De voor- en vroegschoolse educatie (VVE) speelt een centrale rol in de ontwikkeling van jonge kinderen, met als doel de basis te leggen voor later onderwijs en sociale vaardigheden. Een belangrijk aspect binnen deze context is de ontwikkeling van verhalen, niet alleen als onderwijsmethode, maar ook als middel om kinderen te stimuleren op cognitief, emotioneel en sociaal vlak. Op basis van de beschikbare bronnen is duidelijk dat het gebruik van verhalen en interactief voorlezen een essentieel onderdeel vormt van de VVE, met specifieke aandacht voor pedagogisch-educatieve vaardigheden, thema’s en programma’s die deze ontwikkeling ondersteunen.
Inleiding
De VVE richt zich op kinderen vanaf peutersleeftijd tot het begin van de basisschool, met als doel de vroege ontwikkeling te stimuleren via een op maat afgestemde educatieve aanpak. In dit kader zijn verhalen en het voorlezen van boeken een krachtig hulpmiddel om kinderen te betrekken in leren, te stimuleren in hun taalontwikkeling en te ondersteunen in hun sociaal-emotionele groei. De beschikbare bronnen tonen aan dat de VVE verschillende programma’s en trainingen biedt om pedagogisch medewerkers (pm’ers) te bekwamen in het gebruik van verhalen als onderdeel van het educatieve proces. Deze programma’s, zoals Startblokken en Piramide, leggen de nadruk op het ontwikkelen van verhalen die aansluiten bij de interesse en behoeften van kinderen, waardoor de VVE niet alleen educatief, maar ook emotioneel en sociaal rijk is.
Het belang van verhalen in de VVE
Verhalen vormen een fundamenteel onderdeel van de VVE, omdat ze kinderen helpen om betekenis te geven aan hun wereld, hun taalontwikkeling te stimuleren en hun creatieve denkvermogen te ontwikkelen. In de context van VVE wordt het voorlezen en het ontwikkelen van verhalen gezien als een strategie om kinderen te betrekken in het leerproces. Dit is te zien in de nadruk die wordt gelegd op interactief voorlezen, waarbij pedagogisch medewerkers niet alleen boeken lezen, maar ook actief meedenken, vragen stellen en kinderen inspireren om hun eigen verhalen te creëren.
Een verrijkend aspect van verhalen in de VVE is dat zij een brug slaan tussen spel en leren. Verhalen stimuleren kinderen om hun eigen ervaringen te verbinden met fictieve of reële situaties, wat bijdraagt aan hun begrijpende leesvaardigheid en probleemoplossend denken. Daarnaast zijn verhalen een krachtig middel om kinderen met bijvoorbeeld taalachterstand te ondersteunen, zoals aangegeven in de richtlijnen van gemeenten en wetgeving rondom de VVE. In dit kader speelt het Cito/LOVS-systeem een rol bij het volgen van de vorderingen van kinderen in taalontwikkeling, inclusief het gebruik van verhalen als onderdeel van de leeractiviteiten.
Programma’s en trainingen voor verhalenontwikkeling
Verschillende totaalprogramma’s zijn ontwikkeld binnen de VVE om pedagogisch medewerkers te bekwamen in het ontwikkelen en implementeren van verhalen en andere betekenisvolle activiteiten. Deze programma’s zijn vaak gekoppeld aan specifieke trainingen en trainingstracassen, waarbij het voorlezen, het ontwikkelen van verhalen en het werken met kinderen centraal staan.
Startblokken
Startblokken is een programma dat gericht is op kinderen van 0 tot 8 jaar en waarin verhalen een centrale rol spelen. Het programma richt zich op het ontwikkelen van activiteiten die aansluiten bij de interesse en betrokkenheid van kinderen, met als uitgangspunt de spelontwikkeling. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de zogenaamde 3B’s: betekenisvolle activiteiten, bemiddelende rol van de volwassenen en brede ontwikkeling. Pedagogisch medewerkers leren hierbij te observeren wat kinderen doen en zeggen, om vervolgens activiteiten te ontwerpen die passen bij hun ontwikkeling.
