De belastingaangifte in Nederland is al jaren onderhevig aan wijzigingen, vooral in het kader van box 3, waarin vermogens in beleggingen worden belast. In 2024 zijn er belangrijke wijzigingen in de belastingheffing op dit gebied, met name in verband met het aandeel in VvE-reserves. Deze wijzigingen zijn het resultaat van juridische uitspraken, beleidsbesluiten en wetsvoorstellegemeningen die het kader van de vermogensrendementsheffing herzien. Voor eigenaren van een aandeel in VvE (Vereniging van Eigenaren) is dit van directe betekenis, aangezien hun vermogen in deze organisatie nu onder een andere belastingsituatie valt.
Het aandeel in VvE-reserves, vroeger vaak ingedeeld onder ‘overige bezittingen’, is vanaf 2024 ingedeeld onder ‘banktegoeden’ in het kader van de overbruggingsperiode van box 3. Hierdoor verandert het forfaitaire rendement dat wordt gehanteerd bij de belastingaangifte, evenals het tarief waarmee dit rendement belast wordt. Bovendien is er nu meer mogelijkheid om aan te tonen dat het werkelijke rendement van het vermogen lager is dan het forfaitair berekende rendement, wat de belastingaanslag kan verlagen.
In dit artikel worden de juridische, fiscale en praktische aspecten van deze wijzigingen besproken, met aandacht voor de betekenis van de Hoge Raad-uitspraak van 6 juni 2024, de wijzigingen in het tarief en het heffingsvrije vermogen, en de praktische gevolgen voor eigenaren van een aandeel in VvE.
Wijzigingen in de Vermogensrendementsheffing (box 3)
De belastingheffing op box 3, die betrekking heeft op vermogens in beleggingen, is in 2024 onderhevig aan belangrijke wijzigingen. Deze wijzigingen zijn vastgelegd in het Belastingplan 2024 en zijn ook beïnvloed door rechtspraak, met name de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024. Deze rechtspraak had betrekking op de vraag of de huidige belastingheffing op aandelen in VvE-reserves in strijd is met grondwetten, zoals artikel 14 EVRM (Europese Overeenkomst voor de Rechten van de Mens) en artikel 1 EP (Grondwet).
Het gevolg van deze uitspraak is dat de huidige belastingheffing in box 3 ten hoogste op basis van het werkelijk behaalde rendement moet plaatsvinden. Dit betekent dat belastingplichtigen in principe de mogelijkheid krijgen om aan te tonen dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement, wat kan leiden tot een vermindering van de belastingaanslag.
Stijging van het tarief in box 3
Een van de meest directe wijzigingen in 2024 betreft het tarief waarmee het rendement op banktegoeden en overige bezittingen belast wordt. Het box 3-tarief is gestegen van 32% in 2023 naar 36% in 2024. Deze stijging is bedoeld om de belastingheffing beter in lijn te brengen met het werkelijke rendement dat eigenaren behalen op hun vermogen.
Hoewel het oorspronkelijke wetsvoorstel een tariefstijging naar 34% voorzag, is door amendementen het tarief op 36% gebracht. Deze wijziging is van toepassing op alle vermogens in box 3, inclusief het aandeel in VvE-reserves.
Heffingsvrije vermogenslimiet
Het heffingsvrije vermogen in box 3 is in 2024 niet geïndexeerd. Dit betekent dat de limiet op 57.000 euro per persoon, of 114.000 euro voor fiscale partners samen, niet is aangepast. Dit is in contrast met eerdere jaren waarin deze limiet wel meegereisd was met de inflatie. De niet-indexatie kan betekenen dat een groter deel van het vermogen belast wordt dan in voorgaande jaren, afhankelijk van de hoogte van het vermogen van de belastingplichtige.
Aandeel in VvE-reserves en belastingaangifte
Het aandeel in VvE-reserves is een belangrijk onderdeel van de vermogensrendementsheffing, aangezien het vaak een aanzienlijk vermogen vertegenwoordigt voor eigenaren van appartementen of woningen in een VvE. In 2024 is het juridisch kader voor het belasten van dit vermogen gewijzigd, wat directe gevolgen heeft voor de belastingaangifte.
Onder welke categorie valt het aandeel in VvE-reserves?
