De voor- en vroegschoolse educatie (VVE) speelt een essentiële rol in de ontwikkeling van jonge kinderen. Het is gericht op kinderen met een (taal)achterstand en wordt georganiseerd op zowel kinderdagverblijven (voorscholen) als basisscholen (vroegscholen). De kwaliteit van deze educatie staat centraal in het beleid van gemeenten en wordt zorgvuldig beheerd via wettelijke kaders en toezicht. In dit artikel worden de relevante kwaliteitseisen en het toezicht door de Onderwijsinspectie besproken, met aandacht voor de rol van gemeenten, GGD, en het voorgeschreven inspectieproces. Bovendien wordt ingegaan op het financiële kader dat gemeenten ter beschikking staat om VVE aan te bieden.
Wat is VVE?
VVE richt zich op kinderen die in de voorschoolse of vroegschoolse periode extra ondersteuning nodig hebben, met name op het gebied van taalontwikkeling, motoriek, sociaal-emotionele ontwikkeling en cognitieve vaardigheden. Deze educatie vindt plaats in kinderdagverblijven en op basisscholen en is een onderdeel van het bredere onderwijsachterstandenbeleid. Het doel is om kinderen vroegtijdig in staat te stellen om succesvol het reguliere onderwijs in te gaan en te voorkomen dat problemen zich opstapelen.
De Onderwijsinspectie beoordeelt de kwaliteit van VVE aan het vroege onderwijs en houdt interbestuurlijk toezicht op de taken die gemeenten op dit gebied in medebewind hebben gekregen. Deze inspectie omvat het uitvoeren van kwaliteitscontrollen en het voeren van het Landelijk Evaluatie Agenda (LEA). De resultaten van deze evaluaties helpen bij het verbeteren van het aanbod en de uitvoering van VVE.
Kwaliteitseisen voor VVE
De kwaliteitseisen voor VVE zijn onderdeel van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Deze eisen zijn in 2017 aangescherpt, waarna ze op 1 januari 2018 van kracht werden. Het betreft voornamelijk eisen op het gebied van beroepskrachten en het aanbod van educatieve programma’s. De kwaliteitseisen leggen uit dat VVE medewerkers zich moeten richten op het stimuleren van de ontwikkeling van jonge kinderen, met name in de domeinen taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.
Een belangrijk aspect van de kwaliteitseisen is het verplichte volgen van scholingen en het werken met gecontroleerde programma’s. In het kader van de kwaliteitseisen moeten VVE medewerkers bijvoorbeeld het volgende behandelen:
- Werken met programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie;
- Stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind;
- Volgen van de individuele ontwikkeling van peuters en het hierop afstemmen van het aanbod;
- Betrekken van de ouders bij het educatieproces;
- Zorgen voor een goede aansluiting tussen voorschoolse en vroegschoolse educatie.
Deze eisen zijn verwerkt in het zogenaamde Vversterk-traject, een opleidingsprogramma dat bedoeld is om de kwaliteit van VVE te vergroten. Deelname aan dit traject is verplicht voor professionals die betrokken zijn bij het aanbod van VVE.
De rol van gemeenten en GGD bij toezicht op VVE
De gemeente heeft een centrale rol bij de organisatie en het toezicht op VVE. Zo is de gemeente verplicht om te registreren welke kinderopvangen VVE aanbieden en deze informatie openbaar te maken. Daarnaast moet de gemeente samenwerken met de GGD bij het voeren van kwaliteitscontrollen. De GGD is toezichthouder op de naleving van kwaliteitseisen en voert jaarlijks beoordelingen uit op basis van het landelijk toetsingskader.
Wanneer de GGD vaststelt dat een aanbod van VVE niet voldoet aan de kwaliteitseisen, maakt ze een rapport op en stelt dit aan de gemeente voor. De gemeente kan dan, indien nodig, handhaving uitvoeren. Daarnaast is de gemeente verplicht om jaarlijks een rapport uit te brengen over het gehouden toezicht en de resultaten daarvan voor de gemeenteraad en de minister van Onderwijs.
De rol van de Onderwijsinspectie
De Onderwijsinspectie is verantwoordelijk voor het toezicht op de educatieve kwaliteit van VVE. Dit kan zowel op verzoek van een gemeente als op eigen initiatief gebeuren. De inspectie beoordeelt of de kwaliteitseisen zijn nagekomen en of het aanbod effectief is in het ondersteunen van jonge kinderen. De inspectie voert ook toezicht op het gehouden toezicht door de gemeente en de GGD en controleert of deze partijen hun taken correct en volledig uitvoeren.
