De inspectie van het onderwijs heeft sinds 2018 een nieuw inspectiekader voor de toezichtactiviteiten op voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Dit kader vormt een kerninstrument voor de beoordeling van kwaliteit en deugdelijkheid van educatieve voorzieningen voor jonge kinderen. Het is ingevoerd als gevolg van een wisseling in toezichtstrategie, die gericht is op risicobezinning en samenwerking tussen professionele ketenpartners. In dit artikel bespreken we de essentie van het inspectiekader vanaf 1 augustus 2018, de rol van de gemeente in de toezichtproces, en de praktijkimplementatie zoals beschreven in beleidsdocumenten uit gemeenten als Vaals en Deurne.
Inleiding: Het inspectiekader vanaf 2018
Het inspectiekader voor voor- en vroegschoolse educatie, zoals opgenomen in de officiële documenten, is met ingang van 1 augustus 2018 ingevoerd. Het vervangt eerdere toezichtkaders en is onderdeel van het bredere Onderzoekskader 2017 dat ook het primair onderwijs omvat. Het kader is ontworpen om de kwaliteit van VVE te waarborgen, via een systeem van inspecties, waarderingen en risicobezinning. Binnen dit kader worden zowel formele als informele educatieve aanbiedingen voor jonge kinderen beoordeeld, inclusief kinderopvang, voorschoolse educatie en kinderdagverblijven.
De GGD en de Inspectie van het Onderwijs werken samen bij de toezichttaken, waarbij de GGD zich richt op de basiskwalificaties van medewerkers en veiligheid, terwijl de Inspectie van het Onderwijs zich op de pedagogisch-didactische aspecten concentreert. Dit is van belang voor zowel de ketenpartners als voor de gemeente zelf, die vaak het beleid coördineren en subsidies uitkeren op basis van de kwaliteit van de educatieve voorzieningen.
De rol van de gemeente in het inspectiekader
De gemeente speelt een centrale rol in het toezichtproces op VVE-instellingen. Zij coördineren de samenwerking tussen ketenpartners en zorgen ervoor dat het beleid aansluit op lokale doelstellingen en agenda’s. In gemeenten zoals Vaals en Deurne is dit duidelijk te zien aan de manier waarop beleidsregels zijn opgesteld en uitgevoerd.
In Vaals, bijvoorbeeld, is de werkgroep VVE gevormd, waarin diverse ketenpartners betrokken zijn, zoals Movare, Innovo, Spelentère en GGD. Deze werkgroep heeft samen met de gemeente een nieuwe beleidsregel opgesteld voor de periode 2023–2026. Deze regels zijn gebaseerd op evaluaties van eerdere beleidsperiodes, deelnemerschap aan pilots en lokale agenda’s.
In Deurne is een gelijkaardig beleid vastgesteld in het kader van het “Regionaal beleidskader toezicht en handhaving kinderopvang 2018”. Dit beleid is ingevoerd na het vervallen van het eerdere beleidskader van 2016. De gemeente heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat houders van kinderopvangvoorzieningen worden geïnformeerd over de wijzigingen via een brief.
Het onderzoekskader en de evaluatiecyclus
Het onderzoekskader vanaf 2018 is niet alleen een instrument voor toezicht, maar ook een middel om het beleid continu te verbeteren. De Inspectie van het Onderwijs werkt met betrokken partijen om de deugdelijkheidseisen te bepalen, en deze zijn uitgewerkt op basis van een redelijke uitleg van de wet. Deze uitleg is met het onderwijsveld overeengekomen, wat betekent dat er een mate van consensus is over de toepassing van wetten en beleidsrichtlijnen.
Een belangrijk aspect van het onderzoekskader is dat het onderworpen is aan een evaluatiecyclus. De eerste evaluatie van de werking en de effecten van het kader vindt plaats uiterlijk voor 1 januari 2022. Dit betekent dat het kader na vier jaar in werking is, en op basis van ervaringen en maatschappelijke ontwikkelingen kan worden aangepast. Deze evaluatiecyclus garandeert dat het kader gevoelig blijft voor veranderingen in de sectoren en de bredere maatschappij, en dat het blijft aansluiten bij de huidige behoeften en kwaliteitseisen.
