De Doelgroep voor Voorschoolse Educatie (VVE) in de Nederlandse Gemeenten

De voorschoolse educatie (VVE) speelt een essentiële rol in de ontwikkeling van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar, met het doel om kinderen goed voor te bereiden op de basisschool. In het kader van het VVE-beleid wordt een specifieke doelgroep gedefinieerd, bestaande uit kinderen die extra aandacht nodig hebben om een onderwijsachterstand te voorkomen. Deze artikel belicht het beleid rondom de doelgroep VVE, inclusief de criteria voor het indienen van een indicatie, de verplichte uren voorziening, de financiering en de evaluatieprocedure.

Inleiding

De doelgroep voor voorschoolse educatie (VVE) is een centraal element in de Nederlandse onderwijsbeleidsregels. Deze groep bestaat uit kinderen die op basis van bepaalde sociale, culturele of economische criteria extra aandacht nodig hebben om succesvol in het onderwijs te kunnen functioneren. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bepaling van deze doelgroep, in overleg met betrokken partijen zoals consultatiebureaus, scholen en kinderopvanginstellingen.

Hoofddoel van de VVE is het aanbieden van een intensief educatief programma van minimaal 10 uur per week aan deze kinderen, waarbij in 2020 de norm verhoogd is naar 16 uur per week. Daarnaast is er een verplichte inzet van hbo’ers in de VVE-groepen om de kwaliteit van de educatie te verbeteren. De gemeente moet jaarlijks rapporteren over het aantal bereikte kinderen en de kwaliteit van het aanbod.

In de volgende hoofdstukken worden deze aspecten nader toegelicht aan de hand van de beschikbare informatie uit de relevante beleidsdocumenten.

Definitie van de Doelgroep VVE

De doelgroep VVE bestaat uit kinderen die aan bepaalde criteria voldoen die wijzen op een risico op onderwijsachterstand. Deze criteria zijn meestal van sociaal- en culturele aard. In de praktijk gebruiken gemeenten verschillende methoden om de doelgroep te definiëren. De gemeente Oldebroek, bijvoorbeeld, gebruikt specifieke criteria zoals het niveau van opleiding van de ouders. Als één van beide ouders een opleiding heeft die lager is dan vmbo gl, kan het kind gedefinieerd worden als deel van de doelgroep VVE.

Daarnaast kunnen andere factoren meespelen, zoals het sociaal-economisch profiel van de ouders, de taalachtergrond van het kind of de aanwezigheid van ontwikkelingsachterstanden. De gemeente heeft de vrijheid om de doelgroep te bepalen, mits minimaal het aantal peuters wordt bereikt wat op basis van de gewichtenregeling is vastgesteld. Voor Oldebroek is dit aantal 42 peuters per jaar.

Het bepalen van de doelgroep is een beleidsvrijheid van de gemeente, maar het is belangrijk dat deze groep voldoende bereikt wordt en dat de toeleiding efficiënt verloopt. Het consultatiebureau en de leidsters op de peuterspeelzalen en kinderopvangcentra zijn verantwoordelijk voor vroegsignalering, zodat kinderen vroegtijdig kunnen worden ingeschakeld in het VVE-programma.

Het VVE-programma en de 10- en 16-uren regel

Het VVE-programma moet minimaal 10 uur per week aanbieden aan kinderen in de doelgroep. Dit betekent dat de aanbieder – meestal een peuterspeelzaal of een voorschoolse voorziening – een intensief educatief programma moet organiseren. Dit programma is gericht op het ontwikkelen van cognitieve, sociaal-emotionele en fysieke vaardigheden, zodat kinderen goed voorbereid worden op de basisschool.

Vanaf 1 augustus 2020 is de norm verhoogd naar 16 uur per week, wat betekent dat het totale aantal uren per jaar 960 is. Deze verhoging is bedoeld om de kwaliteit van het VVE-aanbod te verbeteren en kinderen een bredere ondersteuning te bieden. De 16-uren regel is gebaseerd op de rekensom: 1,5 jaar (2,5 tot 4 jaar) x 40 weken per jaar x 16 uur per week.

Het verplichte VVE-aanbod van 16 uur per week is echter niet bedoeld voor opvang. Daarom hanteert het kabinet een maximum van 6 uur VVE per dag. Dit betekent dat kinderen in de doelgroep maximaal 6 uur per dag in het VVE-programma kunnen zitten, met de resterende uren bestemd voor opvang of andere activiteiten.

Financiering en ouderbijdrage

De financiering van VVE is een belangrijke aandachtspunt in het beleid. De gemeente ontvangt subsidies van het Rijk voor het aanbieden van VVE-uren aan kinderen in de doelgroep. Deze subsidies zijn afhankelijk van het aantal bereikte kinderen en de kwaliteit van het aanbod. Daarnaast zijn er aanvullende voorwaarden die kunnen worden opgenomen bij de verlening van subsidies, zoals het aantonen van doorgaande leerlijnen of samenwerking met basisscholen.

