In 2013 ontdekte scriptiestudente Charlotte van den Berg per ongeluk dat Joodse oorlogsslachtoffers uit Amsterdam, die waren ondergedoken of gedeporteerd, bij terugkeer alsnog de achterstallige erfpacht en een renteboete moesten betalen. Burgemeester Eberhard van der Laan noemde deze handelswijze in de raadsvergadering van 3 april 2013 “formalistisch, bureaucratisch en kil.” Namens het college van B en W, en de fractievoorzitters in de raad, stelde hij dat “benoemd moet worden wat mis is gegaan, en dat wat rechtgezet kan worden, rechtgezet zal worden.” Het NIOD kreeg daarna de eer om onderzoek te doen. Het eindresultaat werd 20 november 2015 in boekvorm gepresenteerd. Toen nam Van der Laan het eerste exemplaar in ontvangst.
De kwestie van Joodse erfpacht in Amsterdam dateert terug tot de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Tijdens deze periode moesten Joodse huizenbezitters die waren ondergedoken of gedeporteerd, bij hun terugkeer erfpacht en renteboete betalen voor de jaren dat ze hun woning niet bezaten. Deze praktijk heeft geleid tot een langdurig debat over rechtsherstel en financiële compensatie. In de jaren na de oorlog ontstond een situatie waarin de gemeente Amsterdam omstreden boetes innen kon van mensen die door de oorlog hun woning hadden verloren of waren gedwongen te vluchten.
Historische context van de Amsterdamse Jodenbuurt
De Amsterdamse Jodenbuurt was vanaf de 16e eeuw de grootste Jodenwijk in Nederland. Eind 16e eeuw vluchtten Spaanse- en Portugese Joden voor de Spaanse inquisitie en vestigden zich in Amsterdam. In de loop van de 17e eeuw bood de wijk een veilige thuishaven aan Joden afkomstig uit Centraal- en Oost-Europa, die vluchtten voor pogroms in Polen en Rusland.
Gedurende de 19e en 20e eeuw heerste er grote armoede in de wijk. Veel aftandse gebouwen werden onbewoonbaar verklaard en vervolgens gesloopt. Deze ontwikkeling had een grote impact op de Joodse gemeenschap, die zich na de Tweede Wereldoorlog moest herstellen van zowel fysieke als emotionele schade.
De oorzaak van de erfpachtkwestie
Na de Tweede Wereldoorlog stond het Joodse deel van de bevolking voor een complexe situatie. Velen hadden hun woningen verloren of waren gedwongen te vluchten. Wanneer deze personen terugkeerden, moesten ze niet alleen hun woning terugbetalen, maar ook de achterstallige erfpacht en renteboete voor de jaren waarin ze hun woning niet bezaten. De gemeente Amsterdam had namelijk het recht om erfpacht in te eisen, ook als de eiser tijdelijk of permanent weg was.
Het NIOD onderzocht deze kwestie en concludeerde dat de gemeente de juridische mogelijkheid had om deze boetes kwijt te schelden. Andere gemeenten, zoals Den Haag, kozen voor deze route. De keuze van Amsterdam om deze boetes niet kwijt te schelden leidde tot verdere discussies over rechtsherstel.
In het najaar van 2014 had de gemeenteraad, op basis van eerdere conclusies van het NIOD, al besloten tot het terugbetalen van de opgelegde renteboete. Hiervoor werd 820.000 euro vrijgemaakt. Daarnaast werd nog eens 52.000 euro vrijgemaakt voor het terugbetalen van tegoeden van Joodse Amsterdammers bij de gemeentegiro, die na de oorlog nooit zijn teruggevraagd. Voor het opsporen van de benadeelden of hun nabestaanden en de beoordeling van de claims is door de gemeente de onafhankelijke Stichting Individuele Terugbetalingen Amsterdam (ITA) opgericht.
De collectieve tegemoetkoming van Amsterdam
Uit het onderzoek van het NIOD bleek dat het totaalbedrag aan geïnde boetes bij benadering 820.000 euro bedroeg. Dit cijfer is een extrapolatie vanuit de aangetroffen bedragen in guldens naar een vermoedelijk totaal; het bedrag in guldens is omgerekend naar euro’s en vervolgens met rente op rente omgerekend naar 2014.
Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en Genocidestudies heeft na onderzoek opgemerkt dat de gemeente Amsterdam door de erfpachtkwestie, omgerekend naar 2016, vijf tot tien miljoen euro heeft ontvangen. De exacte hoogte van het bedrag is volgens de onderzoekers niet vast te stellen. De gemeente Amsterdam stelde tien miljoen euro beschikbaar voor de Joodse gemeenschap. Dit bedrag is een tegemoetkoming aan de Joodse slachtoffers en hun nabestaanden, die na de Tweede Wereldoorlog erfpacht aan de gemeente moesten betalen. Door het innen van deze erfpacht heeft de gemeente nu geld in bezit dat het liever niet wil hebben, zo luidt het.
