Definitie doelgroepkind in voor- en vroegschoolse educatie (VVE)

Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is een cruciale onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid in Nederland. Het doel van VVE is het compenseren van kinderen die in hun vroege ontwikkeling risico lopen op een onderwijsachterstand. Dit is gerealiseerd via een programma dat gericht is op de taalontwikkeling en cognitieve ontwikkeling van jonge kinderen, met name peuters en kleuters. Een essentieel onderdeel van het VVE-beleid is de definitie van het doelgroepkind. Deze definitie bepaalt welke kinderen in aanmerking komen voor het VVE-aanbod.

De definitie van het doelgroepkind varieert per gemeente, aangevuld met nationale richtlijnen en wettelijke kaders. De doelgroepdefinitie is een instrument dat gemeenten gebruiken om kinderen met specifieke kenmerken of risico’s te identificeren. Deze kenmerken zijn vaak gerelateerd aan de sociale en economische situatie van de ouders, de taalontwikkeling van het kind en de resultaten van ontwikkelingsonderzoeken.

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de criteria die gemeenten hanteren bij de bepaling van de doelgroepdefinitie, de rol van de achterstandsscore en de invloed van lokale en nationale richtlijnen op de aanpak van VVE. Ook wordt ingegaan op het belang van een heldere en verantwoorde doelgroepdefinitie binnen het kader van de wettelijke eisen en beleidsambities.

Definitie doelgroepkind in het kader van VVE

Het begrip doelgroepkind wordt binnen de voor- en vroegschoolse educatie gebruikt om kinderen aan te duiden die een risico lopen op een onderwijsachterstand. Deze risico’s worden vaak bepaald aan de hand van specifieke criteria die door gemeenten worden vastgesteld. De gemeente heeft een grote mate van autonomie bij het bepalen van welke kinderen in aanmerking komen voor VVE. Deze autonomie is echter niet willekeurig; gemeenten hanteren meestal nationale richtlijnen en werken samen met consultatiebureaus en andere partners om een passende doelgroepdefinitie te bepalen.

De doelgroepdefinitie kan bijvoorbeeld uitgaan van achtergrondkenmerken van de ouders of de peuter zelf. Voorbeelden van dergelijke kenmerken zijn het opleidingsniveau van de ouders, de thuistaal van het kind en resultaten van ontwikkelingsonderzoeken. Deze kenmerken worden vaak gezien als indicatoren voor een risico op onderwijsachterstand, wat de noodzaak van extra ondersteuning via VVE rechtvaardigt.

Gemeenten hebben de mogelijkheid om de doelgroepdefinitie aan te passen bij de start van een nieuwe GOAB-periode. Dit is vaak het gevolg van veranderingen in de lokale context, zoals demografische ontwikkelingen of veranderingen in de onderwijsbehoeften van de bevolking. Aanpassingen kunnen gedaan worden op basis van landelijke informatie, zoals dashboards van het CBS, maar deze informatie is niet leidend. Gemeenten worden aangeraden om samen met VVE-partners te bespreken of en welke aanpassingen wenselijk zijn.

Criteria voor de identificatie van doelgroepkinderen

De identificatie van doelgroepkinderen voor VVE is gebaseerd op een aantal criteria die gemeenten hanteren. Deze criteria variëren per gemeente, maar er zijn enkele gemeenschappelijke richtlijnen en aanvullende factoren die vaak worden meegenomen in de bepaling van de doelgroepdefinitie.

Een veelgebruikt criterium is de thuistaal van het kind. Kinderen die thuis voornamelijk worden aangesproken in een taal die niet Nederlands is, vallen vaak binnen de doelgroep. Dit criterium is gebaseerd op de veronderstelling dat deze kinderen extra ondersteuning nodig hebben bij de taalontwikkeling in de Nederlandse context.

Een ander criterium is het resultaat van het ‘Van Wiechen’-ontwikkelingsonderzoek. Dit onderzoek is een standaardinstrument voor het inschatten van de ontwikkelingsniveau van peuters. Een onvoldoende resultaat op het communicatieaspect van dit onderzoek kan ertoe leiden dat het kind in aanmerking komt voor VVE.

