In de Nederlandse belastingpraktijk spelen Verenigingen van Eigenaren (VvE) een centrale rol bij de beheersing en financiering van woningcomplexen. Daarbij zijn VvE-aandelen ook van belang vanuit belastingschiks- en rechtsherstelaspecten, in het bijzonder in het kader van de inkomstenbelasting (IB) en de herstelwet voor box 3 (Wet rechtsherstel box 3).
De Hoge Raad heeft op 20 december 2024 een arrest genomen in het kader van een cassatieprocedure tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over het werkelijk behaalde rendement bij aandelen in een VvE en het voordeel uit sparen en beleggen (artikel 14 EER, artikel 1 EP, artikel 5.20 Wet IB 2001, artikel 18 Wet WOZ, en de Wet rechtsherstel box 3). Het arrest biedt belangrijke inzichten in de bepaling van het belastbare inkomen uit VvE-aandelen en de toepassing van fictieve rendementen in het kader van het rechtsherstel. Deze analyse van de rechtspraak is van groot belang voor eigenaren, belastingadviseurs en woningcorporaties die betrokken zijn bij VvE's.
Inleiding
De casus betreft een belanghebbende die voor het jaar 2019 is belast met inkomsten uit sparen en beleggen in het kader van box 3. De aanslag is in eerste aanleg gebaseerd op het fictieve rendement volgens de Wet rechtsherstel box 3. In hoger beroep en in het kader van een rechtsherstellende maatregel is de aanslag gedeeltelijk herzien. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat het werkelijk behaalde rendement lager was dan het fictieve rendement, en dat de aanslag daardoor verder moest worden herzien. De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie en stelde dat het Hof uitging van een onjuiste rechtsopvatting bij het bepalen van het werkelijk rendement.
De Hoge Raad beoordeelde het beroep en bevestigde in belangrijk opzicht het oordeel van het Hof. Het arrest legt uit dat het werkelijk rendement van aandelen in een VvE moet worden bepaald op basis van de daadwerkelijke mutaties in de VvE-reserve, en niet op basis van de fictieve berekening volgens de Wet rechtsherstel box 3. Tevens stelt de Hoge Raad duidelijk dat het voordeel uit sparen en beleggen niet beperkt is tot de daadwerkelijk ontvangen inkomsten, maar ook de fictieve inkomsten omvat. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de belastingaanslagen en het rechtsherstel in het kader van box 3.
Aandelen in een VvE en belastingschikking
Een Vereniging van Eigenaren (VvE) is een juridische entiteit die wordt opgericht door eigenaren van woningen in een complex om het collectieve beheer van gemeenschappelijke ruimtes en installaties te verzorgen. Eigenaren zijn aandeelhouders in de VvE en dragen een financiële bijdrage (VvE-bijdrage) voor het onderhoud en beheer van het complex.
In de casus is sprake van een tweede woning die deel uitmaakt van een VvE. De VvE beschikt over een bankrekening en een spaarrekening, beide in naam van de VvE. Op 31 december 2019 had de VvE-reserve een saldo van € 5.536 op een bankrekening en € 147.200 op een spaarrekening. Deze bedragen zijn van belang voor de bepaling van het werkelijk behaalde rendement op het aandeel in de VvE.
De VvE-reserve bestaat uit bijdragen van de VvE-leden en eventuele inkomsten uit verkoop of huur. De Hoge Raad benadrukt dat de mutaties in de VvE-reserve als zodanig geen rendement vertegenwoordigen. De maandelijkse VvE-bijdrage is een verdeling van vermogen en geen rendement. Dit heeft gevolgen voor de belastingaanslag in het kader van box 3, omdat het werkelijk rendement alleen uitgaat van daadwerkelijke inkomsten, zoals rente op spaarrekeningen.
Het Hof heeft het werkelijk rendement op het aandeel in de VvE-reserve bepaald op € 25. Deze berekening is gebaseerd op de rente die is genoten van het saldo op de spaarrekening van de VvE. De Hoge Raad bevestigt deze berekening en benadrukt dat het werkelijk rendement bepaald moet worden op basis van de daadwerkelijke mutaties in de VvE-reserve, en niet op basis van de fictieve berekening volgens de Wet rechtsherstel box 3.
De rol van de Wet rechtsherstel box 3
De Wet rechtsherstel box 3 is een specifieke regeling binnen de inkomstenbelasting die gericht is op het corrigeren van belastingaanslagen die zijn gebaseerd op fictieve rendementen. Deze wet is van toepassing op aandelen in VvE's en andere vermogensposities die in box 3 worden aangemerkt. De Wet rechtsherstel box 3 bepaalt dat het fictieve rendement op aandelen in VvE's gelijk is aan 4% van de marktwaarde van het aandeel op 1 januari van het betreffende belastingjaar.
