Inleiding
De voor- en vroegschoolse educatie (VVE) speelt een essentiële rol in het voorkomen en verminderen van onderwijsachterstanden bij jonge kinderen. Het beleid rond VVE wordt grotendeels bepaald door wettelijke regels en lokaal beleid, waarbij besluitvorming een cruciale factor is. Dit artikel richt zich op het stroomschema van de besluitvorming rond de voor- en vroegschoolse educatie, met een nadruk op het beleid, samenwerking en processen die in een aantal gemeenten zoals Heemskerk en Rhenen worden toegepast. Uit de beschikbare informatie blijkt dat de besluitvorming complex is en vaak uit meerdere niveaus bestaat, waaronder het college van burgemeester en wethouders, directeuren, werkgroepen en teammandaten.
In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de processen en verantwoordelijkheden die bij de besluitvorming horen, met aandacht voor de rol van coördinatoren, de samenwerking tussen partijen en de wettelijke kaders waarbinnen besluiten genomen worden. Daarnaast wordt ingegaan op de rol van het mandaatbesluit, de invloed van het doelgroepsbeleid en de uitvoering van het beleid op praktisch niveau, zoals in de pilotgroepen voor de VVE.
Het doel van het artikel is om een duidelijk stroomschema op te stellen dat het beleid en de praktijk van besluitvorming in de VVE op een transparante en begrijpelijke manier belicht. De informatie is gebaseerd op officiële bronnen en beleidsdocumenten van gemeenten, waaronder Heemskerk en Rhenen. Hiermee kan worden ingezien hoe de besluitvorming in de praktijk werkt en welke structuren er zijn opgesteld om samenwerking en effectiviteit te bevorderen.
Besluitvorming op gemeentelijk niveau
De besluitvorming rond de voor- en vroegschoolse educatie begint op het niveau van het college van burgemeester en wethouders. Deze autoriteit heeft de bevoegdheid om beleidslijnen vast te leggen en richtlijnen te geven voor de uitvoering van het VVE-beleid. In de praktijk betekent dit dat het college een algemeen beleidsplan kan opstellen dat vervolgens uitgevoerd wordt door directeuren en andere functionarissen binnen de gemeente.
Een belangrijk hulpmiddel in de besluitvorming is het mandaatbesluit. Dit besluit bepaalt welke bevoegdheden aan wie worden toegekend en hoe deze kunnen worden ingezet. In het voorbeeld van gemeente Midden-Groningen is duidelijk gemaakt dat het college en de burgemeester zelf doormandateren in plaats van telkens de (onder)gemandateerden te laten ondermandateren. Hierdoor kan de besluitvorming worden beperkt tot één algemeen mandaatbesluit. Dit systeem maakt het mogelijk om bevoegdheden op een efficiënte manier te beleggen en beheersen.
Het mandaatbesluit bevat in grote lijnen welke bevoegdheden waar worden belegd. Aanvullend daarop worden er bijlagen gemaakt, zoals bijlage 5 en bijlage 8, waarin de functienamen van medewerkers en teams worden opgenomen. Deze documenten zijn essentieel voor het vaststellen van wie verantwoordelijk is voor welk deel van de besluitvorming. In de praktijk betekent dit dat de directeuren bevoegdheden kunnen gebruiken voor de taken van teams die onder hen vallen. Dit maakt het mogelijk om de besluitvorming op een gerichte en doelgerichte manier te organiseren.
Mandaatlijn en toegankelijkheid
Een van de voordelen van het doormandateren door het college is dat de toegankelijkheid van bevoegdheden verbeterd wordt. In het voorbeeld van gemeente Midden-Groningen is aangegeven dat de functienamen van medewerkers die gebruik maken van mandatering opgenomen moeten zijn in een teammandaatformulier. Deze formulieren worden gedagtekend en ondertekend door de directeur en komen vervolgens op de website van de gemeente beschikbaar. Door deze transparantie wordt duidelijk wie bevoegdheden heeft en hoe deze kunnen worden ingezet.
Het bijhouden van deze formulieren ligt bij de teamleiders, die in overleg met hun teams de juiste namen en bevoegdheden kunnen vastleggen. Deze aanpak zorgt ervoor dat er geen dubbelzijdigheid is in wie verantwoordelijk is voor welk deel van de besluitvorming. Het stroomschema van de mandaatlijn maakt het mogelijk om snel te achterhalen wie verantwoordelijk is voor welke besluitvorming en hoe deze bevoegdheden op welk niveau kunnen worden ingezet.