De toezichtproces: van inspectie tot handhavingsmaatregelen
Het toezichtproces op VVE-instellingen is risicogebaseerd en gevarieerd. Na een inspectie door de Inspectie van het Onderwijs of de GGD kan het beleidsveld kiezen voor verschillende stappen, afhankelijk van de gevonden tekortkomingen. In de eerste instantie kan er gekozen worden voor overleg en overreding met de houder van de instelling, met het doel tot verbetering te komen. Deze aanpak is vergelijkbaar met die van de GGD, die eerst een risicoanalyse uitvoert voordat er sprake is van een formeel handhavingsproces.
In gevallen waarin de tekortkomingen ernstiger zijn of blijven bestaan, kan het beleidsveld besluiten tot verdere maatregelen, zoals het stellen van extra voorwaarden of, in uiterste gevallen, het beëindigen van de toezichtsverhouding. Deze maatregelen zijn onderdeel van het handhavingsproces dat door de gemeente kan worden uitgevoerd, zoals beschreven in de beleidsregels van Deurne.
Praktijkuitvoering en lokale uitgangspunten
De praktijkuitvoering van het inspectiekader varieert per gemeente, afhankelijk van lokale uitgangspunten en beleidsambities. In gemeenten zoals Vaals is het uitgangspunt van integraal werken centraal. Hierbij worden de beleidsregels VVE verbonden met andere beleidsvelden die gericht zijn op de optimale ontwikkeling van jonge kinderen. Dit betekent dat subsidies en bijdragen aan VVE-instellingen niet alleen afhankelijk zijn van inspectieresultaten, maar ook van het aansluiten op bredere doelen zoals kinderontwikkeling, gezondheid en veiligheid.
In de praktijk betekent dit dat bijvoorbeeld subsidies voor kinderopvang of voorschoolse educatie worden toegekend op basis van een gecombineerde beoordeling van kwaliteit, toezicht en beleidsambitie. Deze aanpak vereist een nauwe samenwerking tussen ketenpartners en de gemeente, en wordt vaak ondersteund door een vragenlijst die jaarlijks wordt ingevuld door de instellingen zelf. Deze vragenlijst is onderdeel van het officiële inspectiekader en helpt bij het vaststellen van de deugdelijkheid van de instellingen.
De rol van ketenpartners in het inspectiekader
Ketenpartners spelen een sleutelrol in de uitvoering van het inspectiekader. Deze partners zijn onder andere verantwoordelijk voor het leveren van educatieve diensten, het beheren van de kwaliteit van de zorg, en het verbeteren van het pedagogisch-didactische kader. In gemeenten zoals Vaals werken ketenpartners zoals Movare, Innovo en GGD nauw samen met de gemeente om het beleid te implementeren en te bewaken.
De samenwerking is ondersteund door een brede doelgroepdefinitie, die gebaseerd is op CBS-indicatoren. Deze definitie zorgt ervoor dat het inspectiekader en de subsidiebeleidsregels aansluiten op de demografische situatie in de gemeente. Hierdoor kan het beleid worden toegesneden op de specifieke behoeften van de lokale bevolking, zoals het aantal jonge kinderen, de verdeling per leeftijdscategorie en het aantal ouders die werkzaam zijn.
Samenwerking tussen GGD en Inspectie van het Onderwijs
De samenwerking tussen GGD en Inspectie van het Onderwijs is een belangrijk aspect van het inspectiekader. De GGD is verantwoordelijk voor de inspectie van basiskwalificaties van medewerkers, veiligheid en hygiëne, terwijl de Inspectie van het Onderwijs zich richt op pedagogisch-didactische aspecten en het naleven van de onderwijskwaliteitseisen. Deze samenwerking garandeert dat alle relevante aspecten van een VVE-instelling worden beoordeeld en dat eventuele tekortkomingen op een gestructureerde manier worden aangepakt.
