Inleiding
De implementatie van voorschoolse educatie (VVE) in Nederland, en met name voor groep G4, is onderdeel van een bredere inspanning om onderwijsachterstanden op te sporen en te voorkomen bij jonge kinderen. Het SER Goede Start programma stelt voor dat kinderen van 2 tot 4 jaar recht hebben op 16 uur voorschoolse educatie per week, binnen 40 weken per jaar. In de context van VVE in G4, zijn verschillende studies en beleidsanalyse verricht, waaronder het Pre-COOL cohortonderzoek en een quasi-experimenteel onderzoek door het CPB. Deze studies tonen aan dat voorschoolse educatie een positieve impact heeft op de ontwikkeling van kinderen met een risico op onderwijsachterstand, hoewel de methodologie en conclusies niet altijd causaal zijn aangetoond.
In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de effecten van VVE in G4, met aandacht voor beleidskaders, financiering, kwaliteit van de voorschoolse voorzieningen en de rol van gemeenten bij de implementatie. Het artikel richt zich vooral op de inhoud van de officiële documenten en studies, zonder gebruik te maken van externe kennis of speculaties.
Beleidskaders en Definities
Gerichte Aanpak in G4
De SER-voorstel richt zich op een gerichte aanpak, waarbij de voorschoolse educatie gericht is op kinderen met een risico op onderwijsachterstand. Uit het Pre-COOL cohortonderzoek blijkt dat gerichte interventies effectief zijn in het verminderen van ontwikkelingsachterstanden. Dit is een belangrijke aandachtpunt in het beleid, omdat het doel is om middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten.
In variant E van de SER-voorstel wordt gewerkt met een relatief grote doelgroep en een lage drempel. Hierdoor komen ook kinderen met een lager risico op onderwijsachterstand in aanmerking voor de voorschoolse educatie. De verdeling van middelen en het budget wordt hierdoor over meer scholen verdeeld. Er is echter geen wetenschappelijke evidentie vanaf welke doelgroepgrootte de inzet van middelen minder effectief wordt. Het is daarom belangrijk om de kwaliteit van de voorschoolse voorzieningen hoog te houden, ongeacht de omvang van de doelgroep.
De Rol van Gemeenten in G4
Gemeenten spelen een centrale rol in de implementatie van VVE in G4. Zij hebben de vrijheid om hun eigen doelgroepdefinitie te ontwikkelen en te hanteren. Er is daarom geen eenduidige vve-doelgroep die overal in Nederland gelijk is. De onderzoekers van het Pre-COOL cohortonderzoek hebben er daarom voor gekozen om de kinderen in de steekproef onder te verdelen naar drie kenmerken of combinaties daarvan: het opleidingsniveau van de ouder, etniciteit en thuistaal.
Hoewel gemeenten vrije keuze hebben in de afbakening van de doelgroep, is het van belang dat zij zorgvuldig overleggen met scholen en andere instellingen om ervoor te zorgen dat de voorschoolse educatie effectief wordt ingezet. De verdeling van middelen is een verdelingssystematiek, en gemeenten en scholen zijn vrij om de ontvangen middelen zo goed mogelijk in te zetten.
Financiering en Kostenplaatjes
Uitgangspunten van de SER-voorstel
In de lichtste variant van het SER-voorstel wordt ervan uitgegaan dat 85% van de peuters van 2,5 tot 4 jaar 16 uur per week gedurende 40 weken gebruik maken van een aanbod op vve-kwaliteitsniveau. Voor de groep die nu geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, wordt de extra kinderopvangtoeslag in het kostenplaatje meegenomen. Voor de groep die nu al gebruik maakt van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat er geen extra uitgaven aan kinderopvangtoeslag zijn ten opzichte van de huidige situatie.
Er wordt echter wel gerekend met 16 uur deelname, maar de verhoging van de kinderopvangtoeslag die dit met zich meebrengt wordt ten onrechte niet meegenomen. De meerkosten hiervan betreffen maximaal circa €130 miljoen bovenop de geraamde €210 miljoen. Dit betekent dat de financiering van VVE in G4 aanzienlijk is, maar ook dat het van belang is om de kosten zo efficiënt mogelijk in te zetten.
Compensatie voor Gemeenten
Het verplichte verhogen van het aantal uren van 10 naar 16 uur per week heeft invloed op de financiering van gemeenten. Het is daarom belangrijk dat gemeenten voldoende worden gecompenseerd voor deze verhoging. Uit de bronnen is te lezen dat gemeenten en aanbieders vrij zijn om maatwerk aan te bieden binnen de wettelijke kaders. Dit betekent dat er flexibiliteit is in de uitvoering van VVE, maar ook dat er duidelijke financieringsmechanismen nodig zijn om ervoor te zorgen dat gemeenten in staat zijn om de verplichte verhoging van uren te realiseren.
