Aantal kinderen in de voor- en vroegschoolse educatie (VVE): ontwikkeling, aanbod en voorwaarden in Drenthe

De voor- en vroegschoolse educatie (VVE) speelt een essentiële rol in de ontwikkeling van jonge kinderen, met name bij kinderen die risico lopen op ontwikkelingsachterstand. In Drenthe, net als elders in Nederland, wordt VVE uitgevoerd binnen kinderdagverblijven en integrale kindcentra. De voorzieningen vormen een cruciale ondersteuning in de vroege kinderjaren, met als doel de ontwikkeling van taal, cognitieve vaardigheden, sociale interactie en emotionele stabiliteit te bevorderen. In dit artikel wordt ingegaan op het aantal kinderen dat deelneemt aan de VVE, de groei in het aantal peuters in de regio, het aanbod aan kinderdagverblijven en de voorwaarden waaronder de VVE wordt uitgevoerd.

Inleiding

Voor- en vroegschoolse educatie is een onderdeel van de kinderopvang in Nederland en richt zich op kinderen van 0 tot en met 3 jaar. Deze educatie is bedoeld voor kinderen die in de GGD zijn geïndiceerd vanwege een taal- of ontwikkelingsachterstand, of die uit een risicogroep komen. Het aantal kinderen dat VVE ontvangt, is daarom direct gerelateerd aan de identificatie van deze doelgroep. In Drenthe is het aantal VVE-kindplaatsen in de afgelopen jaren toegenomen, mede als gevolg van wettelijke verplichtingen voor gemeenten. Deelname aan VVE heeft een positief effect op de ontwikkeling van jonge kinderen, zoals aangetoond in onderzoek door Sylva et al. (2004), waaruit blijkt dat kinderen die VVE ontvangen beter presteren op de algemene ontwikkeling dan kinderen die dit niet doen.

Aantal kinderen in de VVE: huidige cijfers en trends

Doelgroepkinderen en VVE-kindplaatsen

Het aantal kinderen dat VVE ontvangt, varieert per gemeente. De identificatie van doelgroepkinderen gebeurt via het Integraal Dossier Jeugd en Gezondheidszorg (ID-JGZ). De criteria voor het identificeren van doelgroepkinderen kunnen per gemeente verschillen, wat leidt tot variaties in het aantal VVE-kindplaatsen per gemeente. Zoals vermeld in de bronnen, zijn er gemeenten in Drenthe waar relatief veel kinderen deelname aan VVE krijgen, terwijl het aantal in andere gemeenten lager is.

In Deventer, bijvoorbeeld, zijn er ongeveer 2500 peuters van 2 en 3 jaar. Van deze groep zijn er 435 kinderen die door de GGD zijn geïndiceerd met een taal- of ontwikkelingsachterstand. Deze kinderen vallen binnen de doelgroep van de VVE. Daarnaast zijn er nog 125 kinderen in Deventer die speciale zorg nodig hebben buiten het VVE-kader. Deze groep behoort niet tot de VVE-doelgroep.

Gemeenten en houders van kinderopvangvoorzieningen zijn verantwoordelijk voor het zorgen van voldoende VVE-kindplaatsen en het ervoor zorgen dat deze daadwerkelijk bezet worden door doelgroepkinderen. De bereikbaarheid van VVE-kindplaatsen wordt beoordeeld aan de hand van zowel het aantal aangeboden als het aantal bezette plekken. Dit betekent dat een hoge beschikbaarheid niet automatisch leidt tot een hoge deelname, tenzij het aanbod ook daadwerkelijk wordt benut door de doelgroep.

Toekomstige groei van de VVE-doelgroep

De prognoses voor de komende 15 jaren tonen een toename in het aantal kinderen van 0 tot en met 3 jaar in de meeste Drentse gemeenten. Alleen in Coevorden wordt een daling voorspeld. Deze groei heeft gevolgen voor het aantal VVE-kindplaatsen dat in de toekomst nodig zal zijn. In gemeenten met een hoge toename van de peuterbevolking zal er dus extra aandacht moeten zijn voor het uitbreiden van het aanbod aan VVE-voorzieningen.

