VvE-aandelen in box 3: fiscaal belang, bepaling van rendement en juridische ontwikkelingen

Inleiding

De aandelen in de reserves van een Vereniging van Eigenaren (VvE) vormen een belangrijk onderdeel van het vermogen dat belast wordt in box 3. Deze categorie valt onder de categorie 'overige bezittingen', wat leidt tot een hoger forfaitaire rendement dan bijvoorbeeld op banktegoeden. In 2018 was het rendement op overige bezittingen vastgesteld op 5,38%, terwijl banktegoeden een rendement van 0,12% kregen. Deze differentiatie had directe gevolgen voor de belastingaanslag en stond centraal in een rechtszaak voor de Hoge Raad van Nederland in 2024.

De Hoge Raad beoordeelde of het gebruik van deze verschillende rendementen in het kader van het Herstelbesluit voldoende rechtsherstel bood. Uit de uitspraak bleek dat het rendement op VvE-reserves in het Herstelbesluit onvoldoende was en dat het rendement inderdaad op 0,12% moest worden aangehouden. Deze uitspraak heeft juridische en fiscale gevolgen voor appartementseigenaren en benadrukt de complexiteit van de box 3-regeling in relatie tot VvE-aandelen.

In dit artikel wordt ingegaan op de fiscale betekenis van VvE-aandelen, de bepaling van het rendement in 2018, juridische ontwikkelingen en de praktische gevolgen voor de aanslag in de inkomstenbelasting.

VvE-aandelen en fiscaal vermogen in box 3

In de inkomstenbelastingregeling worden VvE-aandelen ingedeeld in box 3. Deze box is bedoeld voor vermogensaandelen die niet direct te verwerken zijn in box 1 (arbeidsinkomsten) of box 2 (ondernemingsvermogen). In 2018 was het totale vermogen in box 3 voor appartementseigenaren samengesteld uit diverse categorieën, waaronder banktegoeden, vorderingen, verhuurde woningen en aandelen in de reserves van VvE’s.

De belanghebbende in de betreffende rechtszaak had aandelen in de reserves van drie VvE’s. Het totale aandeel bedroeg € 10.807. Voor de belastingaanslag in 2018 was het rendement op deze aandelen bepaald op 5,38%, op basis van het Besluit rechtsherstel box 3. Dit rendement gold voor 'overige bezittingen', in tegenstelling tot het lage rendement op banktegoeden van 0,12%.

De keuze voor een hoger rendement op overige bezittingen werd gemaakt om aan te sluiten bij het principe van het Herstelbesluit, dat als doel had om rechtsherstel te bieden aan belastingplichtigen die onrechtmatig zijn belast. Het Herstelbesluit stelde dat het rendement op banktegoeden 0,12% moest zijn, terwijl overige bezittingen een rendement moesten behouden dat aansloot bij de feitelijke opbrengst. De aanslag in 2018 was daarom grotendeels gebaseerd op deze fictieve opbrengsten.

Bepaling van het rendement in 2018

In 2018 gold een forfaitaire rendementenregeling voor box 3-vermogen. Voor banktegoeden was het rendement 0,12%, terwijl voor overige bezittingen het rendement 5,38% was. Deze fictieve opbrengsten werden gebruikt om een belastbaar vermogen te berekenen, ongeacht of de bezittingen werkelijk opbrengsten opleverden.

De keuze voor dit rendement had directe gevolgen voor de belastingaanslag. Voor de belanghebbende in de rechtszaak betekende dit dat het aandeel in de VvE-reserves met 5,38% werd vermenigvuldigd, wat leidde tot een aanzienlijk belastbaar vermogen. Het rendement gold voor het hele aandeel, ongeacht het daadwerkelijke gebruik of de feitelijke opbrengst.

Het verschil tussen het rendement op banktegoeden en overige bezittingen werd gerechtvaardigd op grond van het principe van de wettelijke fictie. Dit betekent dat het fiscale systeem uitgaat van standaardopbrengsten voor bepaalde vermogenscategorieën, ongeacht de individuele situatie. Deze fictie is bedoeld om administratieve eenvoud te bieden en om rechtsherstel te faciliteren.