In eerdere jaren was het aandeel in VvE-reserves meestal ingedeeld onder ‘overige bezittingen’ in box 3. Hierdoor gold het forfaitaire rendement van 5,38% voor dit vermogen. In 2024 is er echter een belangrijke wijziging: het aandeel in VvE-reserves is nu ingedeeld onder ‘banktegoeden’. Dit betekent dat het forfaitaire rendement dat wordt gehanteerd nu lager is, namelijk 0,12%. Deze wijziging is het gevolg van juridische overwegingen, aangezien het vermogen in VvE-reserves vaak op een bankrekening staat en dus beter in de categorie banktegoeden past.
Deze wijziging is met terugwerkende kracht van toepassing tot en met 1 januari 2023. Dit betekent dat eigenaren van een aandeel in VvE-reserves hun belastingaangifte voor 2023 eventueel moeten aanpassen, indien ze bezwaar hebben gemaakt of hun aanslag is aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad.
Juridische achtergrond en Hoge Raad-uitspraak
De wijziging van de kwalificatie van het aandeel in VvE-reserves is beïnvloed door de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024. In deze uitspraak werd beoordeeld of de huidige belastingheffing op dit vermogen in strijd is met de Europese Overeenkomst voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Nederlandse Grondwet (EP).
De Hoge Raad concludeerde dat de belastingheffing in box 3 ten hoogste op basis van het werkelijk behaalde rendement moet plaatsvinden. Dit betekent dat het forfaitaire rendement niet langer automatisch mag worden gebruikt voor de belastingaanslag, maar dat de belastingplichtige moet kunnen aantonen dat het werkelijke rendement lager is. Dit is een belangrijke wending, omdat het nu mogelijk is om aan te tonen dat het aandeel in VvE-reserves een lager rendement heeft dan het forfaitaire rendement van 0,12%.
Werkelijk rendement en rechtsherstel
Na de uitspraak van de Hoge Raad is de Belastingdienst verplicht om belastingplichtigen de mogelijkheid te geven om hun werkelijke rendement aan te tonen. Hierbij wordt het formulier ‘opgaaf werkelijk rendement’ ingezet. Op basis van deze opgave kan de belastingaanslag worden verlaagd, indien het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.
Deze mogelijkheid is vooral van toepassing op belastingplichtigen die bezwaar hebben gemaakt of wier aanslag is aangehouden in afwachting van deze uitspraken. Voor deze groep is er nu de kans om rechtsherstel te krijgen. Voor andere belastingplichtigen is het nog onduidelijk of zij deze mogelijkheid ook kunnen gebruiken.
Praktische gevolgen voor eigenaren van een aandeel in VvE
De wijzigingen in de belastingheffing op box 3 hebben directe gevolgen voor eigenaren van een aandeel in VvE-reserves. Deze gevolgen zijn zowel juridisch als fiscaal van aard.
1. Aanpassing van de belastingaangifte
Eigenaren van een aandeel in VvE-reserves moeten nu hun vermogen in deze categorie als ‘banktegoeden’ opnemen in hun belastingaangifte. Hierdoor geldt het forfaitaire rendement van 0,12%, wat lager is dan het vroegere rendement van 5,38%. Dit betekent dat het belastingschuld voor deze categorie vermogens aanzienlijk kan dalen.
Deze wijziging is met terugwerkende kracht van toepassing tot en met 2023. Eigenaren die bezwaar hebben gemaakt of wier aanslag is aangehouden, kunnen nu eventueel een aanpassing aan hun belastingaangifte voor 2023 maken. Voor anderen is het nog onduidelijk of deze mogelijkheid ook beschikbaar is.
2. Mogelijkheid tot rechtsherstel
De uitspraak van de Hoge Raad biedt nu een mogelijkheid tot rechtsherstel voor eigenaren van een aandeel in VvE-reserves. Aangezien de huidige belastingheffing in box 3 nu ten hoogste op basis van het werkelijke rendement mag plaatsvinden, is het mogelijk om aan te tonen dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.
De Belastingdienst heeft hiervoor het formulier ‘opgaaf werkelijk rendement’ beschikbaar gesteld. Op basis van deze opgave kan de belastingaanslag worden verlaagd. Dit is vooral van toepassing op eigenaren die bezwaar hebben gemaakt of wier aanslag is aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad.
3. Invloed van het werkelijke rendement
Het werkelijke rendement op het aandeel in VvE-reserves kan variëren per eigenaar, afhankelijk van de hoogte van het vermogen en de rentetariezen die gelden voor dit vermogen. In veel gevallen is het werkelijke rendement lager dan het forfaitaire rendement van 0,12%, wat betekent dat de belastingaanslag kan worden verlaagd.
