Inleiding
Voor eigenaars van appartementen in een appartementsgebouw is het begrip VvE (Vereniging van Eigenaars) vertrouwd en onmisbaar. Naast de dagelijkse beheeractiviteiten en het coördineren van onderhoud, heeft de VvE ook een financiële functie. Deze omvat het beheren van reservefondsen, die zijn bedoeld voor groot onderhoud aan het appartementsgebouw. Voor eigenaars kan het aandeel in deze fondsen fiscaal relevante implicaties hebben, met name in de context van de belastingaangifte in box 3.
Het aandeel in de VvE-reservefondsen wordt door De Hoge Raad gezien als een vermogensrecht dat onder box 3 valt. Dit betekent dat eigenaars dit aandeel zelf moeten opnemen in hun belastingaangifte. Het gaat hierbij niet enkel om het reservefonds voor het groot onderhoud, maar ook om eventueel andere reserves waar een eigenaar aan deelneemt. In deze tekst worden de juridische, fiscale en praktische aspecten van het aandeel in VvE-reservefondsen in box 3 behandeld. Het focuspunt is hoe dit aandeel wordt berekend, belast en welke jurisprudentie er is geweest.
Wat is een VvE-reservefonds?
Een VvE-reservefonds is een wettelijk vereist fonds dat wordt aangemaakt door de Vereniging van Eigenaars (VvE) van een appartementsgebouw. De doelstelling van dit fonds is om geld beschikbaar te hebben voor groot onderhoud aan het gebouw. Dit kan bijvoorbeeld het vervangen van een lift, het herstel van de dakisolatie of de renovatie van gemeenschappelijke ruimtes betreffen.
Artikel 5:126, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt dat de bijdragen voor het reservefonds moeten worden gedeponeerd op een afzonderlijke betaal- of spaarrekening in naam van de VvE. Dit betekent dat het fonds fiscaal gezien een aparte entiteit vormt.
Een belangrijk punt is dat de stortingen in het reservefonds moeten worden gedaan op basis van een meerjarig onderhoudsplan. Als dit plan niet bestaat, geldt een minimum van 0,5% van de herbouwwaarde als richtlijn voor de jaarlijkse bijdrage. Elk appartementseigenaar dat aan het reservefonds bijdraagt, heeft recht op zijn aandeel in dit fonds. Dit aandeel wordt bepaald aan de hand van het aantal breukdelen, wat een standaardmaat is voor de verhouding van aandelen binnen een VvE.
Wat is box 3 en hoe werkt de belasting op aandelen in VvE-reservefondsen?
Box 3 in de inkomstenbelasting betreft vermogensposities die niet onder de inkomstenbelasting vallen, maar waarop een rendement wordt belast. Dit rendement wordt gedefinieerd aan de hand van forfaitaire rendementen die door de Belastingdienst zijn vastgesteld. Voor bank- en spaartegoeden is dit forfaitair rendement 0,12%, terwijl het voor overige bezittingen 5,38% is.
Het aandeel in een VvE-reservefonds is volgens De Hoge Raad een vermogensrecht dat in de rendementsgrondslag van box 3 moet worden opgenomen. Dit betekent dat het aandeel in het vermogen van de VvE, inclusief de reservefondsen, door de eigenaar zelf moet worden opgenomen in de aangifte. Het aandeel wordt berekend aan de hand van de balans van de VvE en het aantal breukdelen dat de eigenaar heeft.
Als een eigenaar bijvoorbeeld een aandeel heeft van 2 uit een totaal van 100 breukdelen en het eigen vermogen van de VvE bedraagt € 100.000, dan is zijn aandeel € 2.000. Dit geldt ook voor meerdere reserves waar een eigenaar aan deelneemt. In dat geval moet het aandeel in elk reservefonds apart worden berekend en vervolgens worden samengevoegd voor de aangifte in box 3.
De jurisprudentie: VvE-reservefondsen als banktegoed of overige bezitting?
Er is enige rechtsontwikkeling geweest over de vraag of het aandeel in VvE-reservefondsen dient te worden belast zoals een banktegoed (0,12%) of als overige bezitting (5,38%). Dit is een belangrijk onderscheid, omdat het rendement aanzienlijk verschilt.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest oordeel gegeven dat VvE-reservefondsen moeten worden aangemerkt als banktegoed, gezien de verplichting van de VvE om de fondsen op een aparte betaal- of spaarrekening te houden. Dit zou betekenen dat het forfaitaire rendement van 0,12% geldt.
Echter, de Staatssecretaris van Financiën is hiermee niet eens en stelt dat VvE-reservefondsen als overige bezittingen moeten worden belast, met een forfaitair rendement van 5,38%. In cassatie is de vraag in welke categorie het aandeel valt, dus of het rendement 0,12% of 5,38% is.
De Hoge Raad heeft in dit kader een belangrijk oordeel genomen. Het oordeel stelt dat voor de vraag of de box-3 heffing discriminatoir is, het rendement van het gehele box-3 vermogen relevant is. Dit betekent dat de belastingdienst bij de berekening van het aandeel in VvE-reservefondsen rekening moet houden met het totale vermogen van de belastingplichtige.
