De Nederlandse woningmarkt en de uitdagingen rondom duurzaamheid, verduurzaming en funderingsproblematiek zijn ingewikkeld. In dit domein treedt Paulus Jansen op als een sleutelfiguur die decennialang de brug slaat tussen technische bouwkunde, politieke besluitvorming en maatschappelijke belangenbehartiging. Zijn traject loopt van de bouwpraktijk naar het politieke toneel en vervolgens naar de landelijke belangenbehartiging van huurders. Deze unieke combinatie van ervaring maakt hem tot een autoriteit in de discussie over hoe we wonen, hoe we woningen duurzaam maken en hoe we omgaan met de fysieke en financiële risico's die hieraan verbonden zijn.
Jansen's visie op duurzaam wonen is niet beperkt tot energiezuinige woningen; het omvat een breed spectrum van uitdagingen, variërend van funderingsherstel tot de huisvesting van studenten en de participatie van huurders in lokale netwerken. Zijn benadering is gekenmerkt door een verschuiving van een individuele naar een collectieve aanpak, een noodzakelijke stap in een tijdperk waarin de complexe problemen van de wijk alleen opgelost kunnen worden door samenwerking tussen corporaties, overheden en maatschappelijke organisaties.
Een Levensloop van Bouwkunde naar Beleidsvorming
Om de diepgang van Jansen's bijdrage aan duurzaam wonen te begrijpen, is het essentieel om zijn achtergrond te analyseren. Zijn carrière is een voorbeeld van hoe technische kennis en politiek inzicht samenkomen. Jansen studeerde bouwkunde aan de Technische Universiteit Eindhoven. Deze academische basis vormde het fundament voor een periode van achttien jaar waarin hij werkzaam was in de bouwsector en bij een ingenieursbureau. Deze jaren gaven hem een grondig begrip van de fysieke realiteit van gebouwen, waaronder de kwetsbaarheid van funderingen en de technische eisen van duurzaamheid.
Na deze technische periode stapte hij over naar de politiek. Hij werd lid van de Sociaal-Politieke Partij (SP) in 1974 en bekleedde diverse bestuursfuncties op lokaal, regionaal en landelijk niveau. Zijn politieke carrière omvatte een periode als lid van de Tweede Kamer tussen 2006 en 2014, waarin hij woordvoerder was voor bouwen, wonen, energie, water en ruimte. In deze rol was hij ook voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu. Deze positie gaf hem invloed op wetgeving die de basis vormt voor duurzame woningbouw en herstel.
Na zijn tijd in de Kamer volgde een periode als wethouder voor de gemeente Utrecht, waar hij verantwoordelijk was voor wonen, ruimtelijke ordening, vastgoed, sport en dierenwelzijn. In deze rol zette hij zich in voor de huisvesting van studenten en de doorstroming van afgestudeerden die in de stad wilden blijven. Sinds juni 2018 fungeert hij als algemeen directeur van de Woonbond, de landelijke belangenvereniging van huurders en huurdersorganisaties. De Woonbond beschikt over 50 betaalde medewerkers en een onafhankelijk Kennis- en Adviescentrum. Deze rol stelt hem in staat om direct in te spelen op de behoeften van de achterban, de groep kwetsbare huurders die vaak het meest geraakt wordt door funderingsproblemen en de noodzaak van verduurzaming.
De Uitdaging van Funderingsherstel en Verzaking
Een van de meest dringende technische uitdagingen in het Nederlandse woningbezit is het probleem van verzakking door paalrot. Dit is een kwestie waar Jansen persoonlijk met zich heeft bezighouden, zowel vanuit zijn technische achtergrond als vanuit zijn politieke en bestuurlijke rol. Het probleem is complex: veel woningen, vooral die gebouwd in de eerste helft van de twintigste eeuw, staan op houten palen die door rotting hun draagkracht verliezen, wat leidt tot verzakking van het pand.