Ouders van kinderen in de doelgroep hebben een verlaagde bijdrage te betalen als het kind VVE ontvangt op de peuterspeelzaal. Deze bijdrage is vastgesteld op € 0,51 per uur. Dit bedrag kan per jaar wisselen of geïndexeerd worden. De vaststelling van het bedrag is in handen van het ministerie. Voor ouders met een laag inkomen kan de bijdrage nog steeds een drempel vormen. Zij kunnen gebruikmaken van de minimaregelingen van de gemeente, die hen ondersteuning bieden via sociale zaken.

Als doelgroepkinderen VVE ontvangen via de kinderopvang, is de ouderbijdrage al verlaagd via de kinderopvangtoeslag van de belastingdienst. De uitwerking hiervan wordt bij de uitvoering van het VVE-beleid besproken.

De rol van hbo’ers in VVE

Vanaf 1 januari 2022 is het verplicht voor alle gemeenten om hbo’ers in te zetten in VVE-programma’s. Deze hbo’ers – ook wel pedagogisch beleidsmedewerkers genoemd – spelen een essentiële rol in het verbeteren van de kwaliteit van het VVE-aanbod. Zij kunnen fungeren als coach, werkzaam zijn op de groep of bezig zijn met het pedagogisch beleid van de voorschoolse voorziening.

De norm voor de inzet van hbo’ers is hoogstwaarschijnlijk vastgesteld op 10 uur per doelgroeppeuter, per jaar, per locatie. Dit betekent dat in elke VVE-locatie waar kinderen uit de doelgroep worden opgenomen, hbo’ers een significante bijdrage leveren aan het onderwijsproces.

Doorgaande leerlijn en samenwerking met basisscholen

Een belangrijk element van het VVE-beleid is de doorgaande leerlijn van de voorschoolse voorziening naar de basisschool. Deze leerlijn zorgt voor een goede overdracht van het leerproces, zodat kinderen in de basisschool goed kunnen functioneren. De voorschoolse voorzieningen en de omliggende basisscholen hebben inhoudelijke afstemming over het VVE-aanbod en de samenwerking. Hierbij wordt gezorgd voor een warme overdracht van kinderen van de VVE naar de basisschool, zodat de kinderen zich snel thuis voelen in hun nieuwe omgeving.

De doorgaande leerlijn wordt jaarlijks geëvalueerd, net zoals de uitvoering van de vroegschoolse educatie op de basisscholen. Hierbij wordt gekeken of de inhoud van het VVE-aanbod aansluit op het aanbod op de basisschool en of de overdracht efficiënt verloopt.

Toeleiding en indicatieproces

Het toeleidingproces naar VVE is een belangrijk onderdeel van het beleid. De indicatiestellers – zoals het consultatiebureau, het CJG of de JGZ – bepalen op basis van de gemeentelijke doelgroepdefinitie en geverifieerde instrumenten of een peuter een (risico op een) onderwijsachterstand heeft. Deze peuter krijgt dan een doelgroep-indicatie of een VVE-indicatie.

In een gesprek met de ouder(s) geeft het consultatiebureau informatie over het voorschools aanbod. Een ouder kan zich daarna aanmelden bij een voorschoolse locatie. Er zijn gemeenten die het toeleidingsproces actief volgen. De indicatiestellers of een VVE-coördinator bellen bijvoorbeeld ouders van peuters met een indicatie na om te vragen of er nog vragen zijn en of zij zijn aangemeld bij een voorschoolse voorziening.

Andere gemeenten gebruiken een monitor die inzicht geeft in het aantal peuters met een indicatie en het aantal peuters dat is aangemeld voor het aanbod van voorschoolse educatie. Deze monitors helpen bij het inschatten van de effectiviteit van het toeleidingproces.

Verantwoording en evaluatie

De gemeente moet jaarlijks verantwoording afleggen over het VVE-beleid. De instellingen die VVE-plaatsen voor doelgroepkinderen aanbieden, moeten voor 1 februari aangeven hoeveel doelgroepkinderen zij het jaar daarvoor hebben bereikt. Dit is nodig voor een goede verantwoording naar het Rijk. Bij de verlening van subsidies voor VVE kunnen nog aanvullende voorwaarden worden opgenomen.

Daarnaast moet het beleid jaarlijks worden geëvalueerd door een beleidsgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van onderwijs, kinderopvang en peuterspeelzalen. Deze groep komt samen om te bespreken hoe de uitvoering van het VVE-beleid verloopt en of er bijstellingen nodig zijn. Op basis van de evaluaties wordt een verslag opgesteld dat jaarlijks in het LEA (Lokale Educatie Akkoord) behandeld wordt. Hierbij wordt gekeken of de definitie van de doelgroep nog voldoet, of de kinderen voldoende worden bereikt en of de toeleiding efficiënt verloopt. Indien nodig kan het beleid tussentijds worden bijgesteld.