Aanbod en bereikbaarheid van VVE-voorzieningen

Aantal kinderdagverblijven in Drenthe

In Drenthe zijn er momenteel ongeveer 340 kinderdagverblijflocaties. Deze locaties omvatten zowel voormalige peuterspeelzalen als nieuwe kinderopvangvoorzieningen. Het aantal VVE-kindplaatsen is verdeeld over deze locaties, waarbij ongeveer de helft van de kinderdagverblijven VVE-aanbod heeft. In Assen is bijvoorbeeld 55% van de kinderdagverblijven in staat om VVE te bieden, terwijl in Borger-Odoorn dit percentage hoger ligt op 83%. In Emmen daarentegen is het percentage lager, op 26%. Deze variaties tussen gemeenten duiden op ongelijke toegang tot VVE, afhankelijk van de locatie.

Afstand tot VVE-voorzieningen

De bereikbaarheid van VVE-voorzieningen is een belangrijke factor in de deelname van kinderen. In Drenthe is de gemiddelde afstand die ouders afleggen om hun kind naar een kinderdagverblijf te brengen ongeveer een half keer zo groot als het landelijke gemiddelde. In gemeenten zoals Assen en Hoogeveen is de afstand het kleinst, terwijl in Borger-Odoorn en Westerveld de afstand tweemaal zo groot is. Deze grotere afstanden kunnen een barrière vormen voor de deelname aan VVE, met name voor ouders die logistieke beperkingen hebben, zoals een gebrek aan transportmiddelen of werktijdbeperkingen.

Daarnaast blijkt uit de data dat het aantal kinderdagverblijven binnen een straal van 3 kilometer in Drenthe aanzienlijk lager is dan het landelijk gemiddelde. In Nederland zijn gemiddeld 22 kinderdagverblijven binnen een afstand van 3 kilometer, terwijl in Drentse gemeenten dit aantal ver onder dit cijfer ligt. Deze lagere dichtheid van kinderdagverblijven kan leiden tot langere wachttijden en minder keuzevrijheid voor ouders.

Voorwaarden voor VVE-kindplaatsen

Definities en structurele voorwaarden

VVE-kindplaatsen worden bepaald door het aantal uren dat een kind per week aan VVE deeltneemt. Een kindplek is gedefinieerd als 7 uur per week, verdeeld over 2 dagen. Organisaties mogen kiezen voor een ritme van 2 x 3,5 uur per dag of voor een ander ritme, mits het totaal van 7 uur per week wordt behouden. Dit biedt flexibiliteit in de opvangtijden, zodat het aanbod kan worden afgestemd op de logistieke situatie van ouders.

De ritmen van halen en brengen van scholen en kinderopvang kunnen verschillen per instelling. Daarom is het mogelijk om de uren van VVE-kindplekken aan te passen aan deze ritmen, zodat er een betere aansluiting is tussen kinderopvang en scholingsaanbod.

Ondersteuning en competenties

Het kwaliteitsniveau van VVE-voorzieningen wordt beïnvloed door de scholing en competentie van de leidsters. De voorwaarden voor VVE-kindplekken stellen eisen aan de opleiding en ervaring van het personeel. Zo moet het aantal leidsters per groep voldoen aan de wettelijke eisen, en is dubbele bezetting in sommige gevallen vereist om de kwaliteit van de zorg te waarborgen.

Daarnaast wordt er in VVE-voorzieningen aandacht besteed aan de interactie tussen kinderen en ouders. Ouderbetrokkenheid speelt een belangrijke rol in de effectiviteit van VVE. Omdat kinderen in de VVE meestal vier dagdelen per week op de voorziening doorbrengen, is het cruciaal dat de stimulering van de ontwikkeling ook thuis aanwezig is. Ouders worden hierbij ondersteund door instructies over hoe ze het ontwikkelingsproces van hun kind thuis kunnen begeleiden, met name in gevallen waarin sprake is van een taalarme of spelarme omgeving.

