Risico-gebaseerd toezicht op voor- en vroegschoolse educatie in de Nederlandse gemeenten

Inleiding

De voor- en vroegschoolse educatie (VVE) speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van jonge kinderen en is daarom een onderwerp van nationale aandacht. In de afgelopen jaren is er een toenemend bewustzijn ontstaan over de kwaliteit van deze educatie, wat heeft geleid tot de invoering van risico-gebaseerd toezicht. Dit artikel bevat een overzicht van het huidige toezichtsbeleid op VVE, met een focus op de rol van de Inspectie van het Onderwijs en de GGD. Het artikel is opgesteld op basis van actuele informatie uit officiële bronnen en rapportages.

Het artikel legt de kaders van het risico-gebaseerd toezicht uit, beschrijft de toezichthoudende activiteiten van de Inspectie en de GGD, en analyseert de uitkomsten van inspecties in verschillende gemeenten. Daarnaast wordt ingegaan op de kwaliteitsaspecten en knelpunten die in de rapportages zijn genoemd, en welke maatregelen worden genomen om de kwaliteit van VVE te verbeteren.

Risico-gebaseerd toezicht op VVE: kaders en doelstellingen

De invoering van risico-gebaseerd toezicht op VVE is gestart in 2014, zoals beschreven in bron [4]. De GGD heeft in dat jaar een risicoprofiel opgesteld voor alle peuterspeelzalen. Op basis van dit profiel worden inspecties uitgevoerd die gericht zijn op de specifieke risico's per locatie. Dit betekent dat niet alle locaties dezelfde inspectieactiviteiten ondergaan, maar dat de toezichthouding afhankelijk is van de verwachtingen rondom de kwaliteit van de VVE.

De doelstelling van dit systeem is om gericht in te spelen op kwaliteitsvraagstukken en eventuele tekortkomingen, terwijl locaties die op basis van het risicoprofiel geen zorg wekken, slechts op korte termijn worden geïnspecteerd op de belangrijkste kwaliteitseisen. Deze aanpak is bedoeld om middelen efficiënt in te zetten en de kwaliteit van VVE te verbeteren zonder overinspectie.

De rol van de Inspectie van het Onderwijs

De Inspectie van het Onderwijs houdt sinds 2010 toezicht op de kwaliteit van VVE op peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en basisscholen, zoals beschreven in bron [3]. In het kader van dit toezicht zijn onder andere nulmetingen uitgevoerd, die aantonen dat op vve-locaties in het algemeen wel wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden zoals groepsgrootte, aantal geschoolde leidsters en het aantal dagdelen VVE. Bovendien is het pedagogisch klimaat op veel locaties uitstekend.

Toch zijn er knelpunten geïdentificeerd. Zo is er sprake van tekortkomingen op het gebied van aanbod en toeleiding van VVE, ouderbetrokkenheid, interne kwaliteitszorg en de doorgaande lijn van vroegschoolse educatie naar basisscholen. In veel gemeenten ontbreken afspraken over de doelen en resultaten van VVE. Uit een bestandsopname bleek dat slechts in 15 procent van de gemeenten afspraken zijn gemaakt over de gewenste VVE-resultaten.

De inspectie houdt regelmatig contact met gemeenten om te bespreken op welke onderwerpen en locaties specifiek VVE-toezicht wordt uitgevoerd. Dit gebeurt op basis van geconstateerde knelpunten. Ook kan de inspectie zelf besluiten om VVE-toezicht uit te voeren als er signalen zijn van tekortkomingen. In de komende jaren wordt het toezicht op het onderdeel toeleiding verscherpt.

Inspectierapportages per gemeente

De Inspectie van het Onderwijs heeft gedetailleerde rapportages opgesteld voor een aantal gemeenten, zoals beschreven in bron [1]. Deze rapportages geven inzicht in de uitvoering van VVE in specifieke regio’s en zijn beschikbaar via de officiële website van de inspectie. Voorbeelden van gemeenten waarvan rapportages beschikbaar zijn, zijn Alkmaar, Almelo, Almere, Alphen aan den Rijn, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem en Assen.

De inspectie onderzoekt zowel kinderdagverblijven die VVE bieden als vroegscholen waar vroegschoolse educatie wordt aangeboden. De rapportages bevatten analyses van de kwaliteit van het onderwijs, de samenwerking tussen gemeenten en scholen, en eventuele aandachtspunten voor verbetering. In gemeenten zoals Alkmaar en Amsterdam zijn rapportages gepubliceerd waarin de kwaliteit van VVE wordt geanalyseerd op basis van bezoeken aan kinderopvanglocaties. Deze inspecties geven aan of de wettelijke voorwaarden zijn nageleefd en of er voldoende aandacht is voor de taal- en ontwikkelingsbegeleiding van kinderen.

