Inleiding
De geschiedenis van kinderopvang in Nederland is een rijke en complexe evolutie die zich over verschillende eeuwen en decennia heen ontwikkelt. Van de kinderbewaarscholen uit de negentiende eeuw tot de hedendaagse regelingen zoals de VVE (Verzorgingsverlening en Educatie) in de twintigste eeuw, de rol van kinderopvang is veranderd van een instrument voor armenzorg tot een essentieel onderdeel van de maatschappelijke opbouw. In het kader van deze evolutie is kinderopvang niet enkel een hulpmiddel geweest voor de opvoeding van kinderen, maar ook een strategisch instrument om de arbeidsdeelname van vrouwen te bevorderen en de sociale cohesie te versterken.
Deze historische ontwikkeling heeft zich afgespeeld in verschillende fasen, waarin de aandacht voor kwaliteit, financiering en toegankelijkheid geleidelijk is toegenomen. In dit artikel wordt de geschiedenis van kinderopvang in Nederland uitgebreid belicht, met een focus op de rol van de overheid, werkgevers en ouders in de vorming van het huidige kinderopvanglandschap. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan de betekenis van de VVE-regeling en aan de bredere historische context van kinderopvang in de twintigste eeuw.
De vroege geschiedenis van kinderopvang in Nederland
De geschiedenis van kinderopvang in Nederland reikt ver terug in de tijd. In de negentiende eeuw waren kinderbewaarscholen een vorm van armenzorg en werden ze vooral gebruikt om kinderen uit arme gezinnen te onderbrengen. Deze scholen werden vaak geleid op basis van pedagogische ideeën zoals die van Pestalozzi, Fröbel en Montessori. Hieruit ontstonden uiteindelijk de kleuterscholen, waarbij de onderwijsfunctie voorop stond en de opvangfunctie in de achtergrond verdween.
Een andere vroege vorm van kinderopvang werd tijdens de industrialisatie in de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkeld. In die tijd was er veel vraag naar kinderbewaarplaatsen, vooral in stedelijke gebieden, waar lage lonen leidden tot de noodzaak dat zowel ouders als kinderen vaak werkten. De situatie van kinderen in die tijd was precair: er waren hoge niveaus van ondervoeding, kinderarbeid en kindersterfte. Kinderbewaarplaatsen waren bedoeld om de levensomstandigheden van kinderen te verbeteren.
Tot halverwege de twintigste eeuw was kinderopvang voornamelijk het domein van charitatieve instellingen en van particulier initiatief. De overheid speelde een beperkte rol, en de beschikbaarheid van kinderopvang was beperkt. Kinderopvang was vooral een welzijnsinstrument, bedoeld om arme gezinnen te ondersteunen.
De opkomst van de peuterspeelzaal in de jaren zestig
In de jaren zestig ontstond de peuterspeelzaalbeweging, waarbij de pedagogische functie van kinderopvang centraal stond. Deze beweging was een reactie op de toenemende vraag naar kinderopvang en de wens van ouders om hun jonge kinderen in een educatieve omgeving te laten verblijven. Peuterspeelzalen werden voornamelijk gedragen door vrijwilligers en hadden als doel jonge kinderen in contact te brengen met leeftijdgenoten en te stimuleren tot sociaal en cognitief ontwikkeling.
In de jaren tachtig en negentig ontwikkelde het kinderopvangbeleid verder, met name in het kader van de toenemende arbeidsdeelname van vrouwen. De overheid begon een actievere rol te spelen, vooral vanaf 1975, toen de rijksoverheid via de Rijksbijdrageregeling sociaal en cultureel werk begon een jaarlijkse bijdrage te verstrekken aan peuterspeelzalen. Deze financiering had als doel de positie van peuterspeelzalen te versterken en te zorgen voor een betere kwaliteit van de opvang.
Daarnaast werd vanaf 1977 de indirecte financiering van kinderdagverblijven omgezet in een directe financiering via de Rijksbijdrageregeling kinderdagverblijven. Gemeenten ontvingen hierbij een bijdrage in de personeelskosten van kinderdagverblijven, onder voorwaarde van het naleven van kwaliteitsregels zoals leidster/kind-ratio en de hoogte van ouderbijdragen.