Het toezicht van de Onderwijsinspectie omvat het beoordelen van het pedagogisch en organisatorisch kader van VVE. De inspectie gebruikt hierbij landelijke onderzoekskaders die jaarlijks worden geactualiseerd. Deze kaders geven richtlijnen voor de beoordeling van VVE aanbieders en helpen bij het vaststellen van verbeterpunten.
Financiële kaders voor VVE
De financiering van VVE is een essentieel onderdeel van het beleid. In 2020-2021 ontving de gemeente Valkenswaard bijvoorbeeld een voorlopige beschikking van € 307.500, en in 2021 eveneens € 307.500. Deze middelen kunnen worden ingezet voor drie onderdelen:
- Voorschoolse educatie, met name het realiseren van een voldoende aanbod en het verlagen van de financiële drempels voor ouders.
- Vroegschoolse educatie, gericht op het verbeteren van de kwaliteit van onderwijs aan kleuters.
- Algemene ondersteuning, zoals de uitvoering van scholingen en het werken met VVE-programma’s.
De financiering is afhankelijk van het aantal kinderen dat VVE nodig heeft en het aantal uren dat deze kinderen per week ontvangen. Daarnaast wordt rekening gehouden met de kosten van scholingen en het uitvoeren van toezicht en beoordelingen.
Wachtlijsten en toegang tot VVE
Wanneer kinderen niet binnen twee maanden na aanmelding kunnen worden geplaatst in een VVE-urenprogramma, is er sprake van een wachtlijst. In dat geval moet de voorschoolse voorziening de wachtlijst onverwijld melden bij de gemeente en de jongeren- en gezondheidszorg (JGZ). Dit is belangrijk om te voorkomen dat kinderen langer dan noodzakelijk wachten op ondersteuning en om de gemeente in staat te stellen om oplossingen te bedenken voor het aanbod.
Resultaatafspraken en voortgangmeting
Op gemeentelijk niveau worden resultaatafspraken gemaakt over de effectiviteit van VVE. Deze afspraken zijn bedoeld om de voortgang van kinderen te monitoren en verbeteringen te identificeren. Voorbeelden van resultaatmaatstaven zijn:
- De groei in de ontwikkeling van kinderen volgens het Kindvolgsysteem of de School Leer-ontwikkelingslijn;
- Het aantal kinderen dat een niveau stijgt in de basisonderwijsgroepen 1-2;
- Het aantal kinderen dat minimaal op niveau C zit in de basisonderwijs;
- Afspraken over de minimale woordenschat van kinderen aan het einde van groep 2.
In 2019 begon de voorbereiding van regionale resultaatafspraken, en in 2020 werd actief gemonitord of deze afspraken effect hadden. Het doel is om VVE aan te passen aan de behoeften van kinderen en om zorgen te voorkomen dat kinderen achterblijven in het onderwijs.
Kwaliteitsmeting en verbetering van VVE
Een essentieel hulpmiddel voor het verbeteren van VVE is de VVE-kwaliteitsmeting. Deze meting helpt bij het verkrijgen van inzicht in de kwaliteit van het aanbod en het identificeren van verbeterpunten. Het gebruik van deze meting heeft geleid tot draagvlak voor verbeteringen in VVE-onderwijs. Zo geeft Maryse van Minnen, onderbouwcoördinator van kbs Het Schateiland in Utrecht, aan dat de meting heeft bijgedragen aan het verbeteren van de kwaliteit van VVE in de gemeente. Ook gemeenten zoals Reuver/Beesel hebben gemerkt dat de VVE-kwaliteitsmeting een waardevolle bijdrage levert aan het bepalen van beleidsrichtlijnen en samenwerking met betrokken partijen.
Conclusie
De voor- en vroegschoolse educatie speelt een belangrijke rol in de ondersteuning van jonge kinderen met een (taal)achterstand. De kwaliteit van deze educatie is onderdeel van een breder beleid en wordt zorgvuldig beheerd via wettelijke kaders en toezicht. Gemeenten, GGD en de Onderwijsinspectie werken samen om te zorgen dat VVE effectief is en aan de wettelijke eisen voldoet. Door scholingen, toezicht en voortgangmetingen wordt de kwaliteit van VVE continu verbeterd. De financiering en het aanbod zijn essentieel voor het succes van het beleid, en het is van belang dat gemeenten hun taak op dit gebied goed uitvoeren.