Juridische ontwikkelingen en uitspraak van de Hoge Raad

In de rechtszaak die voor de Hoge Raad werd behandeld, stond het rendement op VvE-reserves centraal. De Staatssecretaris van Financiën had in 2018 een aanslag gedaan op basis van het rendement van 5,38%, maar de belanghebbende stelde dat dit rendement niet volgens het Herstelbesluit was toegepast. Zij pleitte voor een lager rendement, aangehaald op 0,12%, zoals voor banktegoeden.

De Hoge Raad beoordeelde of het rendement op VvE-reserves in het kader van het Herstelbesluit correct was bepaald. In de uitspraak van 6 juni 2024 stelde de Hoge Raad dat het rendement op VvE-reserves inderdaad op 0,12% moest worden aangehouden. Het gebruik van het hoge rendement van 5,38% was niet in overeenstemming met de wettelijke regeling van 2018 en leidde tot een onvoldoende rechtsherstel.

De uitspraak had directe gevolgen voor de belastingaanslag in 2018. Het rendement op VvE-reserves werd herzien en leidde tot een herberekening van het belastbare vermogen. Deze herberekening had gevolgen voor de belastingaanslag en voor de eventuele belastingrente.

Praktische gevolgen voor appartementseigenaren

De uitspraak van de Hoge Raad heeft praktische gevolgen voor appartementseigenaren die in 2018 aandelen in een VvE-reserve hadden. Voor deze aandeelhouders betekent de herberekening van het rendement dat de belastbare opbrengst aanzienlijk lager is dan eerder was berekend.

Het verschil tussen het rendement van 5,38% en 0,12% is groot, vooral bij aandelen die relatief hoog zijn. Voor een aandeel van € 10.000 betekent dit bijvoorbeeld een verschil van ongeveer € 526 per jaar. Deze vermindering van de belastbare opbrengst heeft gevolgen voor de belastingaanslag en voor de eventuele belastingrente.

Daarnaast heeft de uitspraak ook gevolgen voor de toekomstige belastingaanslagen. Hoewel de uitspraak specifiek betrekking heeft op 2018, is het mogelijk dat het rendement op VvE-reserves in latere jaren ook wordt herzien. Dit hangt af van eventuele wijzigingen in de wettelijke regeling en van verdere rechtszaken.

De rol van de VvE in de fiscale regeling

De VvE speelt een belangrijke rol in de fiscale regeling van appartementseigenaren. Aandelen in de reserves van een VvE worden ingedeeld in box 3 en vallen onder de categorie 'overige bezittingen'. Dit betekent dat het rendement op deze aandelen hoger is dan het rendement op banktegoeden, wat heeft gevolgen voor de belastingaanslag.

In de praktijk is het belangrijk om het aandeel in de reserves van de VvE te bepalen. Voor appartementseigenaren die gebruik maken van software zoals Twinq of Convect is het mogelijk om het aandeel in het reservefonds van de VvE zelf te bepalen. Deze programma’s geven vaak een overzicht van het reservefonds van de VvE aan het einde van het kalenderjaar. Het is belangrijk om het aandeel reservefonds van 2023 op te geven, omdat dit overeenkomt met de waardepeildatum van 1 januari 2024.

Het aandeel in het vermogen van een VvE valt onder de categorie 'overige bezittingen', wat betekent dat het met een hoger forfaitaire rendement wordt belast dan banktegoeden. Voor 2023 is dit rendement voorlopig vastgesteld op 6,17%. Dit is aanzienlijk hoger dan het rendement op banktegoeden, dat voor 2023 op 0,01% staat.

Veranderingen in de box 3-regeling en het Belastingplan 2024

In 2024 zijn er veranderingen geweest in de box 3-regeling. Het Belastingplan 2024 heeft directe gevolgen voor de belastingaanslag van appartementseigenaren met een aandeel in het VvE-vermogen. De verhoging van het box 3-tarief van 32% naar 36% zorgt ervoor dat de belastingaanslag voor dit aandeel aanzienlijk hoger is dan vroeger het geval was. Daarnaast is het heffingvrije vermogen in box 3 niet geïndexeerd, waardoor het heffingvrije vermogen blijft staan op 57.000 euro.

Deze wijzigingen zijn van kracht voor 2024 en vormen een belangrijk onderdeel van de overgangsregeling voor box 3. De overgangsregeling maakt deel uit van de overbruggingswet, die tijdelijk de regels voor box 3 aanpast om het rechtsherstel te faciliteren.

