Het financiële kader voor de uitvoering van het VVE-programma in voorschoolse voorzieningen

Inleiding

Het Vroeggeijk Onderwijs (VVE) is een onderdeel van de voorschoolse educatie in Nederland, gericht op kinderen van twee tot en met drie jaar. Het programma heeft tot doel kinderen te voorzien van een actieve en leerzame omgeving om zich sociaal, emotioneel, cognitief en fysiek te ontwikkelen. Omdat de meeste ouders niet in staat zijn om de volledige kosten van zo’n programma te dragen, ontvangen instellingen die VVE aanbieden subsidies van de gemeente, meestal Rotterdam in de context van de bronnen. Deze subsidies worden geregeld op basis van specifieke voorwaarden, berekeningsmethoden en verantwoordingsverplichtingen.

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de financiering van VVE-programma’s, zoals deze worden geregeld in de documenten die beschikbaar zijn. De nadruk ligt op hoe subsidies worden berekend, onder welke voorwaarden ze worden verleend, en welke verantwoordingsverplichtingen instellingen hebben. Bovendien worden eventuele toeslagen en extra financieringsregelingen besproken.

Subsidiebedragen en berekening

Basissubsidie per groep

De subsidiebedragen zijn afhankelijk van de grootte van de groep, het aantal uren dat het programma loopt en of het een VVE-groep is of een zogenaamde groep nul. De subsidiebedragen zijn vastgesteld op basis van standaardgroepsgroottes. Voor groepen met meer of minder dan 13 of 16 kinderplaatsen gelden afwijkende regels.

Groepsgrootte Aantal uren en dagdelen Soort voorziening Subsidiebedrag
13/16 kindplaatsen 12 uur in 3 of 4 dd VVE (zonder voorheen deelgemeentelijke subsidie) € 44.000,00
13/16 kindplaatsen 12 uur in 3 of 4 dd VVE (met voorheen deelgemeentelijke subsidie) € 64.000,00
13/16 kindplaatsen 15 uur in 5 dd Groep nul (zonder voorheen deelgemeentelijke subsidie) € 74.000,00
13/16 kindplaatsen 15 uur in 5 dd Groep nul (met voorheen deelgemeentelijke subsidie) € 94.000,00

Voor groepen die meer dan 16 kinderplaatsen realiseren, wordt het subsidiebedrag verhoogd in verhouding tot het extra aantal kindplaatsen. Bijvoorbeeld: een VVE-groep met 24 kinderplaatsen ontvangt een subsidie van € 66.000,00, berekend als 24/16 * € 44.000,00.

Voor groepen met minder dan 13 kinderplaatsen gelden dezelfde subsidiebedragen als in 2015. Dit betekent dat in zekere mate een overgangsregeling van kracht is voor kleinere groepen, waardoor de financiering minder afhankelijk is van het aantal kinderen.

Extra financiering per peuter

Daarnaast is er een extra subsidiebedrag per kalenderjaar per VVE-groep van € 4.870,00. Deze toeslag is bedoeld voor het behoud en vermeerderen van het aantal HBO’ers op de groep, evenals voor permanente educatie. Deze toeslag is niet gekoppeld aan een specifieke VVE-groep, maar kan als een lumpsum worden ingezet, waardoor maatwerk mogelijk is.

Voor kinderdagverblijven die in 2016 in de fase 2 zijn gestapt (harmonisatie), bedraagt de subsidie per kalenderjaar € 400,00 per peuter voor de uitvoering van een VVE-programma gedurende 10 uur per week. De verlening van deze subsidie is afhankelijk van de prognose van het aantal ingeschreven peuters. Bij een prognose van minder dan vijf twee- en driejarige peuters wordt geen subsidie verleend.

Toeslagen

Naast de basissubsidie zijn er ook toeslagen beschikbaar. Een voorbeeld is de toeslag verbetering kwaliteit en HBO’er op de groep, die € 4.870,00 bedraagt per kalenderjaar per groep. Deze subsidie is bedoeld voor het behoud en vermeerderen van het aantal HBO’ers in de groep en voor permanente educatie. De toekenning is niet gebonden aan een specifieke VVE-groep, waardoor instellingen vrij zijn in de toepassing.

Een andere toeslag is de toeslag huisvesting, die maximaal € 2.500,00 per kalenderjaar per groep kan bedragen. Deze toeslag is bedoeld voor instellingen die hun VVE-groep in een schoolgebouw houden dat niet onderdeel is van de collectieve huurovereenkomst tussen het schoolbestuur en Stadsontwikkeling. Als het schoolgebouw wel onderdeel is van deze overeenkomst, maar bewijs kan worden geleverd dat het deel van het gebouw dat wordt gebruikt voor VVE aantoonbaar is gefinancierd door het schoolbestuur, is de toeslag ook toegankelijk. VVE-groepen in schoolgebouwen vallen onder medegebruik, zoals geregeld in de Verordening Onderwijshuisvesting.

Subsidieduur en verlening

De subsidie loopt meestal in maandverband. De subsidie start op de eerste of vijftiende van de maand waarin de peuter een VVE-plaats bezet. De mogelijkheid om subsidie te ontvangen begint op 1 januari van het relevante kalenderjaar. De subsidie eindigt op de dag waarop de peuter de voorschoolse voorziening verlaat, tenzij dit vooraf is geregeld. In ieder geval eindigt de subsidie uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar.

Voor 2016 geldt als maximum subsidiebedrag per geplaatste peuter € 8,05 per uur, tot 11 uur per week. Dit maximum kan jaarlijks worden aangepast door het college.