In de praktijk betekent dit dat de GGD een inspectie kan uitvoeren op basis van een risicoanalyse. Als bij deze inspectie tekortkomingen worden gevonden, kan de Inspectie van het Onderwijs nader onderzoek doen, bijvoorbeeld door middel van bezoeken of documenten te analyseren. De uitkomsten van deze inspecties vormen vervolgens de basis voor eventuele maatregelen of verbeterpunten.
Uitspraken van rechtspraak en praktijkcases
Hoewel juridische rechtszaken en praktijkcases niet direct gericht zijn op het inspectiekader van 2018, bieden ze wel inzicht in de juridische context van VVE-instellingen. Zo is er bijvoorbeeld een uitspraak van de rechtbank Overijssel uit 2018 over een geschil tussen VvE-leden, waarin duidelijk wordt dat besluiten om iets niet te doen ook als besluit kunnen worden aangemerkt. Dit kan relevant zijn voor het begrijpen van de rol van de VVE-besturen in het toezichtproces.
Een andere uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2018 betreft twee VvE’s die samen een bijdrage leveren aan een herstelproject van een gracht. Deze uitspraak benadrukt de mogelijkheid tot samenwerking tussen VVE’s en andere partijen, wat een extra dimensie toevoegt aan de toezichtscontext. In het kader van het inspectiekader kan dergelijke samenwerking worden geëvalueerd op basis van pedagogische kwaliteit, efficiëntie en naleving van beleidsrichtlijnen.
Uitdagingen en kansen in de toepassing van het inspectiekader
De toepassing van het inspectiekader vanaf 2018 brengt zowel uitdagingen als kansen met zich mee. Een van de uitdagingen is het balanceren tussen toezicht en flexibiliteit, vooral in een tijd waarin de maatschappelijke en politieke context snel verandert. Het kader moet voldoen aan hoge kwaliteitsnormen, maar ook voldoende flexibel zijn om aanpassingen mogelijk te maken.
Een ander uitdaging is de samenwerking tussen de diverse ketenpartners. In een complexe sector zoals VVE is het belangrijk dat de samenwerking georganiseerd is en dat er duidelijke communicatie is tussen de betrokken partijen. Dit is ondersteund door regelmatige evaluaties en het gebruik van gecombineerde beleidsregels.
Toch biedt het kader ook kansen. Door de focus op risicobezinning en samenwerking kan er een efficiënter toezichtproces worden ontwikkeld, waarbij zowel kwaliteit als efficiëntie centraal staan. Daarnaast biedt het kader de mogelijkheid om innovatieve oplossingen te testen, zoals pilotprojecten, die gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit van de educatieve voorzieningen.
Conclusie
Het inspectiekader voor voor- en vroegschoolse educatie vanaf 1 augustus 2018 vormt een belangrijke stap in de toezichtsstrategie op VVE-instellingen. Het is ontworpen om de kwaliteit van de educatieve voorzieningen te waarborgen, via een risicogebaseerde aanpak en samenwerking tussen ketenpartners. De gemeente speelt een centrale rol in het proces, met de coördinatie van beleid en subsidiebeleid. In gemeenten zoals Vaals en Deurne is de toepassing van het kader duidelijk geïntegreerd in het lokale beleid, waarbij integraal werken en samenwerking centraal staan.
De evaluatiecyclus van het kader garandeert dat het beleid blijft aansluiten op maatschappelijke ontwikkelingen en lokale behoeften. Bovendien biedt het kader kansen voor innovatie en efficiëntie, zolang de samenwerking tussen ketenpartners goed is georganiseerd en de kwaliteitsnormen worden gehandhaafd. In dit kader blijft het toezichtproces een dynamisch proces dat niet alleen gericht is op het controleren van kwaliteit, maar ook op het verbeteren van het educatieve aanbod voor jonge kinderen.