Het aandeel in het vermogen van een vereniging van eigenaren (VvE) speelt een belangrijke rol bij de inkomstenbelastingaangifte, vooral in de zogenaamde box 3. In 2019 was deze categorie van betekenis voor belastingplichtigen met vermogensrechten, zoals aandelen in VvE-reserves of derdengeldenrekeningen bij notarissen of gerechtsdeurwaarders. De belastingaangifte van dat jaar maakte duidelijk dat de verwerking van dergelijke aandelen in de box 3 in praktijk complex kon zijn, en dat het forfaitaire rendement een belangrijke rol speelde bij het bepalen van het belastbaar inkomen.
In dit artikel bespreken we de relevante wetgeving en praktijk van 2019, inclusief de juridische en fiscale implicaties van het aandeel in het vermogen van een VvE. We geven een overzicht van de regels voor de belastingaangifte, het verschil tussen het werkelijke en het forfaitaire rendement, en de context van de discussies in het parlement over mogelijke verfijningen van de box 3.
Het aandeel in het vermogen van een VvE in box 3
Een vereniging van eigenaren (VvE) is een juridische entiteit die eigenaar is van een woningbouwcorporatie (WBC) of een andere collectieve vorm van woningeigenaar. De VvE houdt meestal een deel van het vermogen in reservefondsen, die worden gebruikt voor onderhoud en eventuele uitbreiding van de woning. Omdat deze fondsen in feite eigendom zijn van de eigenaren, wordt het aandeel van individuele eigenaren in deze fondsen meegenomen bij de belastingaangifte in de categorie "overige bezittingen" binnen box 3.
In 2019 was het aandeel in de reserves van een VvE voor de belastingaangifte van belang, omdat het in die categorie valt. In praktijk betekent dit dat het vermogen, ook al staat het niet op een bankrekening, wordt behandeld alsof het een banktegoed is, wat tot een lager forfaitair rendement leidt dan bijvoorbeeld bij aandelen of vastgoed. Dit rendement wordt gebruikt om het belastbaar inkomen te berekenen, zelfs als het werkelijke rendement lager of hoger is.
Het forfaitaire rendement versus het werkelijke rendement
Het verschil tussen het forfaitaire rendement en het werkelijke rendement is centraal bij de belastingaangifte in box 3. Het forfaitaire rendement wordt automatisch toegepast op bepaalde vermogenscategorieën, zoals bank- en spaartegoeden en overige bezittingen. Voor 2019 gold een forfaitair rendement van 0,12% voor banktegoeden en 5,38% voor overige bezittingen. Dit rendement wordt gebruikt om het belastbare inkomen te berekenen, ongeacht of er een werkelijk rendement behaald is.
Het werkelijke rendement is het daadwerkelijke inkomen dat door de belastingplichtige wordt gerealiseerd, zoals rente of dividenden. In 2019 was het werkelijke rendement voor het aandeel in de VvE-reserves bijvoorbeeld € 3.129, terwijl het forfaitaire inkomen uitkwam op € 7.336. Hieruit blijkt dat het forfaitaire rendement aanzienlijk hoger was dan het werkelijke rendement. Dit verschil kan leiden tot een hogere belastingaangifte dan noodzakelijk zou zijn, omdat het belastbare inkomen wordt berekend op basis van het forfaitaire rendement, ongeacht of het daadwerkelijke rendement lager is.
Juridische kaders en cassatieuitspraken
De behandeling van het aandeel in een VvE-reserve in de belastingaangifte heeft juridisch gezien ook geleid tot rechtszaken en cassatieverzoeken. In een casus uit 2019 werd bijvoorbeeld een aanslag op de inkomstenbelasting aangegaan vanwege het aandeel in de reserves van een VvE. De belastingplichtige bezwoer dat de heffing in strijd was met artikel 14 van de Europese Grondwet (EVRM) en artikel 1 van de Europese Grondwet (EP). Het Hof kon hierover overeenstemming bereiken in hoger beroep, waarbij de aanslag werd verminderd op grond van het Beleidsbesluit.
In hoger beroep werd ook het verschil tussen het forfaitaire rendement en het werkelijke rendement in overweging genomen. Belanghebbende stelde dat het forfaitaire rendement van 5,38% voor de VvE-reserves hoger was dan het werkelijk behaalde rendement, waardoor het rechtsherstel voor de schending van het EVRM en EP onvoldoende was. Hoewel het Hof dit standpunt niet volledig aannam, toonde de zaak wel de complexiteit aan van de toepassing van het forfaitaire rendement in de praktijk.
Politieke discussies en moties
De belastingaangifte in 2019 viel binnen een bredere discussie over de structuur van box 3 en de manier waarop vermogensrechten werden geëvalueerd. In de Tweede Kamer werden meerdere moties ingediend om de belastingheffing in de categorie "overige bezittingen" verder te verfijnen. Zo vroeg de motie van Stoffer/Idsinga/Grinwis/Omtzigt onderzoek naar alternatieven zoals een forfaitaire vermogenssamenstelling, een tegenbewijsregeling of een realistisch rendementspercentage voor bepaalde vermogensbestanddelen.