De rol van de overheid in de kinderopvang
De rol van de overheid in de kinderopvang is in de loop van de tijd sterk gewijzigd. Tot halverwege de twintigste eeuw had de overheid weinig invloed op het kinderopvangbeleid, maar vanaf de jaren zestig begon de overheid meer betrokken te raken bij het beheer en de financiering van kinderopvang. Dit was grotendeels een gevolg van de toenemende vraag naar kinderopvang, vooral in het kader van de arbeidsdeelname van vrouwen.
Een belangrijk wisselpunt was de invoering van de Welzijnswet in 1986, die de verantwoordelijkheid voor het uitvoerend welzijnswerk – waaronder kinderopvang – overdraagt aan de gemeenten. Dit betekende een herstructurering van het kinderopvangstelsel, waarbij gemeenten verantwoordelijk werden voor het aanbod van kinderopvang en de overheid functioneerde meer in een stimulerende en regulatoire rol.
In de jaren tachtig en negentig voerde de rijksoverheid een stimuleringsbeleid uit, gericht op de vergroting van de kinderopvangcapaciteit. Dit beleid was bedoeld om de groeiende vraag te kunnen aanvullen en de arbeidsdeelname van vrouwen verder te bevorderen. Een aantal elkaar opvolgende stimuleringsmaatregelen had als doel om de capaciteit van kinderopvang te verhogen van 23 000 plaatsen in 1989 naar circa 160 000 in 2003.
De overheid speelde ook een rol in het bepalen van kwaliteitsnormen voor kinderopvang. Vanaf 1996 werden er via het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang kwaliteitseisen gesteld, met als doel om de kwaliteit van de opvang te waarborgen en te verbeteren.
De VVE-regeling en het kinderopvangbeleid
Een belangrijke regeling in de geschiedenis van kinderopvang is de VVE-regeling (Verzorgingsverlening en Educatie). Deze regeling was bedoeld om de financiering van kinderopvang te vergemakkelijken en de toegankelijkheid voor ouders te verhogen. In het kader van het BANS-akkoord, dat vanaf 2002 van kracht was, werd afgesproken dat de financiering van kinderopvang gezamenlijk opgevangen zou worden door de overheid en de gemeenten, elk met de helft van de verantwoordelijkheid.
De VVE-gelden konden alleen gebruikt worden voor de kosten die verband hielden met de VVE-programma’s. Dit betekende dat de financiering gericht was op concrete opvangactiviteiten, en niet op algemene welzijnsbeleid. De gemeente bleef verantwoordelijk voor de basisvoorziening, terwijl de overheid een rol speelde in het stimuleren van het aanbod en het waarborgen van kwaliteit.
De VVE-regeling had als doel om de financiering van kinderopvang te professionaliseren en de toegankelijkheid te vergroten. In combinatie met andere regelingen zoals de Rijksbijdragen voor kinderdagverblijven en peuterspeelzalen, vormde de VVE-regeling een essentieel onderdeel van het kinderopvangstelsel in de jaren tachtig en negentig.
De tripartiete samenwerking in de kinderopvang
Een karakteristiek van het kinderopvangbeleid vanaf de jaren tachtig is de tripartiete samenwerking tussen ouders, overheid en werkgevers. De rijksoverheid beschouwde kinderopvang vanaf dat moment als een gemeenschappelijk belang en een gezamenlijke verantwoordelijkheid van deze drie partijen. Dit betekende dat de overheid, de werkgevers en de ouders elk hun eigen bijdrage leverden aan de financiering en het beheer van kinderopvang.
De inbreng van werkgevers werd vooral zichtbaar in de vorm van CAO-afspraken over het bieden van kinderopvangfaciliteiten aan werknemers. Ook werd er meer aandacht besteed aan bedrijfsplaatsen, waar kinderopvang faciliteiten werden geïntegreerd in het werkomgeving. De tripartiete structuur was zichtbaar in de financiële opbouw van de kinderopvang, waarbij de toegenomen inbreng van werkgevers leidde tot een transformatie van kinderopvang van een welzijnssector naar een sector tussen markt en overheid.
De tripartiete samenwerking had als gevolg dat kinderopvang niet langer uitsluitend een welzijnsinstrument was, maar ook een maatschappelijke en economische activiteit. Het gebruik van kinderopvang werd breed geaccepteerd en kinderopvang werd een essentieel onderdeel van de maatschappelijke opbouw in Nederland.