Jansen heeft een sleutelrol gespeeld in de totstandkoming van het Kenniscentrum Aanpak Funderingsherstel (KCAF). Dit centrum kwam tot stand na een lange periode van voorbereiding. Hoewel Jansen al in 2007 contact had met Ad van Wensen, een bouwtechnisch adviseur die zich op dit probleem richtte, duurde het bijna tien jaar voordat het KCAF daadwerkelijk van de grond kwam. Als Tweede Kamerlid heeft Jansen, samen met Bas Jan van Bochove en Staf Depla, een duwtje in de rug gegeven aan de oprichting, onder meer door een bescheiden startsubsidie van het Rijk te regelen.
Het probleem van funderingsherstel illustreert een fundamenteel verschuiving in aanpak die Jansen voorstander is. De individuele aanpak, waarbij elke bewoner zelf de kosten moet dragen, is vaak ondoelmatig en duur. Jansen benadrukt dat als sommige bewoners de financiering niet op eigen kracht rondkrijgen, het in ieders belang is om een collectieve oplossing te vinden.
In veel gevallen kost het overslaan van een huis halverwege een blok méér dan het meenemen van de kosten voor de andere bewoners. Dit geldt ook voor verduurzaming. Als een deel van de woningen in een blok is verkocht aan eigenaar-bewoners, kunnen deze eigenaars vaak geen animo hebben om mee te doen met verduurzaming. Ze kunnen te krap bij de kas zitten, recentelijk geld hebben besteed aan een nieuwe keuken, of de investering niet opwegen tegen de baten. Het overslaan van deze woningen in een collectief verduurzamingsproject blijkt echter vaak duurder dan het gratis meenemen van de kosten.
Deze observatie leidt tot een kerninzicht: de collectieve aanpak is niet alleen maatschappelijk wenselijk, maar ook economisch rationeler. Door de kosten te spreiden over het hele blok of complex, kunnen de kosten per eenheid worden verlaagd en kan de technische uitvoering efficiënter worden. Jansen noemt dit een noodzakelijke stap voor de verduurzaming van de Nederlandse woningvoorraad.
Studentenhuisvesting als Hoeksteen van Duurzaam Wonen
De huisvesting van studenten is een cruciaal onderdeel van de stedelijke dynamiek en een gebied waar Jansen als wethouder van Utrecht intensief aan heeft gewerkt. In Utrecht studeren aan hogescholen en de universiteit ongeveer 65.000 studenten. Van deze groep woont ruim 30.000 uitwonend. Hiervan huren ongeveer 13.000 van de Stichting Studenten Huisvesting (SSH) en 17.000 van particulieren.
Jansen merkt op dat iedereen in Utrecht wil wonen, maar dat niet iedereen in de binnenstad kan wonen. De uitdaging is het vinden van geschikte plekken met voorzieningen die voor studenten interessant zijn. Het gebied rondom het nieuwe station Vaartsche Rijn wordt als zeer interessant beschouwd voor studenten. Daarnaast verwacht Jansen dat in de toekomst meer studenten voor Leidsche Rijn zullen kiezen, gezien de goede voorzieningen en de bereikbaarheid met trein en sneltram naar De Uithof binnen twintig minuten.
De groei van het aantal studenten dat in Utrecht wil wonen blijft aanhouden. Om hierop in te spelen, is er een plan om tot en met 2021 ruim 4.200 woningen op te leveren. Van deze woningen zijn er 2.350 zelfstandige eenheden specifiek voor studenten. Deze woningen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam. Jansen benadrukt dat duurzaamheid in studentenhuizen vaak een "ondergeschoven kindje" is; er moet actief iets aan gedaan worden.