De rol van gemeenten en houders

Gemeenten en houders van kinderopvangvoorzieningen spelen een centrale rol in de organisatie van VVE-kindplekken. Ze zijn verantwoordelijk voor het zorgen van voldoende aantallen VVE-kindplaatsen en ervoor zorgen dat deze daadwerkelijk bezet worden door doelgroepkinderen. De verplichtingen voor gemeenten zijn in de wetten en verordeningen geregeld. Sinds 1 augustus 2020 zijn gemeenten verplicht om per week minstens 16 uur VVE aan te bieden aan kinderen met een VVE-indicatie. Dit betekent dat per peuter 960 uur per jaar beschikbaar moet zijn voor VVE.

De verantwoordelijkheid van gemeenten en houders omvat ook het monitoren en beoordelen van de kwaliteit van de VVE-voorzieningen. Dit gebeurt via het kindvolgsysteem, dat bedoeld is voor het gerichte beoordelen van het functioneren van kinderen. Daarnaast is er een kenniscentrum VVE dat kennis en expertise bundelt van de partners in de kinderopvangsector, en die ondersteuning kan bieden aan professionals in VVE-voorzieningen en basisscholen.

De toekomst van VVE in Drenthe

De toekomst van de VVE in Drenthe wordt beïnvloed door verschillende factoren, waaronder de groei van de peuterbevolking, de toegankelijkheid van VVE-voorzieningen en de wettelijke verplichtingen voor gemeenten. Aangezien de meeste gemeenten in Drenthe verwachten dat het aantal kinderen van 0 tot en met 3 jaar zal stijgen, zal het aantal benodigde VVE-kindplaatsen waarschijnlijk ook toenemen. Dit vraagt om een uitbreiding van het aanbod aan VVE-voorzieningen, zowel qua aantal locaties als qua beschikbaarheid van VVE-kindplaatsen.

Daarnaast is er behoefte aan een verder uitbreiding van de wederkerigheid, oftewel de maatschappelijke inzet van ouders in ruil voor de inkoop van kindplekken door de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door het organiseren van vrijwilligersactiviteiten of het betrekken van ouders bij het beleid van VVE-locaties. Het betrekken van ouders is niet alleen belangrijk voor de stimulering van de kinderontwikkeling, maar ook voor het opbouwen van vertrouwen tussen de instelling en de oudergroep.

Conclusie

Voor- en vroegschoolse educatie speelt een essentiële rol in de ontwikkeling van jonge kinderen in Drenthe. Het aantal kinderen dat VVE ontvangt, is afhankelijk van de identificatie van doelgroepkinderen en de beschikbaarheid van VVE-kindplaatsen. In Drenthe zijn er momenteel ongeveer 340 kinderdagverblijven, waarvan de helft VVE-aanbod heeft. De bereikbaarheid van deze voorzieningen varieert sterk per gemeente, met langere afstanden in sommige regio’s. De wettelijke verplichtingen voor gemeenten hebben geleid tot een toename in het aantal VVE-kindplaatsen, terwijl de toekomstige groei van de peuterbevolking een uitdaging vormt voor de uitbreiding van het aanbod.

De organisatie van VVE-kindplaatsen houdt rekening met de logistieke situatie van ouders en de competenties van de leidsters. Ouderbetrokkenheid is een belangrijke factor in de effectiviteit van VVE. Gemeenten en houders zijn verantwoordelijk voor het zorgen van voldoende VVE-kindplaatsen en ervoor zorgen dat deze daadwerkelijk bezet worden. De toekomst van VVE in Drenthe hangt af van de groei van de peuterbevolking, de toegankelijkheid van voorzieningen en de samenwerking tussen gemeenten, houders en ouders.

Bronnen

  1. Voor- en vroegschoolse educatie
  2. Drentse Onderwijsmonitor: Kinderen van 0 tot 4 jaar
  3. Lokale regelgeving: CVDR215132

Related Posts