Praktisch voorbeeld: Berekening van het aandeel in VvE-reservefondsen
Het aandeel in VvE-reservefondsen kan worden berekend aan de hand van de balans van de VvE. Voor de aangifte die voor 1 mei elk jaar moet worden ingevuld, is de balans van het laatste boekjaar nodig. Bij een volledig boekjaar is dit de balans van 31 december van het voorgaande kalenderjaar.
Een voorbeeld: Stel dat de VvE in totaal 100 breukdelen heeft en een eigenaar heeft 2 breukdelen. Het eigen vermogen van de VvE is € 100.000. Dan is het aandeel van de eigenaar 2/100e van € 100.000, dus € 2.000.
Als de VvE meerdere reserves heeft, bijvoorbeeld een reservefonds voor het groot onderhoud en een reservefonds voor het algemeen onderhoud, moet het aandeel in elk van deze fondsen apart worden berekend en vervolgens worden samengevoegd. Dit geldt ook als een eigenaar in meerdere VvE's is betrokken.
Het belang van deze berekening is dat het aandeel in de VvE-reservefondsen een fiscaal relevante waarde heeft. Het is daarom belangrijk dat eigenaren goed weten hoe ze hun aandeel moeten berekenen en opnemen in de aangifte.
Het Kerstarrest en het Herstelbesluit voor box 3
Het Kerstarrest HR BNB 2022/27 heeft geleid tot een herziening van de belastingaanslagen in box 3. In dit arrest stelde De Hoge Raad dat de box-3 heffing in sommige gevallen discriminatoir was en dat er rechtsherstel was nodig. Hierop volgde het Herstelbesluit, waarin de Belastingdienst bepaalde aanslagen herziet.
In het kader van dit Herstelbesluit is ook het aandeel in VvE-reservefondsen meegenomen. De Inspecteur heeft de aanslagen herzien en het totale rendement op alle vermogenscategorieën berekend. Voor VvE-reservefondsen is het rendement op basis van 5,38% berekend, wat het forfaitaire rendement voor overige bezittingen is.
Er is echter nog in geschil of dit rendement juist is. Het Hof Arnhem-Leeuwarden stelt dat het rendement van 0,12% zou moeten gelden, omdat VvE-reservefondsen worden gehouden op een aparte bankrekening. De Staatssecretaris van Financiën stelt echter dat het rendement van 5,38% juist is. In cassatie is de vraag of het Herstelbesluit genoeg rechtsherstel biedt zoals bedoeld in het Kerstarrest.
Belastingaanslagen en het voordeel uit sparen en beleggen
Het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 is het gevolg van het forfaitaire rendement dat op vermogensposities wordt berekend. Voor VvE-reservefondsen is er nu een vraag over welk rendement geldt. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het rendement van 0,12% geldt, terwijl de Staatssecretaris van Financiën het rendement van 5,38% verdedigt.
Het verschil tussen deze rendementen heeft een aanzienlijke invloed op het belastbaar inkomen. Bijvoorbeeld: Stel dat het aandeel in VvE-reservefondsen € 10.000 bedraagt. Bij een forfaitair rendement van 0,12% is het voordeel € 12,00. Bij een forfaitair rendement van 5,38% is het voordeel € 538,00. Het verschil is dus aanzienlijk.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden meent dat het werkelijke rendement op VvE-reservefondsen lager is dan het forfaitaire rendement van 5,38%, en dat dit rendement dus niet moet worden toegepast. De Staatssecretaris van Financiën stelt echter dat het rendement van 5,38% juist is en dat het voordeel uit sparen en beleggen op deze manier moet worden berekend.
Conclusie
Het aandeel in VvE-reservefondsen is een fiscaal relevante waarde die in de aangifte in box 3 moet worden opgenomen. Het aandeel wordt berekend aan de hand van de balans van de VvE en het aantal breukdelen. Als een eigenaar aan meerdere reserves deelt, moet elk aandeel apart worden berekend en samengevoegd.
De vraag is nu of het aandeel in VvE-reservefondsen moet worden belast als banktegoed (0,12%) of als overige bezitting (5,38%). Het Hof Arnhem-Leeuwarden stelt dat het rendement van 0,12% geldt, terwijl de Staatssecretaris van Financiën het rendement van 5,38% verdedigt. In cassatie is de vraag of het Herstelbesluit genoeg rechtsherstel biedt zoals bedoeld in het Kerstarrest.
Het oordeel van De Hoge Raad is dat voor de vraag of de box-3 heffing discriminatoir is, het rendement van het gehele box-3 vermogen relevant is. Dit betekent dat de belastingdienst bij de berekening van het aandeel in VvE-reservefondsen rekening moet houden met het totale vermogen van de belastingplichtige.
Voor appartementseigenaars is het belangrijk om goed te weten hoe hun aandeel in VvE-reservefondsen wordt berekend en hoe dit aandeel fiscaal wordt behandeld. Het is aan te raden om bij twijfel contact op te nemen met een belastingadviseur of de VvE voor duidelijkheid.