelijke rendement te melden. De Belastingdienst heeft voor deze situatie een formulier opgezet, waarmee belastingplichtigen hun daadwerkelijke opbrengsten kunnen melden. Dit is een belangrijke stap, omdat het mogelijk is dat het forfaitaire rendement hoger ligt dan het werkelijke rendement. In dergelijke gevallen kan het principe van rechtsherstel worden aangewend, wat leidt tot een vermindering van de belastingaanslag.
Toekomstige Wijzigingen in het Box 3-Stelsel
In de toekomst is er sprake van een volledig nieuw stelsel voor box 3, dat per 1 januari 2028 in werking zou kunnen treden. In dit nieuwe stelsel wordt het vermogen van de belastingplichtige gewaardeerd tegen de marktwaarde in plaats van de verkrijgingsprijs. Dit heeft gevolgen voor de belastingaanslag, omdat het vermogen dat al bij aanvang van het stelsel in bezit is van de belastingplichtige, op de marktwaarde wordt geplaatst. Dit betekent dat eventuele vermogenswinsten of -verliezen van vóór 2028 niet langer in de heffing worden betrokken.
In het nieuwe stelsel worden inkomsten uit vermogensbezittingen, zoals dividenden en huurinkomsten, wel al in het jaar van realisatie belast. Voor onroerende zaken wordt de waarde in het economisch verkeer aan het begin van het kalenderjaar 2028 gesteld op de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2028.
Deze wijzigingen zijn bedoeld om het box 3-stelsel eerlijker en transparanter te maken. Het huidige stelsel wordt door critici beschouwd als een indirecte vermogensbelasting, omdat het forfaitaire rendement hoger ligt dan het werkelijke rendement in veel gevallen. Het nieuwe stelsel moet dit probleem oplossen door de belastingaanslag te baseren op de daadwerkelijke opbrengsten en marktwaarden.
Conclusie
Het aandeel in VvE-reserves is een belangrijk vermogensrecht binnen het kader van box 3. In het huidige stelsel valt dit aandeel onder de categorie overige bezittingen, wat betekent dat het forfaitaire rendement van 5,38 procent wordt toegepast. In het Belastingplan 2024 is dit aandeel met terugwerkende kracht onder de categorie banktegoeden geplaatst, wat leidt tot een lager forfaitaire rendement van 0,12 procent. Deze verandering heeft gevolgen voor de belastingaangifte en kan leiden tot een herziening van oude aanslagen.
In bepaalde gevallen kan het principe van rechtsherstel worden aangewend, wat leidt tot een vermindering van de belastingaanslag. De Belastingdienst heeft voor deze situatie een mechanisme opgezet, waarbij belastingplichtigen hun werkelijke opbrengsten kunnen melden. Deze mogelijkheid is in ieder geval beschikbaar voor personen die bezwaar hebben gemaakt tegen een aanslag of wier aanslag is aangehouden in afwachting van uitspraken.
In de toekomst is er sprake van een volledig nieuw stelsel voor box 3, dat per 1 januari 2028 in werking zou kunnen treden. Dit stelsel is bedoeld om het huidige systeem eerlijker en transparanter te maken. Het nieuwe stelsel moet het probleem oplossen dat het huidige stelsel in feite een indirecte vermogensbelasting is, omdat het forfaitaire rendement hoger ligt dan het werkelijke rendement in veel gevallen.
Voor belastingplichtigen met een aandeel in VvE-reserves is het belangrijk om op de hoogte te zijn van de veranderingen in het box 3-stelsel. Deze veranderingen hebben directe gevolgen voor de belastingaanslag en kunnen leiden tot verminderingen of terugbetalingen in bepaalde gevallen. Het is daarom verstandig om regelmatig te controleren of er wijzigingen zijn in de fiscale regelgeving die van invloed zijn op het eigen vermogensrecht.