VVE-beleid en uitvoering: de gemeente Dongen als voorbeeld

In het schooljaar 2016-2017 heeft de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoering van VVE-verplichtingen, zoals beschreven in bron [2]. Tijdens deze inspectie is onder andere de gemeente Dongen beoordeeld op verschillende beleidsonderdelen. De gemeente scoort als volgt:

  • Definitie doelgroep: 3
  • Bereik: 3
  • Toeleiding naar VVE: 3
  • Ouderbetrokkenheid: 2
  • Integraal programma VVE: 3
  • Externe zorg: 3
  • Interne kwaliteitszorg voor- en vroegscholen: 2
  • Doorgaande lijn: 3
  • Resultaten-afspraken: 1
  • Coördinatie: 3
  • Systematisch evaluatie en verbetering: 2
  • GGD rapport: 3
  • Subsidie kader: 3

De scores variëren per onderdeel, waarbij 4 staat voor een uitstekende uitvoering en 1 voor een noodzakelijk verbeterpunt. De gemeente Dongen scoort het laagst op het onderdeel "Resultaten-afspraken", wat aangeeft dat hier nog verbetering mogelijk is. In de rapportage worden ook aandachtspunten genoemd, zoals het ontbreken van duidelijke afspraken over gewenste resultaten van VVE en tekortkomingen in de interne kwaliteitszorg.

Toeleiding en indicatie VVE

Een van de knelpunten die in de rapportages worden genoemd, is de toeleiding naar VVE, zoals beschreven in bron [2]. De toeleiding naar VVE betreft de identificatie van kinderen die het meest kans zien op onderwijsachterstand en die daarom het meest in aanmerking komen voor VVE. Dit proces is van groot belang om ervoor te zorgen dat het VVE-aanbod gericht is op de kinderen die het het meest nodig hebben.

In de praktijk wordt een check uitgevoerd als een kind dat door JGZ is gemeld 2,5 jaar is. Ook kan de kdo of peuteropvang een aanvraag doen voor onderzoek indicatie VVE bij JGZ. Dit kan gebeuren via overleg op locatie of individueel. Na een consultatie op het Consultatiebureau wordt besloten of er sprake is van indicatie VVE, waarna het traject met 2,5 jaar kan beginnen. Als er geen indicatie is, wordt het kind niet opgenomen in het VVE-programma.

In de periode tussen 2,5 en 4 jaar wordt de doelgroeppeuter in de gaten gehouden. Bij twijfel kan JGZ worden ingeschakeld om te observeren. Dit proces is bedoeld om zeker te stellen dat kinderen die in aanmerking komen voor VVE ook daadwerkelijk toegang krijgen tot het programma.

Ouderbetrokkenheid en kwaliteitszorg

Een ander knelpunt dat in meerdere rapportages wordt genoemd, is ouderbetrokkenheid. Ouders spelen een cruciale rol in de ontwikkeling van kinderen en hun betrokkenheid bij het VVE-programma is daarom van groot belang. Toch blijkt uit de inspectierapportages dat ouderbetrokkenheid in veel gemeenten nog verbetering kan gebruiken.

De Inspectie van het Onderwijs stelt dat in de meeste gemeenten afspraken ontbreken over de gewenste resultaten van VVE en dat de interne kwaliteitszorg voor- en vroegscholen niet op voldoende niveau is. Dit betekent dat er weinig systematisch evaluatie en verbetering plaatsvindt binnen de VVE-locaties. In de rapportages wordt aangeraden om meer aandacht te besteden aan ouderbetrokkenheid en de uitvoering van interne kwaliteitscontroles.

De rol van de GGD

De GGD speelt een belangrijke rol bij het toezicht op VVE. De GGD toetst of aanbieders voldoen aan de voorwaarden waarbinnen VVE moet worden uitgevoerd, zoals beschreven in bron [2]. Tijdens deze inspecties worden alle domeinen uit de Wet Kinderopvang en Kwaliteit Peuterspeelzalen (Wkkp), inclusief VVE, geïnspecteerd. Op dit moment voldoen alle aanbieders aan de wettelijke voorwaarden.

De GGD houdt jaarlijks toezicht op alle locaties, inclusief gastouderbureaus. Op basis van het risicoprofiel dat in 2014 is opgesteld, wordt de benodigde inspectieactiviteit voor elke locatie bepaald. De toezichthouder stelt de omvang, diepgang, frequentie en type van onderzoek vast. Dit leidt tot een inspectie op maat voor iedere locatie.