In de casus is het fictieve rendement volgens de Wet rechtsherstel box 3 € 3.319. Het werkelijk behaalde rendement is echter bepaald op € 924,43. Dit leidt tot het gevolg dat de aanslag verder moet worden herzien, omdat het fictieve rendement hoger is dan het daadwerkelijk behaalde rendement. De Hoge Raad benadrukt dat het fictieve rendement slechts als uitgangspunt mag dienen voor de belastingaanslag, mits het daadwerkelijke rendement lager is dan het fictieve rendement. In dat geval dient de belastingaanslag te worden herzien naar beneden.
Het arrest van de Hoge Raad bevestigt dus het oordeel van het Gerechtshof dat de belastingaanslag verder moet worden herzien. Het fictieve rendement is een juridisch gerechtvaardigde veronderstelling, maar het mag niet leiden tot een hogere belastingaanslag dan het daadwerkelijke rendement. Dit is een belangrijk principe in het belastingrecht en benadrukt het belang van het onderscheid tussen fictieve en daadwerkelijke inkomsten.
De invloed van nadere investeringen en VvE-bijdragen
Een belangrijke kwestie in de casus is de invloed van nadere investeringen en VvE-bijdragen op de bepaling van het werkelijk rendement. De Hoge Raad benadrukt dat de VvE-bijdrage geen rendement vertegenwoordigt, maar een verdeling van vermogen. Deze bijdrage is dus niet van invloed op de belastingaanslag in het kader van box 3.
Nadere investeringen, zoals het uitvoeren van werkzaamheden aan gemeenschappelijke ruimtes of het verbeteren van installaties, kunnen wel invloed hebben op de marktwaarde van het aandeel in de VvE. Deze investeringen kunnen leiden tot een ongerealiseerde waardeverandering van de woning, die op haar beurt kan leiden tot een verandering in het fictieve rendement. In de casus is geen sprake van een ongerealiseerde waardeverandering van de tweede woning, omdat de woning niet is verhuurd en niet is vervreemd. Daarom is er geen inkomen of kosten voor de tweede woning in aanmerking genomen.
De Hoge Raad stelt duidelijk dat de VvE-bijdrage geen rendement vertegenwoordigt en dat de nadere investeringen alleen van invloed zijn op de marktwaarde van het aandeel in de VvE. Dit heeft gevolgen voor de bepaling van het fictieve rendement en de eventuele rechtsherstelmaatregelen in het kader van box 3.
Waardering van eigen gebruik en rechtsvormende taak van de rechter
Een belangrijke kwestie in de casus is de invloed van het eigen gebruik van de tweede woning op de bepaling van het fictieve rendement. De Hoge Raad benadrukt dat het voordeel uit eigen gebruik van de tweede woning niet in aanmerking komt bij de bepaling van het fictieve rendement. Dit is een belangrijk principe in het belastingrecht, omdat het eigen gebruik van een woning geen inkomst vertegenwoordigt en dus niet belastbaar is.
De Hoge Raad benadrukt ook de rechtsvormende taak van de rechter bij de bepaling van het werkelijk rendement. Deze taak is van essentieel belang, omdat het werkelijk rendement slechts kan worden bepaald op basis van de daadwerkelijke mutaties in de VvE-reserve. De rechter heeft daarom de taak om deze mutaties nauwkeurig te analyseren en te beoordelen of deze inderdaad een rendement vertegenwoordigen.
In de casus is het werkelijk rendement op het aandeel in de VvE-reserve bepaald op € 25. Deze berekening is gebaseerd op de rente die is genoten van het saldo op de spaarrekening van de VvE. De Hoge Raad benadrukt dat deze berekening correct is en dat de rechter in dit geval zijn rechtsvormende taak heeft vervuld.
Invloed van de bepaling van het werkelijk rendement op de belastingaanslag
De bepaling van het werkelijk rendement heeft directe gevolgen voor de belastingaanslag in het kader van box 3. In de casus is het werkelijk rendement bepaald op € 924,43. Dit leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 358 voor de belanghebbende. Dit is lager dan het fictieve rendement van € 3.319, wat leidt tot het gevolg dat de aanslag verder moet worden herzien.
De Hoge Raad benadrukt dat de belastingaanslag slechts mag worden bepaald op basis van het werkelijk rendement. Dit is een belangrijk principe in het belastingrecht en benadrukt het belang van het onderscheid tussen fictieve en daadwerkelijke inkomsten.