Naast deze criteria wordt ook rekening gehouden met risico’s op ontwikkelings- en onderwijsachterstanden. Deze risico’s worden vaak geïdentificeerd op basis van de beoordeling van consultatiebureaus of het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Deze partijen doen een inschatting van de ontwikkeling van het kind en bepalen of er sprake is van een risico dat extra ondersteuning via VVE nodig is.

Gemeenten kunnen ook kiezen voor een locatie-gebaseerde aanpak, waarbij alle kinderen op een voorschool automatisch worden beschouwd als doelgroepkinderen. Deze aanpak is minder gebruikelijk, maar wordt soms toegepast in gemeenten waar het doel is om een bredere groep kinderen te bereiken met VVE.

Aanvullende criteria en autonomie van gemeenten

Hoewel er landelijke richtlijnen zijn voor de bepaling van de doelgroepdefinitie, hebben gemeenten voldoende autonomie om deze richtlijnen aan te vullen of aan te passen. Deze autonomie is geregeld in de Wet op de Onderwijsachterstanden (WPO), waarin staat dat gemeenten ten minste jaarlijks overleg moeten voeren over welke kinderen met een risico op een onderwijsachterstand in aanmerking komen voor VVE.

Naast de standaardcriteria kunnen gemeenten ook aanvullende criteria introduceren. Deze criteria kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op de sociale of economische situatie van de ouders, de gezondheid van het kind of andere factoren die relevant zijn voor de ontwikkeling van het kind. Aanvullende criteria worden vaak gebruikt om de doelgroepdefinitie te verfijnen en te zorgen dat kinderen die extra ondersteuning nodig hebben niet worden overgeslagen.

Een belangrijk aspect van deze aanvullende criteria is dat gemeenten deze moeten verantwoorden. Dit gebeurt doorgaans via een duidelijke analyse van de peuterpopulatie in de gemeente en een verband met de beleidsdoelen voor VVE. Deze verantwoording is ook relevant voor de waardering van het VVE-beleid. De kwaliteit van het VVE-aanbod wordt beoordeeld aan de hand van criteria zoals het aantal gerealiseerde kindplaatsen, het gerealiseerde bereik en de effectiviteit van het aanbod.

De autonomie van gemeenten is ook beperkt door wettelijke eisen. Zo moet de gemeente voldoende aanbod van VVE realiseren, zoals vastgelegd in artikel 166 van de WPO. Dit betekent dat de gemeente niet alleen voldoende kinderopvanglocaties met een VVE-aanbod moet hebben, maar ook moet zorgen dat deze locaties voldoende verspreid zijn over de gemeente. Bovendien moet het aanbod voldoen aan de wettelijke basisvoorwaarden voor VVE, zoals de duur van de programma’s en de kwaliteit van de educatieve inhoud.

Het rol van de achterstandsscore

De achterstandsscore speelt een belangrijke rol in de bepaling van de doelgroepdefinitie. Deze score is een landelijk instrument dat gebruikt wordt om te bepalen welke kinderen een risico lopen op een onderwijsachterstand. De achterstandsscore is gebaseerd op een reeks van factoren, zoals de thuistaal van het kind, de migratieachtergrond van de ouders en het opleidingsniveau van de ouders. Deze score wordt gebruikt door het Rijk om de financiering van VVE te bepalen, maar gemeenten hebben de mogelijkheid om hier vanaf te wijken, mits dat goed gemotiveerd wordt.

Hoewel gemeenten de achterstandsscore kunnen gebruiken als basis voor de doelgroepdefinitie, is het ook mogelijk om andere of aanvullende criteria te hanteren. Deze aanvullende criteria kunnen gericht zijn op de lokale context en de specifieke behoeften van de peuterpopulatie in de gemeente. Een voorbeeld van een aanvullend criterium is een feitelijke ontwikkelingsachterstand bij binnenkomst in het kinderdagverblijf. Deze aanpak is steeds meer aan de orde bij gemeenten die willen zorgen dat kinderen die al een ontwikkelingsachterstand vertonen op jonge leeftijd extra ondersteuning krijgen via VVE.

