Inleiding
Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is een onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid in Nederland en richt zich specifiek op kinderen die in een risicogroep vallen, zoals kinderen uit minder geletterde gezinnen of met een niet-westerse migratieachtergrond. Het doel van VVE is om deze kinderen een betere start te bieden op school, met het oog op het opbouwen van basisvaardigheden in taal, rekenen, sociaal-emotioneel gedrag en zelfregulatie. Sinds 2020 zijn doelgroepkinderen per week 4 uur per dag, 40 weken per jaar, in staat om deze educatie te volgen, wat uitkomt op minimaal 960 uur.
Deze educatie speelt een belangrijke rol in het opvangen van onderwijscapaciteiten in vroeg kinderjaren. Het is echter belangrijk om te bekijken welke effecten deze educatie heeft, zowel in de korte als middellange termijn, en of bepaalde factoren zoals groepsgrootte, kind-dienstverlener-ratio, en samenhang tussen voor- en vroegschoolse educatie een rol spelen in de kwaliteit van de opbrengsten. In het kader van deze evaluatie zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd, zoals het pre-COOL onderzoek en andere wetenschappelijke studies.
Deze artikel wil een overzicht geven van de huidige kennis en gegevens over VVE en kinderopvang, met een focus op de effectiviteit, mogelijke beperkingen en kwaliteitsfactoren die bepalend zijn voor de ontwikkeling van doelgroepkinderen. Aan de hand van de beschikbare data worden zowel de positieve als de eventuele nadelen van VVE besproken, met aandacht voor onderzoek, beleid en praktijk.
Het doel en inhoud van voorschoolse educatie
Voorschoolse educatie richt zich op de voorgroep en is onderdeel van de voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Het programma wordt doorgaans uitgevoerd in kleine groepen met maximaal zestien kinderen, wat een persoonlijkere benadering mogelijk maakt. Het doel van voorschoolse educatie is om kinderen te voorzien van essentiële kennis en vaardigheden die nodig zijn om een goede start te maken op de basisschool. Deze vaardigheden omvatten fonemisch bewustzijn, taalbegrip, woordenschat, letterkennis, getalbegrip, rekenkundige concepten, sociaal-emotioneel gedrag, zelfregulatie en psychomotoriek.
Deze educatie wordt grotendeels door de centrale overheid gefinancierd en is onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid. Sinds 1 augustus 2020 kunnen doelgroeppeuters minimaal 960 uur voorschoolse educatie volgen, verdeeld over 40 weken per jaar. Dit omvat vier dagdelen van vier uur per week.
De samenwerking tussen voorschoolse educatie en de vroegschoolse periode is cruciaal voor een doorgaande leerlijn. In de praktijk is echter geconstateerd dat de kwaliteit van het aanbod op basisscholen vaak minder duidelijk is dan op voorschoolniveau. Hierdoor kan een doorlopende ontwikkeling voor kinderen worden belemmerd. Uit onderzoek van pre-COOL is gebleken dat een daling in de educatieve kwaliteit vaak optreedt tussen de voorschoolse en vroegschoolse periode, wat de effectiviteit van het gehele VVE-traject negatief kan beïnvloeden.
Kwaliteit van het aanbod en effecten op kinderontwikkeling
De kwaliteit van het aanbod in voorschoolse educatie speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van kinderen. Onderzoek toont aan dat een gericht VVE-programma in de voorschoolse periode de kwaliteit van het professionele handelen versterkt, wat positieve effecten kan hebben op de ontwikkeling van kinderen. Zoals uit de literatuur duidelijk is, is de samenstelling van de groepen een bepalende factor voor de leerprocessen van kinderen. Groepen die alleen bestaan uit doelgroepkinderen lijken minder gunstig voor de ontwikkeling van de kinderen, omdat er minder leerinteracties plaatsvinden. Er is echter geen duidelijk onderzoeksresultaat over wat de ideale verhouding is tussen kinderen en medewerkers.
