Inleiding
In de voorschoolse educatie (VVE) speelt taal een centrale rol in de ontwikkeling van jonge kinderen, met name bij jonge kinderen uit meertalige of anderstalige gezinnen. Het beoordelen van de taaltoetsen is daarom een belangrijk onderdeel van de toezichtsstructuur en kwaliteitsborging binnen de VVE. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) hebben samen met de GGD en andere betrokken partijen verschillende richtsnoeren en regelgeving opgesteld voor het beoordelen van het taalniveau van pedagogisch medewerkers, evenals de taalontwikkeling van de kinderen zelf.
In dit artikel worden de processen en eisen rondom de beoordeling van taaltoetsen in VVE uitgebreid toegelicht, met een focus op hoe deze toetsen worden ingezet, welke eisen er gelden, en hoe de resultaten worden gebruikt. De nadruk ligt op de rol van de GGD, de aantoonbaarheidseisen voor pedagogisch personeel, de betrokkenheid van ouders, en de toekomstige richting van de sector.
De rol van de GGD in taalbeoordeling
De GGD speelt een sleutelrol bij het beoordelen van de taalontwikkeling van kinderen in de VVE. In het kader van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) wordt reeds vroegtijdig aandacht besteed aan de taalontwikkeling van jonge kinderen, bijvoorbeeld via consultaties bij de jeugdarts. Bij jonge kinderen is het nog niet mogelijk om sprake te maken van een taalachterstand, maar wel kan een potentiële achterstand worden gesignaleerd. Zoals vermeld in de bronnen, wordt bij het 15-maandenconsult extra aandacht besteed aan de taalontwikkeling van kinderen uit meertalige gezinnen, en wordt hierover informatie uitgedeeld aan de ouders.
Een belangrijk instrument in het proces is het Van Wiechenschema, waarbij een dreigende taalachterstand kan worden gesignaleerd. Bovendien zijn er stroomschema’s beschikbaar die aangeven hoe kinderen met een dreigende of bestaande taalachterstand worden verwezen naar de VVE of andere ondersteunende trajecten. Bij nood is er sprake van een huisbezoek door de jeugdverpleegkundige, waarbij het kind in de thuissituatie kan worden geobserveerd.
Bij kinderen waarvan blijkt dat er sprake is van een zorgelijke taalontwikkeling, wordt een herhaalconsult afgesproken bij 2,6 jaar. De beoordeling van de taalontwikkeling wordt ingebracht bij het advies dat aan de ouders wordt gegeven. In de gemeente Dongen is de instroom in VVE mogelijk bij een leeftijd van 2,5 jaar.
Aantoonbaarheidseisen voor pedagogisch medewerkers
Binnen de VVE gelden duidelijke aantoonbaarheidseisen voor pedagogisch medewerkers, met name in het kader van de taaleis IKK en taaleis VE. Deze eisen zijn onderdeel van de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) Kinderopvang en de Wet kinderopvang. De eisen zijn belangrijk om te zorgen dat pedagogisch medewerkers over voldoende taalvaardigheden beschikken om kinderen te ondersteunen in hun taalontwikkeling.
Taaleis IKK
De taaleis IKK is ingegaan op 1 januari 2025 en geldt voor pedagogisch medewerkers in de dagopvang en peuteropvang. De eis is dat de mondelinge taalvaardigheid op taalniveau 3F (of B2) ligt. Deze taalvaardigheid bestaat uit drie onderdelen:
- Luisteren
- Spreken
- Gesprekken voeren
Om aan deze eis te voldoen, moeten medewerkers bewijsstukken leveren die aan bepaalde criteria voldoen. Voor bewijsstukken van vóór 1 januari 2025 gelden de CAO-regels, terwijl voor bewijsstukken van ná 1 januari 2025 de eisen van de Regeling Wet kinderopvang gelden. Dit betekent dat de aantoonbaarheidseisen voor bewijzen die na 1 januari 2025 zijn behaald, strikter zijn dan voor die van voor 2025.
Taaleis VE
De taaleis VE is in voorschoolse educatie vanaf 1 augustus 2019 van kracht. Deze eis is iets strenger dan de taaleis IKK, omdat naast mondelinge taalvaardigheid ook leesvaardigheid op niveau 3F wordt geëist. De eisen voor het aantonen van deze taalniveaus zijn verschillend voor bewijsstukken van vóór en na 2025.
Een belangrijk verschil tussen de taaleis IKK en taaleis VE is dat bij de taaleis VE eisen worden gesteld aan lezen 3F, terwijl dit niet het geval is bij de taaleis IKK. Daarnaast geldt voor de taaleis VE dat bij een MBO 4-diploma specifiek met de cijfers voor Nederlands moet worden aangetoond dat iemand voldoet aan niveau 3F. Voor de taaleis IKK geldt dat alle MBO 4-diploma’s van vóór 1 januari 2025 voldoen, ongeacht het cijfer voor Nederlands.
