Inleiding
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) stelt eisen aan de beoordeling van de medische noodzaak bij het verstrekken van voorzieningen of hulpverlening aan burgers met beperkingen of chronische problemen. Het kader waarin deze beoordeling plaatsvindt is van essentieel belang, zowel voor de aanvragende partij als voor de gemeente die verantwoordelijk is voor het afwegen van de hulpverlening. De jurisprudentie speelt hierin een cruciale rol, aangezien rechterlijke uitspraken richtlijnen geven over de toepassing van de wettelijke regels in de praktijk.
In dit artikel wordt ingegaan op de principes en praktische toepassing van de Wmo, met een nadruk op de beoordeling van medische noodzaak, de rol van medisch advies en de betekenis van jurisprudentie zoals die voorkomt in de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Tevens wordt gekeken naar de juridische en praktische aspecten van de keuzevrijheid van de zorgvrager en de mogelijkheid om van richtlijnen af te wijken bij kennelijke onredelijkheid of onbillijkheid.
De informatie is gebaseerd op officiële documenten, onder meer uit de Wmo 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wormerland 2015, en jurisprudentie zoals uitgelegd in uitspraken van de CRvB. Deze bronnen vormen de basis voor de juridische en praktische richtsnoeren die gemeenten hanteren bij het bepalen van de noodzaak van voorzieningen of hulp.
Beoordeling van medische noodzaak
Een kernaspect bij de verstrekkingsbeoordeling is het vaststellen van de medische noodzaak. De gemeente moet bepalen of een voorziening of vorm van hulp inderdaad nodig is om een beperking te compenseren of om de zelfredzaamheid en participatie van de zorgvrager te bevorderen. Dit is een essentieel criterium om te bepalen of er sprake is van een recht op ondersteuning.
Volgens de jurisprudentie is het belangrijk dat de medische noodzaak objectief vastgesteld wordt. Dit betekent dat de gemeente in de meeste gevallen een medisch advies moet indienen bij een onduidelijke situatie. In de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is reeds duidelijk gemaakt dat een afwijzing van een aanvraag mogelijk is wanneer de medische noodzaak niet kan worden vastgesteld vanwege gebrek aan medewerking van de aanvrager.
Een voorbeeld hiervan is uitspraak LJN BH1077, waarin staat dat een aanvraag kan worden afgewezen als de aanvrager niet bereid is om medische testen of onderzoek te ondergaan, waardoor de medische noodzaak niet kan worden bepaald. De gemeente is dan gerechtvaardigd om geen hulp te verstrekken, omdat de noodzaak niet op objectieve gronden kan worden ingezien.
Situaties waarin medisch advies verplicht is
Er zijn verschillende situaties waarin de gemeente verplicht is om medisch advies in te winnen:
Nieuwe aanvragen: Bij een aanvraag die voor het eerst wordt gedaan, is het noodzakelijk om medische noodzaak objectief vast te stellen. De gemeente vraagt dan een medisch advies om te bepalen of de hulp die wordt aangevraagd daadwerkelijk nodig is.
Progressieve ziektebeelden: Als er sprake is van een chronische of progressieve aandoening, kan een medisch advies nodig zijn om te beoordelen hoe snel de hulp nodig is en hoe het verloop van de aandoening beïnvloedt.
Twijfel over het verloop of de ernst van de aandoening: In gevallen waarin de zorgvrager’s medische toestand moeilijk in te schatten is, bijvoorbeeld bij psychische aandoeningen of andere subjectieve klachten, is medisch advies verplicht.
Geschatte kosten: Wanneer een voorziening of hulp relatief duur is, kan de gemeente besluiten om medisch advies in te winnen. Dit geldt met name wanneer het om langdurige hulp of een voorziening gaat die in de toekomst kostengevolgen kan hebben, zoals bijvoorbeeld hulp bij het huishouden of begeleiding.
Keuzevrijheid van de zorgvrager
Een van de kernprincipes van de Wmo is de keuzevrijheid van de zorgvrager. Dit betekent dat de wens van de zorgvrager om hulp te ontvangen van een bepaalde bron – zoals een mantelzorger of een professional – leidend dient te zijn in de beoordeling en uitvoering van de hulpverlening. De zorgvrager heeft een zeggenschap in de manier waarop de hulp verstrekt wordt.