Het arrest van de Hoge Raad bevestigt dus het oordeel van het Gerechtshof dat de aanslag verder moet worden herzien. Het fictieve rendement is een juridisch gerechtvaardigde veronderstelling, maar het mag niet leiden tot een hogere belastingaanslag dan het daadwerkelijke rendement. Dit is een belangrijk principe in het belastingrecht en benadrukt het belang van het onderscheid tussen fictieve en daadwerkelijke inkomsten.
De rol van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal heeft in deze zaak een cruciale rol gespeeld. De Advocaat-Generaal heeft op 6 september 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. Deze conclusie is van essentieel belang, omdat zij bepaalt of het beroep in cassatie is gericht tegen het oordeel van het Gerechtshof. In dit geval is het beroep in cassatie gericht tegen het oordeel van het Gerechtshof over de bepaling van het werkelijk rendement.
De Advocaat-Generaal benadrukt dat het beroep in cassatie is gericht tegen het oordeel van het Gerechtshof over de bepaling van het werkelijk rendement. Deze conclusie is van essentieel belang, omdat zij bepaalt of het beroep in cassatie is gericht tegen het oordeel van het Gerechtshof. In dit geval is het beroep in cassatie gericht tegen het oordeel van het Gerechtshof over de bepaling van het werkelijk rendement.
De rol van de Staatssecretaris van Financiën
De Staatssecretaris van Financiën heeft in deze zaak een cruciale rol gespeeld. De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld. Dit middel valt uiteen in twee hoofdonderdelen: (i) een klacht betreffende de ongerealiseerde waardestijging van de tweede woning, en (ii) een klacht betreffende de VvE-reserve.
De Staatssecretaris benadrukt dat het rechtsherstel waarin de Herstelwet voorziet, volstaat. Dit is een belangrijk principe in het belastingrecht, omdat het rechtsherstel een juridisch gerechtvaardigde veronderstelling is. De Staatssecretaris benadrukt dat het fictieve rendement slechts als uitgangspunt mag dienen voor de belastingaanslag, mits het daadwerkelijke rendement lager is dan het fictieve rendement.
Conclusie
Het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 biedt belangrijke inzichten in de bepaling van het werkelijk behaalde rendement bij aandelen in een VvE en de toepassing van fictieve rendementen in het kader van de Wet rechtsherstel box 3. Het arrest benadrukt dat het werkelijk rendement moet worden bepaald op basis van de daadwerkelijke mutaties in de VvE-reserve, en niet op basis van de fictieve berekening volgens de Wet rechtsherstel box 3.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Gerechtshof dat de belastingaanslag verder moet worden herzien. Het fictieve rendement is een juridisch gerechtvaardigde veronderstelling, maar het mag niet leiden tot een hogere belastingaanslag dan het daadwerkelijke rendement. Dit is een belangrijk principe in het belastingrecht en benadrukt het belang van het onderscheid tussen fictieve en daadwerkelijke inkomsten.
De Advocaat-Generaal heeft in deze zaak een cruciale rol gespeeld. De Advocaat-Generaal heeft op 6 september 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. Deze conclusie is van essentieel belang, omdat zij bepaalt of het beroep in cassatie is gericht tegen het oordeel van het Gerechtshof. In dit geval is het beroep in cassatie gericht tegen het oordeel van het Gerechtshof over de bepaling van het werkelijk rendement.
De Staatssecretaris van Financiën heeft in deze zaak een cruciale rol gespeeld. De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld. Dit middel valt uiteen in twee hoofdonderdelen: (i) een klacht betreffende de ongerealiseerde waardestijging van de tweede woning, en (ii) een klacht betreffende de VvE-reserve. De Staatssecretaris benadrukt dat het rechtsherstel waarin de Herstelwet voorziet, volstaat. Dit is een belangrijk principe in het belastingrecht, omdat het rechtsherstel een juridisch gerechtvaardigde veronderstelling is.
Het arrest van de Hoge Raad is van groot belang voor eigenaren, belastingadviseurs en woningcorporaties die betrokken zijn bij VvE's. Het arrest benadrukt het belang van het onderscheid tussen fictieve en daadwerkelijke inkomsten en legt uit dat de belastingaanslag slechts mag worden bepaald op basis van het werkelijk rendement. Dit is een belangrijk principe in het belastingrecht en benadrukt het belang van de rechtsvormende taak van de rechter bij de bepaling van het werkelijk rendement.