De verhouding tussen kinderopvang en onderwijs is hierbij belangrijk. Onderzoek wijst uit dat de kind-dienstverlener-ratio een invloed kan hebben op de kwaliteit van de interacties en instructiemomenten. Hoewel een lagere verhouding in theorie meer aandacht per kind biedt, tonen studies dat de effecten hiervan niet altijd positief zijn. In sommige gevallen worden zelfs negatieve of geen effecten gemeld. Dit suggereert dat andere factoren, zoals de kwaliteit van het pedagogisch handelen, eventueel even belangrijk of zelfs belangrijker zijn dan de verhouding per se.
De pre-COOL studies tonen aan dat de kwaliteit van het aanbod in de voor- en vroegschoolse periode een rol speelt in de prestaties van kinderen tot en met groep 8. Vooral op het gebied van rekenvaardigheden lijkt de kwaliteit van het aanbod van invloed. Voor kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond is dit effect ook merkbaar op woordenschat en begrijpend lezen. Dit benadrukt de noodzaak van een consistent en goed georganiseerd VVE-aanbod.
Groepsgrootte en samenstelling
Groepsgrootte is een aspect dat vaak onderzocht wordt in het kader van VVE. Uit onderzoek blijkt dat groepen met een maximum van zestien kinderen vaak voordelig zijn voor de ontwikkeling van kinderen. De aanwezigheid van meerdere kinderen in een groep maakt het mogelijk om interactie te stimuleren en kinderen onderling te leren. Echter, groepen die uitsluitend uit doelgroepkinderen bestaan, lijken minder gunstig te zijn. In dergelijke situaties ontbreken bepaalde modellen van interactie en leerprocessen, wat de ontwikkeling van kinderen kan belemmeren.
In de praktijk is het niet duidelijk welke ideale verhouding tussen kinderen en medewerkers voor de beste ontwikkeling zorgt. Ondanks dat een lagere verhouding theoretisch gezien gunstiger is, tonen onderzoeken dat de effecten hiervan variabel zijn. Sommige studies wijzen op positieve effecten, terwijl andere geen effect of zelfs negatieve effecten aantonen. Dit suggereert dat de kwaliteit van het pedagogisch handelen even belangrijk is als de verhouding zelf.
Een mogelijke oplossing voor de beperkingen in groepsgrootte en samenstelling is het gebruik van gemengde groepen. In gemengde groepen kunnen kinderen van verschillende ontwikkelingsniveaus leren van elkaar. Uit onderzoek is echter nog niet duidelijk of deze aanpak de ontwikkeling van doelgroepkinderen positief beïnvloedt. Meer onderzoek is nodig om de effectiviteit van gemengde groepen in het VVE-traject te bepalen.
Doorgaande leerlijn en samenwerking tussen voor- en vroegschool
Een doorgaande leerlijn is een belangrijk doel van VVE. Dit houdt in dat de educatie in de voorschoolse periode naadloos overloopt in de vroegschoolse periode. In de praktijk is het echter vaak zo dat de aanpak in de vroegschoolse periode minder duidelijk en minder goed georganiseerd is dan in de voorschoolse periode. Hierdoor kan een doorlopende ontwikkeling voor kinderen worden belemmerd.
Verschillende initiatieven zijn opgezet om de samenwerking tussen voor- en vroegschool te versterken. Voorbeelden zijn de peuter-kleuter-groepen en integrale kindcentra (IKC’s). In deze modellen wordt geprobeerd om de overgang van voorschoolse educatie naar vroegschoolse educatie te verbeteren. Echter, over de effecten van deze initiatieven op de ontwikkeling van kinderen bestaat nog veel onduidelijkheid. Meer onderzoek is nodig om te bepalen of deze modellen effectief zijn in het verbeteren van de doorlopende leerlijn.
Middellange termijn-effecten van VVE
Naast de korte termijn-effecten van VVE zijn er ook effecten op de middellange termijn. Uit studies is gebleken dat de achterstand van doelgroepkinderen ten opzichte van niet-doelgroepkinderen in de loop van de basisschoolperiode afneemt. Deze inhaaleffecten zijn het duidelijkst op het gebied van woordenschat. Op het gebied van begrijpend lezen en rekenen is het inhaaleffect minder zichtbaar.
Een belangrijke bepalende factor voor deze inhaaleffecten is de kwaliteit van het aanbod in de voor- en vroegschoolse periode. Kinderen die in een hoge kwaliteitsomgeving terechtkomen, lijken vooral op het gebied van rekenvaardigheden betere prestaties te behalen. Voor kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond is dit effect ook merkbaar op woordenschat en begrijpend lezen.