Beleidsoverleg en werkgroepen
Naast het mandaatbesluit is er ook een rol voor werkgroepen en beleidsoverleg. Deze structuren zorgen ervoor dat de besluitvorming op lokaal niveau goed georganiseerd is en dat er sprake is van samenwerking tussen de betrokken partijen. In de praktijk betekent dit dat er bijvoorbeeld een werkgroep VVE bestaat, waarin de resultaten van de voorschoolse educatie worden besproken en waarin de voortgang van het beleid wordt beoordeeld.
Daarnaast is er het beleidsoverleg jeugd-onderwijs, waarin de samenwerking tussen jeugdzorg en onderwijs wordt besproken en waarin eventuele aansluitingsproblemen worden doorgepraat. Deze overlegstructuren zorgen ervoor dat er een doorgaande lijn is in het beleid en dat er sprake is van coördinatie tussen de betrokken partijen.
Doelgroepcriteria en doelgroepbereik
Een ander belangrijk aspect van de besluitvorming rond de voor- en vroegschoolse educatie is het bepalen van doelgroepcriteria en het bereik van de educatie. In de praktijk wordt gebruikgemaakt van de gewichtenregeling van het primair onderwijs, die een wettelijke basis biedt voor de bepaling van doelgroepkinderen. Deze regeling is gebaseerd op het opleidingsniveau van de ouders van het kind. Als de ouders na het basisonderwijs geen of nauwelijks een opleiding hebben genoten, wordt een gewicht aan de leerling toegekend.
Voor kinderen met een gewicht ontvangen scholen extra middelen om onderwijsachterstanden te voorkomen of te bestrijden. Voor de doelgroepbepaling voor de voorschoolse educatie wordt aangesloten bij de gewichtenregeling die voor de vroegschoolse educatie wordt gehanteerd. Deze regeling is echter beperkt en is daarom met een aantal criteria aangevuld. Dit maakt het mogelijk om de doelgroep te bepalen op een duidelijke manier en om de toeleiding naar de voorschoolse educatie beter te regelen.
Pilotgroepen en praktijkuitvoering
Een concreet voorbeeld van hoe het VVE-beleid wordt uitgevoerd, is te zien in de pilotgroepen die in sommige gemeenten zijn opgezet. Een dergelijke pilotgroep is de peutergroep Willem Teellinck in een gemeente. Deze groep is een pilot-startgroep, wat betekent dat de school de regie heeft over de groep. De groep wordt volledig gefinancierd uit middelen voor VVE en niet uit middelen voor reguliere peuteropvang.
De overige kosten bestaan onder andere uit kosten voor ouderprogramma’s, bijdrage bibliotheek, VVE-coördinator, voorlichting en scholing. De verdeling van deze middelen wordt besproken in de VVE-werkgroep. Deze aanpak maakt het mogelijk om specifieke doelgroepen beter te bereiken en om het beleid op praktisch niveau te testen.
De rol van de coördinator VVE
Een belangrijke figuur in de uitvoering van het VVE-beleid is de coördinator voor- en vroegschoolse educatie. Deze medewerker heeft een centrale rol in de toeleiding van kinderen naar de voorschoolse educatie en in de samenwerking met ouders en andere partijen. In het voorbeeld van gemeente Rhenen is aangegeven dat de coördinator een medewerker van de GGDrU is, die ook verpleegkundige is in de jeugdgezondheidszorg. Deze combinatie maakt het mogelijk om al vroeg contact te leggen met ouders en om eventuele problemen op een vroegtijdige manier aan te kaarten.
De coördinator heeft diverse werkzaamheden, zoals de toeleiding en coördinatie van deelnemers aan het voorschoolse deel van het VVE-traject. Daarnaast zorgt de coördinator ervoor dat de aanmelding van deelnemers aan het VVE-traject wordt verzorgd in afstemming met de voorschoolse voorziening en de jeugdgezondheidszorg. Ook is het de taak van de coördinator om te nagaan of ouders hun kind inschrijven bij de VVE-instelling van hun voorkeur. Zo nodig ondersteunt de coördinator de ouders in dit proces of stemt hij of zij af met de jeugdgezondheidszorg hoe ouders kunnen worden gemotiveerd om hun kind in te schrijven.