Het gebruik van de achterstandsscore is ook relevant voor de waardering van het VVE-beleid. De kwaliteit van het VVE-aanbod wordt beoordeeld aan de hand van criteria zoals het aantal gerealiseerde kindplaatsen, het gerealiseerde bereik en de effectiviteit van het aanbod. De achterstandsscore helpt bij de bepaling van het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor VVE en zorgt zo voor een consistente benadering op nationaal niveau.

Verantwoording van de doelgroepdefinitie

De bepaling van de doelgroepdefinitie moet worden verantwoord, zowel juridisch als beleidsmatig. Dit is van belang voor de waardering van het VVE-beleid en voor de transparantie van de aanpak. De verantwoording kan gedaan worden op basis van een duidelijke analyse van de peuterpopulatie in de gemeente, zoals uitgevoerd in dashboards van het CBS of andere landelijke bronnen. Daarnaast kan de doelgroepdefinitie ook worden afgeleid van het VVE-beleid en de doelstellingen voor VVE in de gemeente.

Een belangrijk aspect van de verantwoording is het gerealiseerde bereik van het VVE-aanbod. Dit betekent dat de gemeente niet alleen voldoende kinderopvanglocaties met een VVE-aanbod moet hebben, maar ook moet zorgen dat deze locaties worden bezet door doelgroepkinderen. Het gerealiseerde bereik is een maat voor de effectiviteit van het VVE-aanbod en wordt vaak gebruikt om te bepalen of een gemeente haar doelstellingen bereikt.

Een ander aspect van de verantwoording is het aanpassingsvermogen van de doelgroepdefinitie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om de doelgroepdefinitie aan te passen bij de start van een nieuwe GOAB-periode. Deze aanpassing is vaak het gevolg van veranderingen in de lokale context, zoals demografische ontwikkelingen of veranderingen in de onderwijsbehoeften van de bevolking. Aanpassingen kunnen gedaan worden op basis van landelijke informatie, zoals dashboards van het CBS, maar deze informatie is niet leidend. Gemeenten worden aangeraden om samen met VVE-partners te bespreken of en welke aanpassingen wenselijk zijn.

Wettelijke kaders en beleidsambities

De bepaling van de doelgroepdefinitie wordt beïnvloed door een aantal wettelijke kaders en beleidsambities. Deze kaders en ambities vormen een richtlijn voor gemeenten bij het bepalen van welke kinderen in aanmerking komen voor VVE.

Een belangrijk wettelijk kader is de Wet op de Onderwijsachterstanden (WPO). In artikel 166 van de WPO staat dat gemeenten verplicht zijn om voldoende aanbod van VVE te realiseren. Dit betekent dat gemeenten voldoende kinderopvanglocaties met een VVE-aanbod moeten hebben en dat deze locaties voldoende verspreid moeten zijn over de gemeente. Bovendien moet het aanbod voldoen aan de wettelijke basisvoorwaarden voor VVE, zoals de duur van de programma’s en de kwaliteit van de educatieve inhoud.

Een ander wettelijk kader is het waarderingskader voor VVE op gemeentelijk niveau. Dit kader bevat een aantal kwaliteitsgebieden en standaarden die gemeenten moeten naleven. Bijvoorbeeld moet de gemeente geregeld zorgen voor een kwaliteitsbeoordeling van de voorscholen door de GGD. Daarnaast moet er een gemeentelijk VVE-subsidiekader zijn, dat aangeeft hoe de financiering van VVE wordt geregeld.

Naast wettelijke kaders zijn er ook beleidsambities die van invloed zijn op de bepaling van de doelgroepdefinitie. Deze ambities zijn vaak gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het VVE-aanbod en het bereiken van een grotere groep kinderen met een risico op een onderwijsachterstand. Beleidsambities kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het verhogen van het aantal gerealiseerde kindplaatsen of het verbeteren van het gerealiseerde bereik van het VVE-aanbod.