Het is echter belangrijk om te beseffen dat het werkelijke rendement niet eenvoudig te bepalen is. Het is afhankelijk van de rentetariezen die de VvE voor het reservefonds aanwendt en de manier waarop het vermogen belegd is. Eigenaren moeten hiervoor eventueel juridisch of fiscaal advies inschakelen om te bepalen of ze aanspraak kunnen maken op rechtsherstel.
Juridische en fiscale kaders
De wijzigingen in de belastingheffing op box 3 zijn ingebed in een bredere juridische en fiscale context. Hierbij spelen zowel nationale wetgeving als internationale grondrechtenregelgeving een rol.
1. Wetswijzigingen en beleidsbesluiten
De wetswijzigingen van 2024 zijn ingevoerd in het kader van het Belastingplan 2024. Deze wijzigingen zijn beïnvloed door de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024, die bepaalde aspecten van de huidige belastingheffing in box 3 heeft beoordeeld. Hierbij is geoordeeld dat de belastingheffing in box 3 ten hoogste op basis van het werkelijke rendement mag plaatsvinden, wat een fundamentele wijziging betekent in de manier waarop vermogens in beleggingen belast worden.
Daarnaast zijn er ook beleidsbesluiten genomen door de Staatssecretaris van Financiën. Deze besluiten zijn van toepassing op de manier waarop belastingplichtigen hun werkelijke rendement moeten aantonen en hoe de Belastingdienst deze opgaven verwerkt in de belastingaanslag.
2. Grondrechten en rechtspraak
De uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024 is van fundamenteel belang voor de belastingaangifte in 2024. In deze uitspraak is beoordeeld of de huidige belastingheffing in box 3 in strijd is met artikel 14 EVRM en artikel 1 EP. De Hoge Raad concludeerde dat de belastingheffing in box 3 ten hoogste op basis van het werkelijke rendement mag plaatsvinden. Dit is een belangrijke wending, omdat het nu mogelijk is om aan te tonen dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.
3. Toekomstige wijzigingen
Hoewel de wijzigingen van 2024 al belangrijk zijn, is het duidelijk dat er in de toekomst nog meer wijzigingen zullen komen. Een nieuwe vermogensrendementsheffing in box 3 is gepland voor 1 januari 2027. Deze nieuwe heffing is bedoeld om het forfaitaire rendement beter in lijn te brengen met het werkelijk behaalde rendement. Tijdens de overbruggingsperiode van 2024 tot 2026 gelden de huidige regels, maar deze kunnen eventueel worden aangepast afhankelijk van juridische en fiscale ontwikkelingen.
Conclusie
De wijzigingen in de belastingheffing op box 3 hebben directe gevolgen voor eigenaren van een aandeel in VvE-reserves. Het aandeel in VvE-reserves is nu ingedeeld onder ‘banktegoeden’, wat betekent dat het forfaitaire rendement lager is dan in voorgaande jaren. Bovendien is er nu de mogelijkheid om aan te tonen dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, wat de belastingaanslag kan verlagen.
De uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024 is hierin een belangrijke wending. Deze uitspraak bepaalt dat de belastingheffing in box 3 ten hoogste op basis van het werkelijke rendement mag plaatsvinden. Dit betekent dat eigenaren nu de kans hebben om rechtsherstel te krijgen, mits ze hun werkelijke rendement kunnen aantonen.
De praktische gevolgen van deze wijzigingen zijn duidelijk. Eigenaren van een aandeel in VvE-reserves moeten nu hun belastingaangifte aanpassen, indien nodig, en eventueel aanspraak maken op rechtsherstel. Bovendien is het belangrijk om te beseffen dat het werkelijke rendement op het aandeel kan variëren per eigenaar, afhankelijk van de rentetariezen die gelden voor dit vermogen.
Deze wijzigingen zijn ingebed in een bredere juridische en fiscale context, met name de wetswijzigingen van 2024 en de uitspraak van de Hoge Raad. In de toekomst is te rekenen op verdere wijzigingen, aangezien een nieuwe vermogensrendementsheffing in box 3 gepland is voor 1 januari 2027.
Voor eigenaren van een aandeel in VvE-reserves is het belangrijk om hier goed op voor te bereiden. Het is aan te raden om juridisch of fiscaal advies in te schakelen om te bepalen hoe de wijzigingen van 2024 precies van toepassing zijn op hun situatie. Door deze wijzigingen goed te begrijpen en te hanteren, kunnen eigenaren ervoor zorgen dat hun belastingaangifte in 2024 accuraat is en eventueel voordelen uit de wijzigingen worden gerealiseerd.