Het programma benadrukt ook de interactie tussen kinderen en de pm’er, die essentieel is voor het ontwikkelen van verhalen die kinderen kunnen begrijpen en waarmee ze zich kunnen identificeren. De pm’er speelt hierin een bemiddelende rol, waarbij het doel is om kinderen te helpen om hun eigen verhalen te creëren en te delen. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan reflectie, evaluatie en het stellen van centrale vragen, zoals: "Wat heb ik gezien en wat betekent dat voor mijn volgende thema en activiteiten?"
Piramide
Piramide is een ander VVE-totaalprogramma, bedoeld voor kinderen van 0 tot 7 jaar. Het programma omvat elf thema’s waarin projecten worden uitgewerkt die gericht zijn op de cognitieve ontwikkeling van kinderen. Een van de krachtige aspecten van Piramide is het gebruik van verhalen en projecten die aansluiten bij de SLO-doelen (Stichting Leerplanontwikkeling). Het programma biedt een duidelijke structuur in vier stappen: oriënteren, demonstreren, verbreden en verdiepen. Deze aanpak geeft pedagogisch medewerkers een houvast om verhalen en activiteiten te ontwikkelen die passen bij de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen in hun groep.
Een digitale versie van Piramide maakt het mogelijk om projecten en verhalen eenvoudig te plannen en uit te voeren, wat efficiënter werken mogelijk maakt. Verder benadrukt het programma de ‘onderzoekende houding’ bij kinderen, waarbij creativiteit en samenwerking centraal staan. Verhalen zijn hierin een belangrijk onderdeel, omdat ze kinderen aanzet tot het stellen van vragen, het stellen van hypothese en het uitvoeren van actie op basis van verhalen en fictie.
Aanvullende trainingen en vaardigheden
Neben de basisprogramma’s zoals Startblokken en Piramide zijn er ook aanvullende trainingen beschikbaar voor pedagogisch medewerkers die al in de VVE werken. Deze trainingen zijn ontworpen om de pedagogisch-educatieve vaardigheden van pm’ers verder te versterken. De basistraining VVE legt bijvoorbeeld de nadruk niet op pedagogisch-educatieve vaardigheden, maar op de fundamentele kennis van kinderontwikkeling en de rol van de pm’er in die ontwikkeling. Hierbij komen thema’s als de talentendriehoek, de 3V’s (verkennen, verbinden en verrijken) en de zes interactievaardigheden aan de orde.
Een belangrijk aspect van deze training is dat pedagogisch medewerkers leren hoe ze kinderen kunnen helpen om verder te ontwikkelen door te kijken naar hun spel en activiteiten. Routine-activiteiten, zoals jassen aantrekken of eten, worden gezien als kansrijke momenten voor leren en ontwikkelen. In deze context speelt het ontwikkelen van verhalen een rol, omdat kinderen kunnen leren om hun ervaringen te verwoorden en te verbinden met andere activiteiten.
Naast de basistraining is er ook een koptraining beschikbaar, die een verkorte versie is van de reguliere training en gericht is op pedagogisch medewerkers die al in een specifiek VVE-programma werken. Deze training verdiept de kennis en vaardigheden die zijn verkregen tijdens de basistraining en richt zich op het specifieke programma dat de pm’er gebruikt.
Juridische en administratieve kaders voor VVE
De VVE is ook sterk ingebed in een juridisch en administratief kader dat bepaalt hoe verhalen en andere activiteiten binnen de VVE worden uitgevoerd. Dit kader omvat onder meer de verplichtingen van gemeenten en samenwerkingsverbanden om overleg te voeren met betrekking tot ondersteuningsplannen. Deze plannen leggen uit hoe de VVE aan de ondersteuning van kinderen en gezinnen aansluit, inclusief de samenwerking met zorg- en ondersteuningsstructuren zoals CJG’s (Centra voor Jeugdzorg).
De VVE is ook onderdeel van de brede basisondersteuning die een kind kan ontvangen. Hierin is het VVE-arrangement een onderdeel van een integrale aanpak die ook andere vormen van ondersteuning omvat, zoals vroegsignalering, jeugdhulp en onderwijsondersteuning. Deze aanpak benadrukt het belang van een multidisciplinaire samenwerking waarin verhalen en interactieve activiteiten een centrale rol spelen in de ondersteuning van kinderen.