De rol van consultatiebureaus en andere partners

De bepaling van de doelgroepdefinitie wordt vaak gedaan in samenwerking met consultatiebureaus en andere partners. Deze partijen hebben een belangrijke rol bij de identificatie van doelgroepkinderen en de beoordeling van het VVE-aanbod.

Consultatiebureaus doen een inschatting van de ontwikkeling van het kind en bepalen of er sprake is van een risico op een onderwijsachterstand. Deze inschatting wordt vaak gedaan op basis van het resultaat van het ‘Van Wiechen’-ontwikkelingsonderzoek en andere ontwikkelingskenmerken van het kind. De consultatiebureau maakt een inschatting van welke kinderen in aanmerking komen voor VVE en voert deze inschatting door aan de gemeente voor een VVE-indicatie.

Naast consultatiebureaus zijn ook andere partners betrokken bij de bepaling van de doelgroepdefinitie. Denk hierbij aan schoolbesturen, kinderopvanginstellingen en professionele organisaties zoals het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Deze partijen kunnen samenwerken met de gemeente om een passende doelgroepdefinitie te bepalen en het VVE-aanbod te verbeteren.

Conclusie

De definitie van het doelgroepkind in het kader van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is een essentieel onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid in Nederland. Deze definitie bepaalt welke kinderen in aanmerking komen voor VVE en is daarom van groot belang voor de toegankelijkheid en effectiviteit van het programma. De doelgroepdefinitie varieert per gemeente, maar wordt bepaald aan de hand van een reeks criteria die gericht zijn op de risico’s op een onderwijsachterstand. Deze risico’s worden vaak geïdentificeerd aan de hand van achtergrondkenmerken van de ouders of de peuter zelf, zoals de thuistaal van het kind, de resultaten van ontwikkelingsonderzoeken en de sociale en economische situatie van de ouders.

Gemeenten hebben een grote mate van autonomie bij het bepalen van de doelgroepdefinitie, maar deze autonomie is beperkt door wettelijke kaders en beleidsambities. Zo moet de gemeente voldoende aanbod van VVE realiseren en moet het aanbod voldoen aan de wettelijke basisvoorwaarden. Daarnaast moet de gemeente de doelgroepdefinitie verantwoorden, zowel juridisch als beleidsmatig. Dit is van belang voor de waardering van het VVE-beleid en voor de transparantie van de aanpak.

De bepaling van de doelgroepdefinitie wordt vaak gedaan in samenwerking met consultatiebureaus en andere partners. Deze partijen hebben een belangrijke rol bij de identificatie van doelgroepkinderen en de beoordeling van het VVE-aanbod. Door samen te werken met deze partners kan de gemeente ervoor zorgen dat het VVE-aanbod aansluit bij de behoeften van de lokale peuterpopulatie en dat kinderen die extra ondersteuning nodig hebben op jonge leeftijd deze ondersteuning ook krijgen.

In de toekomst is het belangrijk dat gemeenten blijven investeren in het verbeteren van de doelgroepdefinitie en het VVE-aanbod. Dit kan gerealiseerd worden door te werken aan het verhogen van het gerealiseerde bereik van het VVE-aanbod, het verbeteren van de kwaliteit van het aanbod en het aanpassen van de doelgroepdefinitie aan veranderende demografische en sociale ontwikkelingen. Door dit te doen kan VVE blijven functioneren als een belangrijk instrument in het onderwijsachterstandenbeleid en kunnen kinderen die extra ondersteuning nodig hebben op jonge leeftijd ook deze ondersteuning krijgen.

Bronnen

  1. Gemeenten hanteren een zogenoemde doelgroepdefinitie
  2. VVE-doelgroepkinderen in de voorschoolse fase
  3. Doelgroepdefinitie bepalen
  4. Waarderingskader VVE op gemeentelijk niveau
  5. Lokale regelgeving voor VVE

Related Posts