De betekenis van kinderopvang in de maatschappij
Kinderopvang heeft in de loop van de tijd een steeds grotere betekenis gekregen in de Nederlandse maatschappij. Vanuit het perspectief van ouders is kinderopvang een essentieel instrument om hun werk- en levensverantwoordelijkheden te combineren. In steeds meer gezinnen werken beide ouders, en is het noodzakelijk om kinderopvang aan te schaffen om de opvoedverantwoordelijkheid te kunnen verdelen.
Buiten de functie als een hulpmiddel voor ouders, heeft kinderopvang ook een pedagogische functie. Kinderen die in opvang verblijven, ontvangen een educatieve stimulering en worden geïntegreerd in een sociaal milieu. De betekenis van kinderopvang is daarom niet alleen gericht op de opvang van kinderen, maar ook op de ontwikkeling van de kinderen in een educatieve en sociale omgeving.
De betekenis van kinderopvang is ook van belang vanuit een maatschappelijke perspectief. Kinderopvang draagt bij aan de sociale cohesie, omdat het een gemeenschap vormt waarin kinderen, ouders en opvangers samenwerken en betrokken zijn bij de opvoeding en ontwikkeling van kinderen.
Conclusie
De geschiedenis van kinderopvang in Nederland is een rijke en complexe evolutie, die zich over verschillende eeuwen en decennia heen ontwikkelt. Van de kinderbewaarscholen uit de negentiende eeuw tot de hedendaagse regelingen zoals de VVE in de twintigste eeuw, de rol van kinderopvang is veranderd van een instrument voor armenzorg tot een essentieel onderdeel van de maatschappelijke opbouw.
De overheid, werkgevers en ouders hebben elk hun eigen rol gespeeld in de ontwikkeling van kinderopvang. De overheid heeft een actievere rol overgenomen vanaf de jaren zestig en heeft via regelingen zoals de Rijksbijdragen en de VVE-regeling de financiering en kwaliteit van kinderopvang versterkt. Werkgevers hebben bijgedragen via CAO-afspraken en bedrijfsplaatsen, en ouders zijn de eerst- en eindverantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen.
De betekenis van kinderopvang is niet enkel gericht op de opvang van kinderen, maar ook op de ontwikkeling van kinderen in een pedagogische en sociale omgeving. Kinderopvang is vanaf de jaren zestig en verder een essentieel onderdeel van de maatschappelijke opbouw geworden en heeft bijgedragen aan de sociale cohesie en de arbeidsdeelname van vrouwen.
In de huidige tijd is kinderopvang een onmisbaar onderdeel van de Nederlandse samenleving. Het is een domein waarin kwaliteit, toegankelijkheid en samenwerking centraal staan, en waarin ouders, opvangers en overheid samen werken om kinderen een veilige, educatieve en sociaal rijke omgeving te bieden.
Bronnen
- MDW-rapport kinderopvang, mei 1998
- Nota Hoofdlijnen Wet basisvoorziening kinderopvang, Kamerstukken II, 1999–2000, 26 587, nr. 9
- Kamerstukken II, 1999–2000, 26 587, nr. 15
- Kabinetsstandpunt «Jeugd op de agenda», kamerstukken II, 2001–2002, 28 369, nr. 1
- CPB: MEV 1999, Den Haag 1998
- Beleidsbrief voor- en vroegschoolse educatie; Kamerstukken II, 1999–2000, 27 190, nr. 1
- Beleidsbrief peuterspeelzaalwerk, Kamerstukken II, 2001–2002, 27 190, nr. 9
- Kamerstukken II, 2001–2002, 26 587, nr. 19
- Commissie Tieneropvang, Advies commissie Tieneropvang; Ruimte voor tieners, 1 maart 2002
- In het BANS-akkoord is onder meer de afspraak gemaakt dat gemeenten en Rijk ieder de helft van de financiering voor het beleid gericht op 0–6 jarigen op zich nemen
- Staatscourant 30 maart 2001, nr. 64, pag. 24
- Kamerstukken II, 2001-2002, 28 168
- Zie bijvoorbeeld tien jaar Stichting Uitvoering Kinderopvang regelingen; 2000
- Onder steunfunctie wordt het geheel van activiteiten verstaan die het uitvoerend werk ondersteunen
- Onder kinderopvanginstellingen wordt het totaal aan kindercentra verstaan, waarbij inbegrepen ouderparticipatiecrèches en gastouderbureaus
- Er zijn 4250 peuterspeelzalen waar in totaal 250 000 kinderen komen