Toetsing en scholing van pedagogisch medewerkers
De G86 en G37, respectievelijk gemeenten in de sector kinderopvang, zijn al begonnen met het toetsen en scholen van pedagogisch medewerkers om hun taalniveau te verhogen. In 2015 was het voornemen om taalniveau 3F in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie als eis op te nemen. Daartoe was er sprake van een overgangstermijn voor kleinere gemeenten om deze eis te implementeren.
Het doel van deze scholing is om kwaliteitsverhoging te bewerkstelligen binnen de kinderopvangsector. Er wordt ook samengewerkt met het traject Het nieuwe toezicht van het Ministerie van SZW om ervoor te zorgen dat de eisen voor pedagogisch medewerkers zowel realistisch als effectief zijn.
Beroepskrachten in de VVE
De beroepskrachten in de VVE moeten voldoen aan specifieke taal- en kwaliteitsnormen. Zo moet de schriftelijke taalvaardigheid van beroepskrachten op niveau B1 liggen, terwijl leesvaardigheid en mondelinge vaardigheid op niveau B2 moeten zijn. Bovendien moeten alle beroepskrachten gecertificeerd zijn in het VVE-programma dat op de locatie wordt gebruikt.
Er is ook sprake van verplichte bij- en nascholing om het kennisniveau actueel te houden en aan de (nieuwe) eisen van de overheid te voldoen. De houder van de instelling is verantwoordelijk voor het zorgen dat deze eisen worden nageleefd.
Ouderbetrokkenheid en communicatie
Ouderbetrokkenheid is een belangrijk onderdeel van de VVE. De houder van een instelling is verplicht om jaarlijks per locatie een analyse van de ouderpopulatie te maken. Op basis van deze analyse wordt een ouderbeleid opgesteld, waarin beschreven staat hoe ouders worden betrokken bij de activiteiten van de VVE.
Ouders worden actief betrokken bij de dagelijkse activiteiten, en de houder moet dit beleid jaarlijks uitvoeren. Ook moet de houder zorgen voor informatie en communicatie over de activiteiten en doelen van de VVE, zodat ouders een goed beeld krijgen van wat hun kind daar kan verwachten.
Startgroepen en groepsgrootte
De groepsgrootte in peuterspeelzalen die VVE uitvoeren is een belangrijk aspect bij de beoordeling van kwaliteit. In de regel geldt dat groepen ten hoogste 16 kinderen mogen bevatten. De dagelijks bestuur kan echter nadere regels opstellen voor de omstandigheden waarin groepen van 16 kinderen toegestaan zijn. De doelgroep van VVE moet zo goed mogelijk bereikbaar zijn, en er is sprake van voorlichtingscampagnes om de bereikbaarheid van VVE te verbeteren.
Toekomstperspectieven
De eisen rondom taalbeoordelingen in de VVE zijn sterk gericht op kwaliteitsverbetering. De toekomstige richting van de sector is gekoppeld aan het doel om meer kinderen toegang te geven tot VVE, met name diegenen die het meest in de problemen zitten. Hierbij is het belangrijk dat er goede voorbeelden worden verspreid, zodat gemeenten en aanbieders kunnen leren van succesvolle praktijken.
De inspectie speelt een rol in het toezicht op het bereik van VVE. In 2015 bracht de inspectie het aanbod en bereik van peuters in beeld en rapporteerde hierover in het onderwijsverslag. Indien nodig worden er specifieke afspraken gemaakt, en bij onvoldoende resultaten kan de inspectie tot handhaving overgaan.
Conclusie
De beoordeling van taaltoetsen in de voorschoolse educatie (VVE) is een belangrijk onderdeel van de kwaliteitsborging en toezichtsstructuur. Het proces omvat zowel de beoordeling van de taalontwikkeling van kinderen als de taalvaardigheden van pedagogisch medewerkers. De GGD en JGZ spelen een centrale rol in het herkennen en verwerken van taalachterstanden bij jonge kinderen, terwijl de CAO Kinderopvang en de Wet kinderopvang eisen stellen aan het taalniveau van medewerkers.
De aantoonbaarheidseisen zijn sterk gericht op het waarborgen van een voldoend taalniveau om kinderen in hun ontwikkeling te ondersteunen. Daarnaast is er aandacht voor ouderbetrokkenheid, groepsgrootte en scholing van medewerkers. De toekomstige richting van de VVE-sector is gericht op kwaliteitsverhoging en het uitbreiden van het bereik van VVE, met een sterke focus op doelgroepen die het meest in de problemen zitten.