Er is ook aandacht voor internationale studenten. Deze groep komt vaak terecht in gemeubileerde kamers. Jansen wil samen met coöperaties kijken of het aanbod voor internationale studenten in nieuwe complexen kan worden vergroot en of de bestaande huisvesting kan worden verbeterd. Een belangrijk punt is het stimuleren van mix: buitenlandse studenten moeten vaker gemixt worden met Nederlandse studenten om sociale cohesie te bevorderen.
Bovendien is er een streven om de medezeggenschap te verbeteren. Bij de SSH is de zeggenschap redelijk goed geregeld, en een organisatie als Boks functioneert prima. Maar Jansen wil dat ook huurders die bij particulieren wonen een grotere inspraak krijgen, bijvoorbeeld bij onderhoud en het regelen van nieuwe bewoners. Dit is moeilijk af te dwingen, maar het is een belangrijk aspect van duurzaam wonen: de betrokkenheid van de bewoner bij het beheer van de woning.
Participatie en Lokale Netwerken
De rol van de huurder in het besluitvormingsproces is een ander kernonderdeel van Jansen's visie op duurzaam wonen. De Woningwet heeft de zeggenschap van de huurders vergroot, waardoor huurdersorganisaties volwaardige partners zijn bij het maken van lokale prestatieafspraken. Desondanks is de participatie van huurders voor veel corporaties nog steeds een "verplicht nummer".
Jansen stelt dat het gesprek met de achterban de basis moet zijn. De klassieke opvatting dat corporaties weten wat goed is voor hun huurders is nog niet volledig uitgebannen. Dit gesprek is echter juist nodig in deze tijd, omdat de groep kwetsbare huurders alleen maar toeneemt, ouderen langer zelfstandig blijven wonen en de verduurzaming van alle huurwoningen een forse opgave is.
Corporaties werken samen met andere maatschappelijke organisaties om die complexe problemen in de wijk aan te pakken. De vraag is hoe de huurders in die lokale netwerken mee kunnen praten. Jansen wijst erop dat huurders geen professionals zijn met een voltijdbaan, wat het gesprek bemoeilijkt. Toch ziet hij genoeg kansen voor bestuurders en toezichthouders om op een andere manier in gesprek te gaan met huurders. Een voorbeeld hiervan zijn de debatten die Pakhuis De Zwijger in Amsterdam organiseert over prangende kwesties over wonen. Op deze debatten komen naast maatschappelijke organisaties ook bewoners samen om te praten over de toekomst van hun wijk.
Deze aanpak benadrukt dat duurzaam wonen niet alleen gaat over technische specificaties, maar ook over sociale duurzaamheid en participatie. Door de bewoners te betrekken bij beslissingen over onderhoud, verduurzaming en de inrichting van de wijk, ontstaat een sterker gevoel van eigenaarschap en verantwoordelijkheid. Dit is essentieel voor het succes van verduurzamingsprojecten en het oplossen van funderingsproblemen.
Technische en Financiële Aspecten van Verduurzaming
De verduurzaming van de woningvoorraad is een van de grootste uitdagingen voor de Nederlandse samenleving. Jansen heeft hierover uitgebreid gesproken, met name tijdens het RiskCongres Lokaal Bestuur. Zijn betoog ging over bestuurlijke risico's rondom het klimaat en de verzakking van vastgoed.
Een belangrijk aspect van verduurzaming is de financiële haalbaarheid. Als een deel van de woningen in een blok is verkocht aan eigenaar-bewoners, kunnen deze eigenaars vaak geen animo hebben om mee te doen met verduurzaming. Ze kunnen te krap bij de kas zitten, recentelijk geld hebben besteed aan een nieuwe keuken, of de investering niet opwegen tegen de baten. Het overslaan van deze woningen in een collectief verduurzamingsproject blijkt echter vaak duurder dan het gratis meenemen van de kosten.