Locaties waarvan wordt verwacht dat geen zorg is over de kwaliteit, worden minstens getoetst op de belangrijkste kwaliteitseisen, ook wel bekend als 'kernelementen'. Deze aanpak zorgt ervoor dat de GGD gericht in kan spelen op kwaliteitsvraagstukken en dat er geen overinspectie plaatsvindt.

Toekomstige ontwikkelingen en verbeteringen

De Inspectie van het Onderwijs en de GGD werken samen aan maatregelen om de kwaliteit van VVE te verbeteren. In het kader van deze maatregelen is het taalniveau van pedagogisch medewerkers van belang. Er is een sluitende aanpak nodig voor de toeleiding naar VVE van doelgroepkinderen in alle gemeenten. In de komende kabinetsperiode is er een flinke verbeterslag mogelijk, zoals beschreven in bron [3].

De Inspectie rapporteert de bevindingen van het toezicht aan de gemeenten. Per gemeente is een gemeentelijk rapport beschikbaar dat de beoordeling van het VVE-beleid en het totaalbeeld van de beoordeelde VVE-locaties bevat. Deze rapportages worden ingezet om het VVE-beleid te verbeteren. Over de effecten van de wet Oke wordt in juli 2014 gerapporteerd, wanneer de evaluatie van de wet is afgerond.

Aanvullend op de verbeteracties van de gemeenten worden maatregelen genomen op het niveau van het stelsel. Dit omvat onder andere het verbeteren van het taalniveau van pedagogisch medewerkers en een sluitende aanpak voor de toeleiding naar VVE. Deze maatregelen zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat gemeenten hun verantwoordelijkheden op het terrein van VVE kunnen waarmaken.

De rol van de Inspectie in de G37-gemeenten

De Inspectie van het Onderwijs heeft in de afgelopen jaren ook specifieke aandacht besteed aan de G37-gemeenten. Deze gemeenten zijn gekozen omdat ze grote gemeenten zijn en daarmee een grote impact kunnen hebben op de kwaliteit van VVE in het land. In 2014 heeft de inspectie een tussentijdse meting uitgevoerd over de uitvoering van afspraken met de G37-gemeenten. In 2016 volgden de eindresultaten, zoals beschreven in bron [3].

De tussentijdse meting was bedoeld om inzicht te krijgen in de voortgang van de verbeteringen in deze gemeenten. Als de inspectie tussentijds constateert dat er onvoldoende voortgang wordt geboekt, zal de inspectie de gemeenten aanspreken en afspraken maken voor verbetering. Deze aanpak zorgt ervoor dat de G37-gemeenten op tijd ingrijpen als er kwaliteitsvraagstukken zijn.

Conclusie

Risico-gebaseerd toezicht op voor- en vroegschoolse educatie is een essentieel onderdeel van het huidige beleid in de Nederlandse gemeenten. Door middel van dit systeem wordt gericht ingezet op kwaliteitsvraagstukken en worden middelen efficiënt ingezet. De Inspectie van het Onderwijs en de GGD spelen een cruciale rol bij het toezicht op VVE. De Inspectie houdt toezicht op de inhoudelijke kwaliteit van VVE, terwijl de GGD zich richt op de wettelijke voorwaarden.

Hoewel de meeste aanbieders op dit moment voldoen aan de wettelijke voorwaarden, zijn er nog knelpunten op het gebied van toeleiding, ouderbetrokkenheid en interne kwaliteitszorg. In de komende jaren is het de bedoeling om deze knelpunten aan te pakken en de kwaliteit van VVE verder te verbeteren. Dit gebeurt door middel van verbeteracties op gemeentelijk niveau en maatregelen op het niveau van het stelsel.

De Inspectie rapporteert de bevindingen van het toezicht aan de gemeenten, zodat deze informatie kan worden ingezet voor het verbeteren van het VVE-beleid. De komende evaluatie van de wet Oke in juli 2014 zal geven inzicht in de effecten van de huidige maatregelen en de voortgang die is geboekt. Door deze aanpak kan de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie in Nederland verder worden verbeterd, zodat jonge kinderen de beste start op hun schoolloopbaan krijgen.

Bronnen

  1. De rol van de inspectie van het onderwijs bij voor- en vroegschoolse educatie
  2. Lokale regelgeving
  3. Kwaliteit van VVE: Inspectierapportages
  4. Risico-gebaseerd toezicht op peuterspeelzalen

Related Posts