Kwaliteit van Voorschoolse Educatie
Pre-COOL Cohortonderzoek
Het Pre-COOL cohortonderzoek is het omvangrijkste longitudinale onderzoek dat de ontwikkeling van peuters en kleuters in de voor- en vroegschoolse fase in kaart brengt. Hoewel dit onderzoek geen experimentele of quasi-experimentele opzet heeft, toont het wel aan dat kinderen met een risico op onderwijsachterstand overwegend voorschoolse educatie volgen. Deze voorzieningen zijn van hogere kwaliteit en de kinderen lopen een deel van hun achterstand in. Dit is conform de beleidsdoelen van de SER-voorstel.
Een belangrijke beperking van het Pre-COOL onderzoek is dat de effectiviteit van onderwijsachterstandenbeleid toeneemt bij een gerichte aanpak. Dit betekent dat de inzet van middelen minder effectief kan zijn bij een grotere doelgroep, zoals in variant E. Ondanks deze beperking blijft het Pre-COOL onderzoek een belangrijke bron van inzicht in de effecten van VVE in Nederland.
CPB Onderzoek
Het CPB-onderzoek naar de vve-intensivering in de G37 van 2012 is quasi-experimenteel van opzet en maakt gebruik van variatie op gemeenteniveau. Dit onderzoek toont aan dat de intensivering van VVE heeft geleid tot een betere doorstroom van kinderen met een risico op onderwijsachterstand naar groep 3. Dit is een positief effect van VVE en ondersteunt de keuze voor een intensere aanpak in G4.
Het CPB-onderzoek is daarom een belangrijke onderbouwing voor het SER-voorstel, omdat het aantoont dat gerichte interventies effectief zijn in het verminderen van onderwijsachterstanden. Het gebruik van variatie op gemeenteniveau maakt het mogelijk om causale effecten van VVE te analyseren, wat het Pre-COOL onderzoek niet doet.
De Discussie over Effecten en Methode
Meta-analyse en Bias
In de meta-analyse van Fukkink (2015) wordt aangegeven dat er een sterke bias lijkt te zijn in het rapporteren van positieve effecten van VVE. Tegenvallende resultaten worden soms als een "inconvenient truth" beschouwd. Dit is een belangrijke kritiek op de huidige literatuur, omdat het betekent dat het beeld van de effecten van VVE mogelijk niet objectief is.
Hoewel de meta-analyse gebaseerd was op studies tot 2015, zijn er sindsdien nieuwe studies gepubliceerd, waaronder het Pre-COOL cohortonderzoek. Deze studies tonen aan dat VVE effectief is in het verminderen van onderwijsachterstanden. Het is daarom belangrijk om de kritiek van Fukkink te zien in het licht van deze nieuwe studies.
Methodologische Beperkingen
Een experimenteel onderzoek naar de effecten van VVE op individuele kinderen is niet mogelijk, omdat het niet strikt is om leerlingen willekeurig toe te wijzen aan wel-vve of niet-vve. Dit maakt het moeilijk om causale effecten te tonen. De Pre-COOL onderzoekers hebben daarom gekozen voor een cohortonderzoek, waarbij kinderen over een langere periode worden gevolgd. Hoewel dit niet causaal is, geeft het wel een duidelijk beeld van de effecten van VVE in de praktijk.
Conclusie
De implementatie van VVE in G4 is een belangrijk onderdeel van het beleid om onderwijsachterstanden op te sporen en te voorkomen bij jonge kinderen. Het SER-voorstel voor 16 uur voorschoolse educatie per week is onderbouwd door studies zoals het Pre-COOL cohortonderzoek en het CPB-onderzoek. Deze studies tonen aan dat gerichte interventies effectief zijn in het verminderen van onderwijsachterstanden.
Hoewel de methodologie van het Pre-COOL onderzoek beperkt is, blijft het een waardevolle bron van inzicht in de effecten van VVE. Het is belangrijk om ook kritische kijk te houden op de literatuur, zoals de kritiek van Fukkink op de bias in het rapporteren van positieve effecten. De financiering van VVE in G4 is aanzienlijk, maar het is van belang om ervoor te zorgen dat gemeenten voldoende worden gecompenseerd voor de verplichte verhoging van uren van 10 naar 16.
In de toekomst is het belangrijk om ook verder te investeren in studies die causale effecten van VVE kunnen tonen. Dit zal helpen om het beleid verder te verbeteren en ervoor te zorgen dat middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet. De rol van gemeenten en scholen blijft daarbij centraal, aangezien zij verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van VVE in de praktijk.