Privacy en gegevensuitwisseling
Een andere aspect die van invloed is op de besluitvorming rond de VVE is het beleid rond privacy en gegevensuitwisseling. In de praktijk is het belangrijk om afspraken te maken over samenwerken en hoe om te gaan met privacy en gegevensuitwisseling. In het voorbeeld van gemeente Rhenen is aangegeven dat er in 2015 een samenwerkingsconvenant is ondertekend tussen de gemeente en direct betrokken partijen die deelnemen aan de casusoverleggen. Tevens is een “Aansluitdocument Grondslag samenwerken Zorg en Veiligheid” opgesteld. Het doel van deze afspraken is om de kwaliteit van de dienst- en zorgverlening te waarborgen of te verbeteren, en om de zorg- en gegevensoverdracht voor jeugdigen en volwassenen die dat nodig hebben, op een goede manier te organiseren.
Uitgangspunt bij deze afspraken is dat er geen toestemming wordt gevraagd aan de cliënt (bij jonge kinderen: de ouder) om gegevens te delen, maar dat de cliënt meegenomen wordt in het proces. Het is niet over de cliënt gesproken, maar met de cliënt. Dit principe is ook onderbouwd door het “1 gezin-1 plan-1 regisseur”-principe, dat ervoor zorgt dat er sprake is van een doorgaande lijn in het beleid en dat er geen sprake is van onnodige duplicaties of overlast bij het delen van gegevens.
Risico’s en uitdagingen
Hoewel de besluitvorming rond de VVE sterk is georganiseerd, zijn er ook een aantal risico’s en uitdagingen. In het voorbeeld van gemeente Rhenen is aangegeven dat er risico’s zijn aan het (vervroegd) doorvoeren van de harmonisatie per 1 januari 2017. Deze risico’s zijn onder andere gerelateerd aan de uitvoering van het beleid en de samenwerking tussen partijen. Het is belangrijk om deze risico’s te benoemen en om te zorgen dat er maatregelen worden genomen om deze te beheersen.
Een van de uitdagingen is het feit dat het beleid vaak afhankelijk is van wettelijke kaders en dat er sprake kan zijn van veranderingen in deze kaders. Dit maakt het noodzakelijk om flexibel te zijn in de uitvoering van het beleid en om regelmatig te evalueren of het beleid nog steeds effectief is.
Conclusie
De besluitvorming rond de voor- en vroegschoolse educatie is een complex proces dat op verschillende niveaus plaatsvindt. Het begint op het niveau van het college van burgemeester en wethouders, waar beleidslijnen worden vastgesteld en richtlijnen worden gegeven. Vervolgens wordt dit beleid uitgevoerd door directeuren en andere functionarissen binnen de gemeente. Een essentieel hulpmiddel in deze besluitvorming is het mandaatbesluit, dat bepaalt welke bevoegdheden aan wie worden toegekend en hoe deze kunnen worden ingezet.
Daarnaast spelen werkgroepen en beleidsoverleg een belangrijke rol in de besluitvorming. Deze structuren zorgen ervoor dat er sprake is van samenwerking tussen de betrokken partijen en dat er een doorgaande lijn is in het beleid. Ook is er aandacht voor doelgroepcriteria en doelgroepbereik, die essentieel zijn voor de toeleiding van kinderen naar de voorschoolse educatie.
In de praktijk is het beleid verder vertaald in pilotgroepen, zoals de peutergroep Willem Teellinck, waarin het beleid op concreet niveau wordt uitgevoerd. Hierbij speelt de coördinator VVE een centrale rol in de toeleiding van kinderen en in de samenwerking met ouders en andere partijen. Ook is er aandacht voor privacy en gegevensuitwisseling, wat essentieel is voor het functioneren van het beleid.
Hoewel de besluitvorming rond de VVE sterk is georganiseerd, zijn er ook een aantal risico’s en uitdagingen. Het is belangrijk om deze risico’s te benoemen en om te zorgen dat er maatregelen worden genomen om deze te beheersen. In de toekomst is het belangrijk om flexibel te blijven in de uitvoering van het beleid en om regelmatig te evalueren of het beleid nog steeds effectief is.