Aanvraagprocedure

De aanvraag voor subsidie bevat bepaalde verplichte gegevens. Instellingen moeten bij de aanvraag informatie verstrekken over de geplaatste en door het consultatiebureau aangemelde peuters. Er moet een onderverdeling zijn naar categorieën zoals WKO (Wet Kinderopvang), niet-WKO, geïndiceerd en niet-geïndiceerd. Daarnaast moet worden vermeld waar de betreffende peuters zijn geplaatst en met welke Spil-/onderwijspartner het instelling samenwerkt.

De aanvraag moet ook een onderbouwde berekening van de subsidie bevatten. Per geplaatste peuter mag uitsluitend het aantal VVE-uren worden gedeclareerd. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in artikel 7 van de relevante lokale regelgeving.

Verplichtingen van instellingen

Instellingen die subsidie ontvangen voor VVE hebben bepaalde verplichtingen. Het bestuur bepaalt op basis van actuele inkomensgegevens van ouders welke kinderen in aanmerking komen voor subsidie. De subsidie moet worden ingemend op het door ouders te betalen uurtarief voor gebruik van de VVE-plaats.

Daarnaast moet er een registratiesysteem zijn in gebruik. Instellingen registreren naam, geboortedatum, adres, woonplaats, aanmeldingsdatum, eerste bezoekdatum en laatste bezoekdatum (indien van toepassing) van het kind. Deze gegevens moeten worden ondertekend door een bevoegd persoon. Bij het gebruik van een digitale registratie is een papieren lijst met ondertekening niet vereist, maar er moet wel een verklaring zijn dat de gegevens in het systeem zijn opgenomen.

Voor de verantwoording in 2016 zijn er twee telweken vastgesteld: de week van 1 tot en met 5 februari en van 3 tot en met 7 oktober. In deze telweken wordt het aantal twee- en driejarige peuters geteld dat is ingeschreven voor het VVE-programma. Het gemiddelde van beide telweken bepaalt het aantal kinderen dat voor de subsidie in aanmerking komt. De accountant controleert of deze registratie aanwezig is en of de berekening correct is uitgevoerd.

Financiering via het onderwijsachterstandenbudget

Ook het onderwijsachterstandenbudget speelt een rol in de financiering van VVE-programma’s. Gemeenten ontvangen dit budget van de overheid en kunnen daarmee onder andere VVE financieren. Dit budget is gericht op het compenseren van onderwijsachterstanden, die worden bepaald aan de hand van CBS-indicatoren. Deze indicatoren vormen de basis voor een achterstandsscore per school, die op de CBS-website beschikbaar is.

De financiering van scholen gebeurt op bestuursniveau en kan jaarlijks fluctueren. De achterstandsscores zijn een belangrijk criterium voor de bepaling van het subsidiebedrag. De bedragen worden jaarlijks vastgesteld en kunnen variëren op basis van de achterstandsscore.

Verantwoording van subsidies

De verantwoording van subsidies is een essentieel onderdeel van de financiering. Instellingen moeten bewijzen dat de subsidie correct is gebruikt en dat het VVE-programma is uitgevoerd zoals aangegeven bij de aanvraag. De verantwoording bevat het aantal kinderen dat daadwerkelijk heeft deelgenomen aan het programma en hoeveel uren het programma heeft geduurd. Dit aantal wordt vastgesteld door het tellen van twee- en driejarige peuters in twee telweken per jaar.

De verantwoording moet worden ondertekend door een bevoegd persoon en wordt bewaard bij de instelling. De accountant controleert of de verantwoording correct is en of de berekening van het gemiddelde aantal deelnemers juist is uitgevoerd. Bij het gebruik van een digitale registratie is dit niet verplicht, maar moet er wel een verklaring zijn dat de gegevens in het systeem zijn opgenomen.

Extra kosten en exploitatie

Bij de financiering van een VVE-programma komen ook extra kosten aan de orde. Deze kunnen onder andere bestaan uit materiaalkosten, opleidingskosten en extra inzet van medewerkers. Voorbeeld: in een VVE-groep met vijf dagdelen openstelling wordt 1,5 uur extra inzet verleend per week voor twee pedagogisch medewerkers, wat tot een extra kostenpost leidt van € 4.330,00.

Daarnaast zijn er exploitatiekosten, zoals de kosten voor ouderbijdrage en eventuele extra kosten voor het openstellen van de instelling na 1 september. Deze kosten zijn afhankelijk van de omvang van het programma en het aantal uren dat het programma loopt.

Conclusie

Het VVE-programma is een belangrijk onderdeel van de voorschoolse educatie in Nederland. Het programma wordt gefinancierd via subsidies van de gemeente, die op basis van een vastgestelde regelgeving worden verleend. De subsidiebedragen zijn afhankelijk van de grootte van de groep, het aantal uren dat het programma loopt en de eventuele toeslagen die beschikbaar zijn.

Instellingen die VVE aanbieden hebben verantwoordingsverplichtingen, waaronder het registreren van de kinderen die het programma volgen, het indienen van de juiste gegevens bij de aanvraag en het bewijzen van het correcte gebruik van de subsidie. Daarnaast moeten ze zich houden aan de wettelijke eisen en aan de regels voor medegebruik van schoolgebouwen.

De financiering van VVE-programma’s is dus een complexe aangelegenheid die zowel juridische als financiële kennis vereist. Voor instellingen die VVE aanbieden is het belangrijk om goed op de hoogte te zijn van de regelgeving en de verantwoordingsverplichtingen om te kunnen profiteren van de beschikbare subsidies en om het programma op een verantwoorde manier te kunnen uitvoeren.

Bronnen

  1. Lokale regelgeving gemeente Rotterdam
  2. Subsidie- en financieringsregelgeving gemeente Rotterdam
  3. Financiering van VVE via onderwijsachterstandenbudget

Related Posts