In de Nederlandse inkomstenbelastingwetgeving spelen aandelen in reservefondsen van Verenigingen van Eigenaren (VVE-reserves) een complexe rol, met betrekking tot belastingaangiften en rechtsherstel. In 2019 bleek uit praktijkbeslissingen en juridische uitspraken dat de behandeling van deze aandelen in box 3 van de inkomstenbelasting een voorwerp van discussie was. Deze discussie was mede gevoed door de vraag of het forfaitaire rendement van 0,12% of 5,38% het meest accuraat de werkelijke opbrengst weerspiegelde. Voor (potentiële) woningbouwers, vastgoedinvesteerders en professionals in de sector is het begrip van deze aangifteverplichting en de juridische context van belang om fiscale verantwoordelijkheden correct in te schatten.
De context van aangifte inkomstenbelasting 2019
In het kader van de aangifte inkomstenbelasting 2019, werden aandelen in VVE-reserves in de praktijk beschouwd als "overige bezittingen". Dit betekent dat deze aandelen onder de box 3 van de inkomstenbelasting vielen, waarbij het forfaitaire rendement van 5,38% werd gebruikt bij het bepalen van het belastbaar inkomen. In 2019 lag het inkomen uit sparen en beleggen van een belastingplichtige bijvoorbeeld op € 1.019,43, terwijl kosten rond € 120 lagen. De Inspectie op de Markt voor Verzekeringen en Pensioenen (IMB) legde in eerste instantie een aanslag op de inkomsten, maar deze werd later aangepast op basis van het Besluit rechtsherstel box 3. Hierdoor werd het box 3-inkomen van de betrokkene verminderd naar € 5.506, later verlaagd naar € 5.244 in hoger beroep.
De aanslagen werden niet alleen bepaald op basis van de verklaringen van de betrokkene, maar ook door het rechterlijke toezicht op de toepassing van de wetgeving. In het kader van hoger beroep en cassatie werden juridische kwesties verder onderzocht, zoals de vraag of de aanslag in strijd was met fundamentele rechten zoals vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Grondwetshoofdstuk 1 (EP). Deze kwesties werden in meerdere rechtszaken behandeld, waaronder een belangrijk arrest van de Hoge Raad op 6 juni 2024 in zaaknummer 23/00654.
Aandelen in VVE-reserves en de vraag naar het juiste rendement
De kern van de discussie over aandelen in VVE-reserves draait rond de vraag welk rendement juridisch en fiscaal relevant is. In 2018 werd al duidelijk dat het rendement dat op aandelen in VVE-reserves moest worden toegepast, in strijd zou kunnen komen met fundamentele rechten. Het forfaitaire rendement van 5,38%, dat normaal voor overige bezittingen geldt, werd door sommige partijen betwist. In een aantal juridische processen werd geciteerd dat het rendement van bank- en spaartegoeden (0,12%) beter zou passen bij het karakter van aandelen in VVE-reserves, die volgens de wet op het financieel toezicht op een aparte bank- of spaarrekening worden gehouden. Dit zou suggereerd dat aandelen in VVE-reserves qua karakter dichter bij spaartegoeden liggen dan bij andere vormen van bezittingen.
In 2018 was het totale vermogen van de betrokkene onder meer samengesteld uit banktegoeden van € 645.092, een vordering van € 34.701 en aandelen in VVE-reserves van € 10.807. De Inspectie had eerst een aanslag uitgesproken op een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.895 per persoon, wat op basis van het tarief van 5,38% € 8.068 belasting zou opleveren per persoon. Na toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3 werd deze aanslag herzien naar een totaal rendement van € 38.494 voor beide belastingplichtigen. De aandelen in VVE-reserves werden in deze herberekening als overige bezittingen beschouwd, met een rendement van 5,38%. In cassatie werd echter alleen nog in geschil of dit rendement correct was, met name of het rendement van 0,12% voor banktegoeden beter zou passen.