Om de kwaliteit van de VVE te waarborgen, zijn er kwaliteitseisen in werking. Deze eisen zijn ook van toepassing op de ontwikkeling van verhalen en andere activiteiten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het realiseren van voldoende aanbod van VVE van goede kwaliteit en behouden hiervoor de benodigde middelen. In dit kader is het gebruik van verhalen en interactief voorlezen een onderdeel van de kwaliteit die wordt gestreefd.
De rol van het kindvolgsysteem in de VVE
In de VVE is het registreren van de voortgang van kinderen een essentieel onderdeel. Voor de registratie van de voortgang op het gebied van taal en rekenen/ordenen wordt binnen gemeenten zoals Enschede het Cito/LOVS-systeem gebruikt. Dit systeem helpt bij het volgen van de vorderingen van kinderen in het primair onderwijs, inclusief activiteiten gericht op verhalenontwikkeling. De toetsingsmomenten zijn vastgelegd in de prestatieafspraken die gericht zijn op het stedelijk convenant ‘Effectief benutten van VVE’.
Voor de registratie van de sociaal-emotionele en motorische ontwikkeling dient een kindvolgsysteem te worden gebruikt dat is afgestemd met de gemeente. Dit systeem kent protocollen en werkinstructies voor de periodieke vastlegging van de voortgang van kinderen in deze domeinen. De houder van het VVE-arrangement is verantwoordelijk voor het volgen van deze protocollen en het registreren van de voortgang van kinderen.
Het kindvolgsysteem speelt ook een rol bij het registreren van de in de VVE-groep werkzame beroepskracht. Hierdoor is er een duidelijke registratie van wie verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van verhalen en andere activiteiten binnen de VVE-groep.
Toekomstige ontwikkelingen en afstemming
De regering heeft in het regeerakkoord het voornemen opgenomen om de afstemming tussen onderwijs, peuterspeelzaalwerk, kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie te optimaliseren. In de brief van 1 december 2013 (‘Een betere basis voor peuters’) is dit voornemen uitgewerkt. Voor doelgroepkinderen (kinderen met een risico op taalachterstand) blijven de huidige VVE-kwaliteitseisen van kracht. Gemeenten blijven verantwoordelijk voor het realiseren van voldoende aanbod van VVE van goede kwaliteit voor deze kinderen.
Toekomstige ontwikkelingen in de VVE zullen waarschijnlijk gericht zijn op de versterking van de rol van verhalen in de ondersteuning van kinderen. Hierbij is het belangrijk om te kijken naar hoe verhalen kunnen bijdragen aan de taalontwikkeling, het begrijpende lezen en het sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. De afstemming tussen de verschillende educatieve en ondersteunende structuren is hierbij essentieel, zodat kinderen een consistente en coherente ondersteuning ontvangen.
Conclusie
De ontwikkeling van verhalen speelt een centrale rol in de voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Verhalen vormen een krachtig hulpmiddel om kinderen te betrekken in het leerproces, hun taalontwikkeling te stimuleren en hun sociaal-emotionele groei te ondersteunen. Door middel van programma’s zoals Startblokken en Piramide en trainingen voor pedagogisch medewerkers wordt de rol van verhalen in de VVE verder ontwikkeld en ingebed in een breed kader van ondersteuning en kwaliteit.
Het gebruik van verhalen in de VVE is ook sterk ingebed in juridische en administratieve kaders, waardoor er een duidelijke richtlijn is voor gemeenten en andere betrokken partijen. Het kindvolgsysteem en de afstemming tussen verschillende educatieve en zorgstructuren zorgen ervoor dat kinderen een consistente ondersteuning ontvangen, waarin verhalen en interactief voorlezen centraal staan.
De toekomstige ontwikkelingen in de VVE zullen waarschijnlijk gericht zijn op de verdere versterking van de rol van verhalen in de ondersteuning van kinderen. Hierbij is het belangrijk om te blijven investeren in trainingen en programma’s voor pedagogisch medewerkers, zodat zij in staat zijn om verhalen te ontwikkelen en te implementeren die aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden van kinderen.