De keuzevrijheid omvat ook het recht om persoonlijke hulp van een partner of huisgenoot te weigeren. De Wmo stelt dat de zorgvrager niet zonder meer verplicht kan worden om hulp te aanvaarden van de mantelzorger, ook als die hulp in principe beschikbaar is. De uiteindelijke keuze ligt bij de zorgvrager zelf.
Toch is de keuzevrijheid niet absoluut. Als de keuze van de zorgvrager leidt tot een situatie waarin de noodzaak van de hulp niet kan worden voldoende beoordeeld, kan de gemeente besluiten om medische adviezen in te winnen of de aanvraag eventueel af te wijzen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de zorgvrager kiest voor hulp die niet voldoet aan de medische noodzaak of wanneer er sprake is van anti-revalidatie of afhankelijkheid.
Afwijken van richtlijnen bij onredelijkheid
De richtlijnen van de Wmo en de verordeningen zijn niet absoluut bindend. Er is een mogelijkheid om van deze richtlijnen af te wijken wanneer er sprake is van kennelijke onredelijkheid of onbillijkheid. Dit geldt bijvoorbeeld als de zorgvrager zich in een uitzonderlijke situatie bevindt, waarin toepassing van de standaardrichtlijnen leidt tot een oneerlijke uitkomst.
In dergelijke gevallen kan de indicatiesteller (de professional die de hulp verstrekt) besluiten om de richtlijnen niet volledig toe te passen. Dit moet echter altijd gemotiveerd worden en er moet een duidelijke reden zijn voor het afwijken. De gemeente moet dan ook een goedkeuringsprocedure doorlopen, waarin de afwijking van de richtlijnen wordt ingezien en eventueel goedgekeurd.
Voorbeeld van afwijken
Stel dat een zorgvrager een voorziening heeft aangeschaft voordat de aanvraag is ingediend. De gemeente kan deze aanvraag in principe afwijzen, omdat de aanvrager de gemeente geen invloed heeft gelaten op de keuze van de voorziening. Echter, uit jurisprudentie van de CRvB is gebleken dat dit niet zonder meer mag. Als de voorziening inderdaad nodig is en er geen goedkoper alternatief bestaat, kan de gemeente toch besluiten om de aanvraag te accepteren, ook al is de voorziening aanzienlijk duurder dan de goedkoopst-adequate oplossing.
De rol van jurisprudentie bij het bepalen van de noodzaak
Jurisprudentie speelt een essentiële rol in het bepalen van de medische noodzaak. Uitspraken van rechtspraak, met name van de CRvB, vormen richtsnoeren voor gemeenten bij het bepalen of een aanvraag mag worden ingewilligd of afgewezen.
De CRvB heeft bijvoorbeeld duidelijk gemaakt dat de regel dat een aanvrager geen voldongen feiten mag stellen aan de gemeente, niet zonder meer mag worden toegepast. Deze regel is bedoeld om controle achteraf mogelijk te maken, maar het mag niet gebruikt worden om een aanvraag automatisch af te wijzen. De gemeente moet beoordelen of er een alternatief bestaat dat goedkooper is en even adequaat is. Als dat het geval is, kan de aanvraag toch worden ingewilligd.
Een ander belangrijk aspect van de jurisprudentie is het gebruik van artikel 38 van de Verordening. Dit artikel biedt een juridische basis voor het onderzoek naar de medische noodzaak. Als een aanvrager geen medewerking verleent, kan de aanvraag afgewezen worden op grond van de onmogelijkheid om voldoende onderzoek te doen. De gemeente moet dan beoordelen of de medische noodzaak op een andere manier kan worden vastgesteld.
Conclusie
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de bijbehorende verordeningen vormen een belangrijk kader voor de beoordeling van hulpverlening aan burgers met beperkingen. De medische noodzaak is een kerncriterium bij deze beoordeling. De gemeente is verplicht om in veel gevallen medisch advies in te winnen om de noodzaak objectief vast te stellen.
De keuzevrijheid van de zorgvrager speelt een centrale rol, maar is niet absoluut. De gemeente kan van richtlijnen afwijken wanneer er sprake is van onredelijkheid of onbillijkheid. De jurisprudentie, met name van de CRvB, biedt richtsnoeren voor gemeenten bij het bepalen of een aanvraag mag worden ingewilligd of afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat gemeenten zorgvuldig moeten afwegen of een voorziening of hulp nodig is, en of de aanvraag van de zorgvrager in lijn staat met de wettelijke eisen. Deze afweging is essentieel om zowel de belangen van de zorgvrager als die van de gemeente te behartigen.