Procedure voor het opstellen en vaststellen van beleid

Het opstellen en vaststellen van beleid gebeurt in samenspraak met een werkgroep. De leden uit de werkgroep zijn afkomstig uit het onderwijs, de kinderopvang en de peuterspeelzaal. Jaarlijks komt deze beleidsgroep samen om te bespreken hoe de uitvoering van het VVE-beleid verloopt en of er bijstellingen nodig zijn. Aan de hand van de uitkomsten van deze vergaderingen wordt een evaluatie opgesteld.

Daarnaast moet de doorgaande leerlijn worden geëvalueerd en moet worden bekeken hoe de vroegschoolse educatie op de basisscholen wordt uitgevoerd en of deze aansluit op de voorschoolse educatie. De evaluatieprocedure is een essentieel onderdeel van het VVE-beleid, omdat het ervoor zorgt dat het aanbod continu wordt verbeterd en aangepast aan de behoeften van de doelgroep.

Samenwerking met ouders en informatieverstrekking

Het VVE-beleid legt ook aandacht aan de samenwerking met ouders. Ouders van kinderen in de doelgroep moeten op de hoogte worden gehouden van het VVE-programma en de doelen die het programma nastreeft. Minimaal alle ouders/verzorgers van doelgroepkinderen worden zowel schriftelijk als mondeling voorgelicht over VVE en de mogelijkheden binnen de gemeente. Ouders worden ook op diverse momenten tijdens de totale periode dat hun peuter VVE aangeboden krijgt op de hoogte gehouden van de vorderingen.

Het is aan de houder van de voorschoolse voorziening om te bepalen op welke wijze zij dit invoeren binnen hun VVE-beleid. Deze flexibiliteit is bedoeld om de aanpak aan te passen aan de specifieke omstandigheden van de instelling.

Uitdagingen en kansen in het VVE-beleid

Het VVE-beleid biedt verschillende kansen, zoals het verbeteren van de kwaliteit van het aanbod, het verbeteren van de toegankelijkheid voor kinderen in de doelgroep en het vergroten van de samenwerking tussen instellingen. Er zijn echter ook uitdagingen, zoals het voldoen aan de wettelijke verplichtingen en het verhogen van de deelnamegraad van doelgroepkinderen. Soms lukt het niet om alle doelgroepkinderen te bereiken of te behouden in het VVE-programma.

Daarnaast zijn er instellingen die geen 10 uur per week aan VVE kunnen aanbieden, zoals de Eben Haëzer in Oldebroek. In dergelijke gevallen kunnen kinderen wel een paar uur per week een VVE-programma volgen, maar ze vallen dan buiten de verantwoording voor het Rijk. Dit betekent dat deze kinderen niet volledig worden bereikt en dat er ruimte is voor verbetering in de uitvoering van het VVE-beleid.

Conclusie

Het VVE-beleid richt zich op het aanbieden van een intensief educatief programma aan kinderen in de doelgroep, met het doel om een onderwijsachterstand te voorkomen. De doelgroep wordt gedefinieerd op basis van sociale, culturele en economische criteria. De gemeente speelt een centrale rol in de bepaling van deze groep, mits minimaal het aantal peuters wordt bereikt wat op basis van de gewichtenregeling is vastgesteld.

Het VVE-programma moet minimaal 10 uur per week aanbieden aan kinderen in de doelgroep, met vanaf 2020 een verhoging naar 16 uur per week. Daarnaast is er een verplichte inzet van hbo’ers in de VVE-groepen. De financiering van VVE wordt geregeld via subsidies van het Rijk, terwijl de ouderbijdrage verlaagd is voor kinderen die VVE ontvangen op de peuterspeelzaal of via de kinderopvang.

De doorgaande leerlijn van de voorschoolse voorziening naar de basisschool is een belangrijk aspect van het VVE-beleid. De samenwerking tussen instellingen en de evaluatie van het beleid zijn essentieel voor de continuïteit en verbetering van het aanbod. Het toeleidingproces en de informatieverstrekking aan ouders zijn eveneens belangrijk om de deelnamegraad van kinderen in de doelgroep te vergroten.

Het VVE-beleid biedt kansen om de kwaliteit van de voorschoolse educatie te verbeteren, maar het brengt ook uitdagingen met zich mee, zoals het voldoen aan wettelijke verplichtingen en het verhogen van de deelnamegraad van doelgroepkinderen. Door regelmatige evaluaties en samenwerking met betrokken partijen kan het beleid worden afgestemd op de behoeften van de doelgroep en de omstandigheden in de gemeente.

Bronnen

  1. Lokale regelgeving gemeente Oldebroek - VVE-beleid
  2. Nationale richtlijnen voor voorschoolse educatie (VVE)
  3. Definitie en toeleiding van doelgroepkinderen

Related Posts