De juridische beoordeling van het rendement
De Hoge Raad heeft zich in haar uitspraak van 6 juni 2024 uitgesproken over deze kwestie. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had in hoger beroep al bepaald dat het rendement van 0,12% voor banktegoeden toepasbaar was op aandelen in VVE-reserves. Dit was gebaseerd op het feit dat VVE-reserves volgens artikel 5:126(3) BW op een aparte bank- of spaarrekening in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht moeten worden aangehouden. Daardoor is het karakter van deze aandelen qua juridische verantwoordelijkheid en administratieve behandeling vergelijkbaar met bank- en spaartegoeden.
In de cassatieprocedure werd alleen nog in geschil of het rendement van 0,12% of 5,38% juridisch correct was. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, waarbij de Hoge Raad bepaalde dat het rendement van 0,12% het meest accuraat was voor aandelen in VVE-reserves. Dit was volgens het Hof in lijn met het werkelijke rendement dat uit deze aandelen werd behaald en met de juridische karakterisering van deze aandelen als bank- of spaartegoeden.
De praktijk van rechtsherstel in de inkomstenbelasting
Het rechtsherstel in de inkomstenbelasting is ontworpen om onrechtvaardige aanslagen te corrigeren, met name in gevallen waarin fundamentele rechten zijn geschonden. In het kader van box 3 heffing in 2018 was het rendement op spaartegoeden te hoog geschat, wat leidde tot onjuiste belastingaanslagen. Het Besluit rechtsherstel box 3 en de Wet rechtsherstel box 3 zijn daarom bedoeld om deze aanslagen te herzien en het belastinginkomen aan te passen op basis van werkelijk behaalde rendementen.
In de praktijk betekent dit dat belastingplichtigen die aandelen in VVE-reserves bezitten, hun aangifte inkomstenbelasting voor 2019 en eerdere jaren moeten beoordelen op basis van het rendement dat juridisch toepasbaar is. In 2019 was het rendement van 5,38% voor overige bezittingen in eerste instantie toegepast, maar na rechtsherstel en hoger beroep werd dit herzien naar het rendement van 0,12%, wat betekent dat de belastingaanslagen aanzienlijk werden verminderd.
De betekenis van het arrest van de Hoge Raad
Het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024 in zaaknummer 23/00654 heeft duidelijkheid gebracht over de behandeling van aandelen in VVE-reserves in de inkomstenbelasting. Door het bepalen van het rendement op 0,12%, is de wetgeving op dit gebied afgestemd op de werkelijkheid van het karakter van deze aandelen. Dit arrest heeft ook een precedent geschapen voor toekomstige aangiften en rechtszaken rond aandelen in VVE-reserves.
In het arrest wordt ook benadrukt dat het rechtsherstel adequate moet zijn voor schendingen van fundamentele rechten. De Hoge Raad benadrukt dat het rendement dat juridisch toepasbaar is, het meest dicht bij het werkelijke rendement moet liggen. Dit benadrukt de rol van de fiscaal-wetgeving in het beschermen van de belastingplichtige tegen onredelijke aanslagen.
Conclusie
De behandeling van aandelen in VVE-reserves in de aangifte inkomstenbelasting 2019 was in de praktijk een complexe kwestie. De Inspectie gebruikte in eerste instantie het forfaitaire rendement van 5,38% voor overige bezittingen, maar na rechtsherstel en rechterlijke beoordeling werd dit herzien naar het rendement van 0,12%, dat beter past bij het karakter van deze aandelen. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 6 juni 2024 bepaald dat het rendement van 0,12% juridisch correct is, wat een precedent heeft geschapen voor toekomstige aangiften.
Voor (potentiële) woningbouwers, vastgoedinvesteerders en professionals in de sector is het begrip van deze aangifteverplichting en de juridische context van het rendement belangrijk om fiscale verantwoordelijkheden correct in te schatten. De wetgeving rond aandelen in VVE-reserves is duidelijk geworden door het arrest van de Hoge Raad, wat bijdraagt aan de transparantie en rechtvaardigheid in de inkomstenbelasting.