Deze bevindingen benadrukken het belang van een consistente en kwalitatief hoogwaardige VVE. Het is echter ook belangrijk om rekening te houden met andere factoren die de ontwikkeling van kinderen beïnvloeden, zoals de opleiding van de moeder en de sociale omgeving. Kinderen met moeders die een praktisch opleidingsniveau hebben, lijken minder grote inhaaleffecten te behalen dan kinderen met een andere migratieachtergrond. Dit suggereert dat andere ondersteunende maatregelen naast VVE mogelijk nodig zijn om de ontwikkeling van deze kinderen verder te verbeteren.
Beperkingen en kritische kijk op VVE
Hoewel VVE een positieve impact heeft op de ontwikkeling van kinderen, zijn er ook beperkingen en uitdagingen die niet onderschat mogen worden. Een van de belangrijkste beperkingen is de variabiliteit in kwaliteit van het aanbod. Niet alle VVE-programma’s zijn gelijk georganiseerd of uitgevoerd, wat leidt tot verschillen in de effectiviteit. Hierdoor is het lastig om een consistente maat te houden voor de kwaliteit van de educatie die kinderen ontvangen.
Een andere uitdaging is het gebrek aan doorlopende leerlijnen. Ondanks dat VVE een doelgroep is om een doorlopende ontwikkeling te bevorderen, is in de praktijk vaak een breuk tussen de voorschoolse en vroegschoolse periode geconstateerd. Dit kan leiden tot een verlies van momentum in de ontwikkeling van kinderen. De kwaliteit van het aanbod op de basisschool speelt hierbij een belangrijke rol. Als de kwaliteit op de basisschool minder is dan in de voorschoolse periode, kan de vooruitgang van kinderen worden belemmerd.
Ook de groepsgrootte en samenstelling zijn factoren die beperkingen kunnen opleveren. Hoewel groepen van zestien kinderen in theorie gunstig zijn, kan het ontbreken van gemengde groepen de interactie en leerprocessen belemmeren. Meer onderzoek is nodig om te bepalen hoe groepsgrootte en samenstelling het beste kunnen worden ingezet om de ontwikkeling van kinderen te ondersteunen.
Een laatste beperking is de afhankelijkheid van de financiële voorwaarden. Het VVE-beleid wordt voornamelijk gefinancierd door de centrale overheid, wat betekent dat het aanbod sterk afhankelijk is van de beschikbaarheid van middelen. In tijden van budgettaire beperkingen kan het aanbod aan VVE worden beperkt, wat negatieve gevolgen kan hebben voor kinderen die het meest ondersteuning nodig hebben.
Samenwerking en verbeteringsmogelijkheden
Om de beperkingen van VVE te overwinnen en de effectiviteit te verhogen, zijn meerdere initiatieven opgezet. Een voorbeeld is het gebruik van peuter-kleuter-groepen, waarin de overgang van voorschoolse educatie naar vroegschoolse educatie wordt gestuurd. Deze modellen maken het mogelijk om kinderen in een consistente omgeving te ondersteunen, waarbij de leerlijn doorgaand is. Echter, over de effectiviteit van deze groepen bestaat nog veel onduidelijkheid. Meer onderzoek is nodig om te bepalen of deze modellen effectief zijn in het verbeteren van de ontwikkeling van kinderen.
Een andere aanpak is de oprichting van integrale kindcentra (IKC’s), waarin verschillende diensten op één locatie worden gebundeld. Deze centra maken het mogelijk om kinderen en hun gezinnen op meerdere vlakken te ondersteunen, van onderwijs tot gezondheid. Hoewel deze modellen veelbelovend lijken, zijn er nog geen voldoende studies beschikbaar om te bepalen of ze effectief zijn in het verbeteren van de ontwikkeling van kinderen.
In de praktijk is het ook belangrijk om de samenwerking tussen professionele medewerkers te versterken. Door middel van training, supervisie en samenwerking kunnen pedagogische kwaliteiten worden verbeterd, wat op zijn beurt de kwaliteit van het aanbod kan verbeteren. Onderzoek toont aan dat de kwaliteit van het pedagogisch handelen even belangrijk is als de groepsgrootte of verhouding.