Jansen geeft voorbeelden van projecten waar deze dynamiek zichtbaar is. Zo toonde hij een foto van een nul-op-de-meter-renovatie van corporatie Lefier in Stadskanaal, een complex met uitsluitend sociale huurwoningen. Ook wees hij op een verduurzamingsproject van corporatie Heemwonen in Kerkrade, waar hij in 2013 ging kijken. In dit project was een deel van de woningen in de loop van de jaren verkocht. Een ander voorbeeld kwam uit de Flevopolder, waar corporatie De Goede Stede in Almere een aantal woningen had verkocht in een te renoveren complex.
Deze voorbeelden illustreren dat de collectieve aanpak essentieel is. Als sommige bewoners op eigen kracht de financiering niet rondkrijgen, is het in ieders belang om daar een mouw aan te passen. Het overslaan van een huis halverwege het blok kost soms méér dan het gratis meenemen van de kosten van de andere bewoners. Dit geldt ook voor funderingsherstel. De collectieve aanpak is dus niet alleen een morele plicht, maar ook een economische noodzaak.
De Rol van de Woonbond en Toekomstige Uitdagingen
Als algemeen directeur van de Woonbond heeft Jansen een centrale rol in het behartigen van de belangen van huurders. De Woonbond heeft 50 betaalde medewerkers en een onafhankelijk Kennis- en Adviescentrum. Deze structuur stelt de organisatie in staat om niet alleen te pleiten voor de rechten van huurders, maar ook om kennis te genereren en te verspreiden over onderwerpen zoals verduurzaming, funderingsherstel en de rol van de huurder in lokale netwerken.
Jansen is ook voorzitter van het Landelijk Fietsplatform, het Landelijk Overleg Consumenten Openbaar Vervoer (LOCOV) en de strategische adviesraad energie van TNO. Deze functies onderstrepen zijn brede betrokkenheid bij duurzame mobiliteit en energieovergang, twee cruciale aspecten van duurzaam wonen.
In de toekomst zal de focus liggen op het verbeteren van de medezeggenschap voor huurders die bij particulieren wonen. Dit is moeilijk af te dwingen, maar het is een belangrijk aspect van duurzaam wonen. Daarnaast is er een streven om de verduurzaming van alle huurwoningen te versnellen, met name in het licht van de toenemende groep kwetsbare huurders en de noodzaak van klimaatadaptatie.
Jansen's visie op de toekomst van wonen is erop gericht dat duurzaamheid niet een optioneel aspect is, maar een kernonderdeel van elke woningeinrichting. Dit geldt voor zowel sociale huurwoningen als particuliere verhuur. De uitdaging is om de technische en financiële aspecten van verduurzaming te combineren met de sociale dimensie van participatie en medezeggenschap.
Conclusie
Paulus Jansen's bijdrage aan het domein van duurzaam wonen is meervoudig en diepgaand. Vanuit zijn technische achtergrond als bouwkundige, zijn politieke ervaring als Kamerlid en wethouder, en zijn huidige rol als directeur van de Woonbond, biedt hij een holistische benadering van de uitdagingen rondom wonen.
Zijn kerninzicht is dat de individuele aanpak van funderingsherstel en verduurzaming vaak ondoelmatig is en dat een collectieve aanpak noodzakelijk is voor zowel de technische als de financiële haalbaarheid. Dit geldt voor zowel sociale als particuliere woningvoorraad. Daarnaast benadrukt hij het belang van de participatie van huurders in lokale netwerken en de noodzaak om de medezeggenschap te verbeteren, zelfs voor huurders bij particulieren.
De uitdagingen van de toekomst omvatten de huisvesting van studenten, de verduurzaming van de woningvoorraad, het oplossen van funderingsproblemen en het bevorderen van sociale cohesie door participatie. Jansen's visie is dat deze uitdagingen alleen opgelost kunnen worden door samenwerking tussen overheid, corporaties, maatschappelijke organisaties en bewoners. De collectieve aanpak is niet alleen een morele plicht, maar ook een economische noodzaak voor een duurzame toekomst van het Nederlandse wonen.