Een van de voorgestelde verfijningen was het invoeren van een realistisch rendementspercentage voor vermogensbestanddelen waar een wettelijk maximum voor geldt. Dit zou ervoor zorgen dat het belastbare inkomen nauwkeuriger werd berekend, op basis van het daadwerkelijke rendement in plaats van een wettelijk vastgesteld percentage. Ook werd voorgesteld om de belastingaangifte voor VvE-vestigingen te vereenvoudigen, zodat geld op spaarrekeningen van VvE's gewoon als banktegoed zou worden behandeld.
Belastingaangifte 2019: praktijkvoorbeeld
In een concreet voorbeeld uit 2019 had een belastingplichtige een aandeel in de reserves van een VvE ter waarde van € 10.807. Dit aandeel werd meegenomen in de belastingaangifte onder de categorie "overige bezittingen". Het forfaitaire rendement van 5,38% leidde tot een belastbaar inkomen van € 578 (5,38% van € 10.807). Ondertussen was het werkelijke rendement in dit geval € 0, omdat de reserves geen opbrengst levert in de vorm van rente of dividenden. Toch werd het inkomen berekend op basis van het forfaitaire rendement, wat leidde tot een belastingaanslag voor dit aandeel.
Dit voorbeeld toont aan dat het forfaitaire rendement een cruciale rol speelt in de belastingaangifte, zelfs als er geen daadwerkelijk rendement is. Het is daarom belangrijk voor belastingplichtigen om te begrijpen hoe de belastingaanslagen worden berekend en welke invloed het forfaitaire rendement heeft op hun belastingverplichting.
Aanpassingen in het Belastingplan 2024
Het Belastingplan 2024 bracht enkele verfijningen met zich mee, die ook invloed hadden op de belastingaangifte van 2019. Zo werd het aandeel in het vermogen van een VvE of het vermogen op een derdengeldenrekening van een notaris of gerechtsdeurwaarder met terugwerkende kracht onder de categorie "banktegoeden" geplaatst. Hierdoor werd het forfaitaire rendement verlaagd naar 0,12%, wat in de praktijk leidde tot een lager belastbaar inkomen voor dergelijke aandelen.
Bijvoorbeeld: Als het aandeel in 2019 was geplaatst onder de categorie "banktegoeden", zou het forfaitaire rendement 0,12% zijn geweest, wat leidt tot een belastbaar inkomen van € 13,16 (0,12% van € 10.807) in plaats van € 578. Deze aanpassing had dus een aanzienlijke invloed op de belastingaanslag van het aandeel in de VvE-reserve.
Daarnaast werden vorderingen en schulden tussen fiscale partners, zoals ouder en kind of partners in huwelijkse voorwaarden, met terugwerkende kracht gedefiscaliseerd. Dit betekent dat dergelijke vorderingen en schulden niet langer in de belastingaangifte hoefden te worden opgenomen, wat de administratie voor belastingplichtigen vereenvoudigde.
De rol van het aandeel in de VvE in de belastingplanning
Het aandeel in het vermogen van een VvE is niet alleen van belang voor de belastingaangifte, maar ook voor de fiscale planning van individuele belastingplichtigen. Omdat het aandeel wordt meegenomen in box 3, heeft het een invloed op het totale belastbaar inkomen en dus op de belastingverplichting. Het is daarom belangrijk om te begrijpen hoe het aandeel wordt geëvalueerd en welke verfijningen er zijn ingevoerd.
Een mogelijke strategie voor belastingplichtigen is om het aandeel in de VvE-reserve te beoordelen in de context van hun totale vermogen. Door het forfaitaire rendement te kennen, kunnen zij inschatten welke belastingaanslag ze kunnen verwachten en of er mogelijkheden zijn om de belastingaanslag te verminderen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het aandeel kan worden gecombineerd met andere vermogensbestanddelen die een lager forfaitair rendement hebben.
Conclusie
Het aandeel in het vermogen van een VvE speelt een belangrijke rol in de belastingaangifte, vooral in de categorie "overige bezittingen" van box 3. In 2019 werd dit aandeel meegenomen in de berekening van het belastbaar inkomen op basis van het forfaitaire rendement, wat in de praktijk kan leiden tot hogere belastingaanslagen dan het daadwerkelijke rendement toelaat.
De juridische en politieke discussies rondom het forfaitaire rendement en de belastingaangifte voor VvE-aandelen toonden aan dat de huidige regels complex zijn en dat er ruimte is voor verfijningen. De aanpassingen in het Belastingplan 2024 hebben de situatie voor belastingplichtigen verder geklasseerd, met name door het aandeel in VvE-reserves onder de categorie "banktegoeden" te plaatsen.
Voor belastingplichtigen is het belangrijk om goed te begrijpen hoe het aandeel in de VvE-reserve wordt geëvalueerd en welke verfijningen er zijn ingevoerd. Dit helpt hen bij het indienen van een correcte en transparante belastingaangifte en bij de fiscale planning van hun vermogen.