Conclusie
Voor- en vroegschoolse educatie speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van doelgroepkinderen. Het biedt deze kinderen de mogelijkheid om een betere start te maken op de basisschool, met aandacht voor kennis en vaardigheden op het gebied van taal, rekenen, sociaal-emotioneel gedrag en zelfregulatie. De kwaliteit van het aanbod in de voor- en vroegschoolse periode blijkt een bepalende factor te zijn voor de prestaties van kinderen tot en met groep 8. In de korte en middellange termijn zijn er duidelijke inhaaleffecten, vooral op het gebied van woordenschat en rekenvaardigheden.
Hoewel VVE veel voordelen biedt, zijn er ook beperkingen en uitdagingen. De variabiliteit in kwaliteit van het aanbod, het gebrek aan doorlopende leerlijnen en de invloed van groepsgrootte zijn factoren die de effectiviteit van VVE kunnen beïnvloeden. Daarnaast is de financiële afhankelijkheid van de centrale overheid een uitdaging in tijden van budgettaire beperkingen.
Om deze beperkingen te overwinnen en de effectiviteit van VVE te verhogen, zijn initiatieven opgezet zoals peuter-kleuter-groepen en integrale kindcentra. Deze modellen kunnen de doorlopende leerlijn verbeteren en de kwaliteit van het aanbod verhogen. Meer onderzoek is echter nodig om te bepalen of deze initiatieven effectief zijn in het ondersteunen van de ontwikkeling van doelgroepkinderen.
In de toekomst is het van belang om de samenwerking tussen voor- en vroegschoolse educatie verder te versterken, de kwaliteit van het pedagogisch handelen te verbeteren en financiële middelen te behouden om VVE beschikbaar te houden voor alle kinderen die het nodig hebben. Alleen zo kan VVE zijn doel bereiken: het bieden van een betere start op school en een betere toekomst voor kinderen in risicogroepen.
Bronnen
- Perlman, M., Fletcher, B., Falenchuk, O., Brunsek, A., McMullen, E., & Shah, P. S. (2017). Child-Staff Ratios in Early Childhood Education and Care Settings and Child Outcomes: A Systematic Review and Meta-Analysis. PLoS ONE 12(1).
- Leseman, P., & Veen, A. (Red.) (2022). Het pre-COOL cohort tot en met groep 8. Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit in de voor- en vroegschoolse periode. Kohnstamm Instituut.
- Ministerie van OCW (2024). Voorschoolse educatie. Rijksoverheid.
- OECD (2024). Education at a Glance 2024: OECD Indicators. OECD Publishing.
- Jepma, IJ., Waaijer, C., Beckers, S., De Geus, W., Suijkerbuijk, A., & Leferink, J. (2023). Monitor implementatie en besteding gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Meting 4: aanbod 960 uur, inzet pedagogisch beleidsmedewerker en financiën. Sardes/Oberon.
- Fukkink, R., & Slot, P. & Breedeveld, M. & Leistra, L. (2023). De peuter-kleuter-groep: Peuters, kleuters, leerkrachten en pedagogisch medewerkers in beeld. Universiteit Utrecht/Universiteit van Amsterdam.
- Veen, A., & Weijers, D. (2019). Gemengde groepen in integrale kindcentra. Kohnstamm Instituut.
- Leseman, P., & Van Huizen, T. (2022). Effecten van kinderopvang op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Universiteit Utrecht.
- Veen, A., & Van der Veen, I. (2019). Het Pre-COOL cohort tot en met groep 5. Ontwikkeling van kinderen en relaties met kwaliteit in de voor- en vroegschoolse periode. Kohnstamm Instituut.
- Melhuish, E., Ereky-Stevens, K., Petrogiannis, K., Penderi, A. E., Rentzou, K., Tawell, A., Slot, P., Broekhuizen, M., & Leseman, P. (2015). A review of research on the effects of Early Childhood Education and Care (ECEC) upon child development. CARE project; Curriculum Quality Analysis and Impact Review of European EarlyChildhood Education and Care (ECEC). Technical Report. European Commission.