Het aandeel in het vermogen van een VvE valt onder de categorie 'overige bezittingen', wat betekent dat het met een hoger forfaitaire rendement wordt belast dan banktegoeden. Voor 2023 is dit rendement voorlopig vastgesteld op 6,17%. Dit is aanzienlijk hoger dan het rendement op banktegoeden, dat voor 2023 op 0,01% staat.

De betekenis van WOZ-waarden en verhuurde woningen

In de belastingaanslag voor appartementseigenaren met een aandeel in het VvE-vermogen spelen WOZ-waarden een belangrijke rol. De WOZ-waarde is de waarde die de gemeente stelt op een onroerend goed. Deze waarde wordt gebruikt om de belastingaanslag te berekenen.

In de betreffende rechtszaak was de woning van de belanghebbende op 1 januari 2018 verhuurd. De WOZ-waarde voor 2018 was vastgesteld op € 229.000. De belanghebbende stelde echter dat deze waarde te hoog was en gaf herrekende waarden op € 175.000 (voor 2016), € 186.000 (voor 2017) en € 200.000 (voor 2018). De inspecteur constateerde op basis van deze herrekende bedragen een vermogenswinst van € 10.000.

De betekenis van WOZ-waarden is dus groot voor de belastingaanslag. Een hogere WOZ-waarde leidt tot een hogere belastingaanslag, terwijl een lagere WOZ-waarde leidt tot een lage belastingaanslag. Het is daarom belangrijk om de WOZ-waarde correct te bepalen.

Juridische en fiscale implicaties van de uitspraak

De uitspraak van de Hoge Raad heeft juridische en fiscale implicaties. Juridisch gezien betekent de uitspraak dat het rendement op VvE-reserves in het kader van het Herstelbesluit correct is bepaald. Het gebruik van het hoge rendement van 5,38% was niet in overeenstemming met de wettelijke regeling van 2018 en leidde tot een onvoldoende rechtsherstel.

Fiscaal gezien betekent de uitspraak dat de belastbare opbrengst aanzienlijk lager is dan eerder was berekend. Het verschil tussen het rendement van 5,38% en 0,12% is groot, vooral bij aandelen die relatief hoog zijn. Voor een aandeel van € 10.000 betekent dit bijvoorbeeld een verschil van ongeveer € 526 per jaar.

De uitspraak heeft ook gevolgen voor de toekomstige belastingaanslagen. Hoewel de uitspraak specifiek betrekking heeft op 2018, is het mogelijk dat het rendement op VvE-reserves in latere jaren ook wordt herzien. Dit hangt af van eventuele wijzigingen in de wettelijke regeling en van verdere rechtszaken.

Conclusie

VvE-aandelen vallen onder box 3 in de fiscale regeling en worden belegd met een forfaitaire rendement. In 2018 was dit rendement voor overige bezittingen vastgesteld op 5,38%, terwijl banktegoeden een rendement van 0,12% kregen. Deze differentiatie had directe gevolgen voor de belastingaanslag en stond centraal in een rechtszaak voor de Hoge Raad van Nederland in 2024.

De uitspraak van de Hoge Raad stelde dat het rendement op VvE-reserves in het kader van het Herstelbesluit correct was bepaald. Het gebruik van het hoge rendement van 5,38% was niet in overeenstemming met de wettelijke regeling van 2018 en leidde tot een onvoldoende rechtsherstel. De uitspraak had directe gevolgen voor de belastingaanslag in 2018 en voor de eventuele belastingrente.

Voor appartementseigenaren is het belangrijk om het aandeel in het VvE-vermogen correct te bepalen. Dit aandeel valt onder de categorie 'overige bezittingen' en wordt belegd met een hoger forfaitaire rendement dan banktegoeden. De uitspraak van de Hoge Raad heeft praktische gevolgen voor de belastingaanslag en benadrukt de complexiteit van de box 3-regeling in relatie tot VvE-aandelen.

Bronnen

  1. Uitspraak 06-06-2024
  2. BRON PROCUREUR-GENERAAL
  3. VvE-vermeer en belastingheffing in box 3
  4. Fiscale informatie 2018 - Bezittingen en schulden box 3

Related Posts