Er is al een stichting in het leven geroepen waar individuen een aanvraag kunnen indienen voor een deel van het bedrag. Ook wil de gemeente Amsterdam dat het meerendeel van de totaalsom zal worden besteed aan projecten of andere plannen voor de Joodse gemeenschap in de hoofdstad.
De werking van de Stichting Individuele Terugbetalingen Amsterdam (ITA)
De Stichting Individuele Terugbetalingen Amsterdam (ITA) is een onafhankelijke stichting die is opgericht door de gemeente Amsterdam voor het opsporen van de benadeelden of hun nabestaanden en de beoordeling van de claims. Nabestaanden van Joodse Amsterdammers die tijdens de Tweede Wereldoorlog onterecht erfpacht moesten betalen, kunnen een aanvraag doen om het geld terug te krijgen. Als het verzoek terecht is, betaalt de gemeente het bedrag terug.
Uit onderzoek van het NIOD blijkt dat de gemeente na de oorlog aan zeker 240 mensen een boete heeft gestuurd voor niet betaalde erfpacht, terwijl ze waren ondergedoken, vastgezet of naar concentratiekampen waren gestuurd. Nabestaanden kunnen op een lijst zien of de naam van hun (voor)ouders daarop staat en online een verzoek indienen.
Daarnaast is er onderzoek in de Amsterdamse archieven gedaan naar 'slapende girorekeningen' van oorlogsslachtoffers tussen 1940 en 1954. Daaruit blijkt dat er zo’n 900 rekeningen nooit meer zijn opgevraagd, waardoor het geld naar de gemeente ging. Nabestaanden kunnen ook dat geld terugvragen bij de stichting Individuele Terugbetalingen Amsterdam.
De uitkomsten van de compensatieactie
De gemeente Amsterdam is er niet in geslaagd om het hele bedrag dat zij had gereserveerd voor gedupeerden van de Joodse erfpachtboetes uit te geven. Van de één miljoen euro die de gemeente beschikbaar stelde, is slechts twee ton aan slachtoffers en nabestaanden besteed. Dit blijkt uit het reeds openbaar geworden rapport van de commissie, die in opdracht van de gemeente de terugbetalingen moest regelen. Het gaat om de Joodse gedupeerden die na de Tweede Wereldoorlog een boete moesten betalen over erfpacht die tijdens de bange jaren ’40-’45 niet door hen was betaald.
Verder blijkt uit het rapport dat veel van het geld is besteed aan extra onderzoek en overheadkosten voor de commissie. Deze moest claims op de ten onrechte betaalde boetes in behandeling nemen en stond onder het voorzitterschap van oud-bankier Hein Blocks. In totaal werden er 81 aanvragen in behandeling genomen voor boetes op erfpacht en dertien voor niet opgehaalde tegoeden van de gemeentegiro – geldbedragen op de gemeentelijke giro van Amsterdamse Joden die de Sjoa niet overleefden. Hiervan werden er respectievelijk 49 en zes gehonoreerd. De rest viel niet te honoreren, omdat er sprake zou zijn van onvoldoende bewijs. De gemeente betaalde vooralsnog ruim 61.500 euro uit aan Joden die ten onrechte een geldstraf hadden betaald.
De rol van het NIOD
Het NIOD Instituut voor Oorlog-, Holocaust- en Genocidestudies heeft een essentiële rol gespeeld in het onderzoek naar de kwestie van Joodse erfpacht in Amsterdam. Het instituut werd door de gemeente aangestuurd om duidelijkheid te verschaffen over het handelen van de gemeente Amsterdam ten aanzien van teruggekeerde Joodse burgers. De gemeente had zichzelf tot taak gesteld zo uitputtend mogelijk te onderzoeken of er nog financiële restituties nodig zijn.
Het Centraal Joods Overleg maakte deel uit van de klankbordgroep en was nauw bij het onderzoek betrokken. De conclusies van het NIOD werden gepresenteerd in een boek dat in 2015 werd gepubliceerd. De gemeente Amsterdam stelde tien miljoen euro beschikbaar voor de Joodse gemeenschap, op basis van deze onderzoeksresultaten.
Conclusie
De kwestie van Joodse erfpacht in Amsterdam is een complexe historische en juridische zaak, die zich ontwikkelde in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Het innen van erfpacht en renteboetes van Joodse huizenbezitters die waren ondergedoken of gedeporteerd, heeft geleid tot een langdurig debat over rechtsherstel en financiële compensatie. Het NIOD onderzocht deze kwestie en stelde vast dat de gemeente Amsterdam juridisch in staat was om deze boetes kwijt te schelden.
De gemeente Amsterdam koos uiteindelijk voor een collectieve tegemoetkoming van tien miljoen euro aan de Joodse gemeenschap. Het bedrag is bedoeld voor het ondersteunen van projecten en programma’s voor de Joodse gemeenschap in Amsterdam. Hoewel de gemeente niet in staat was om het hele bedrag te besteden aan individuele herstelacties, zijn er wel maatregelen genomen om nabestaanden van Joodse Amsterdammers te ondersteunen. De Stichting Individuele Terugbetalingen Amsterdam speelde een centrale rol in de evaluatie en uitvoering van deze compensatie.