Inleiding
Het aandeel in de reserves van een Vereniging van Eigenaren (VvE) speelt een belangrijke rol in de belastingregeling van box 3. In de context van de Overbruggingswet box 3 en het Besluit rechtsherstel box 3 is het verwerken van dit vermogensdeel van grote betekenis. De Belastingdienst, rechters en wetgevers hebben zich al jarenlang bezig gehouden met de vraag hoe dit aandeel moet worden belast. De kern van het probleem is dat de aandelen in VvE-reserves niet eenduidig zijn toegewezen aan een vermogenscategorie, terwijl dit noodzakelijk is voor de berekening van het box 3-inkomen.
In dit artikel wordt ingegaan op de juridische, fiscale en praktische aspecten van het aandeel in VvE-reserves. Het artikel is opgebouwd uit meerdere onderdelen die elk een aspect van het thema belichten, zoals de juridische kwalificatie van het aandeel, het rendement dat op dit vermogen wordt verwerkt en de juridische beslissingen die het thema hebben beïnvloed.
Juridische kwalificatie van het aandeel in VvE-reserves
Een aandeel in de reserves van een VvE is een vermogensrecht dat samenhangt met het lidmaatschap in de VvE. De Hoge Raad heeft in een uitspraak van 13 augustus 2010 bepaald dat sprake is van een vermogensrecht, dat kwalificeert als “overige bezitting”. Dit is een belangrijke juridische kwalificatie, omdat het bepaalt hoe het vermogen wordt belast in de context van box 3.
Het aandeel in VvE-reserves is echter niet separaat zichtbaar in de systemen van de Belastingdienst. Dit is in tegenstelling tot contant geld, dat sinds 2020 wel apart in de systeemregistratie staat. De Belastingdienst kan het aandeel in VvE-reserves daarom niet apart behandelen, wat heeft geleid tot het debat over de toepassing van het rendement.
Rendement op aandelen in VvE-reserves
Het rendement dat op aandelen in VvE-reserves wordt verwerkt, is een cruciale factor in de berekening van het box 3-inkomen. In het wetsvoorstel Overbruggingswet box 3 is contant geld ingedeeld in de categorie banktegoeden met een rendementspercentage van 0,01%. Het aandeel in het vermogen van een VvE wordt ingedeeld in de categorie overige bezittingen met een rendementspercentage van 6,17%.
Echter, in praktische juridische procedures is de toepassing van het rendement nog steeds discussiegevoelig. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep geoordeeld dat bij het bieden van rechtsherstel aan de belanghebbenden voor hun aandelen in de VvE-reserves uitgegaan moet worden van het rendement van 0,12%. Dit rendement is lager dan het standaardrendement op overige bezittingen (5,38%), wat een aanzienlijk verschil maakt bij de berekening van het box 3-inkomen.
De reden achter deze juridische keuze is dat de reserves van VvE's in de praktijk voor 99,9% bestaan uit banktegoeden. De Belastingdienst heeft in haar systemen onderzocht hoe deze reserves zijn ondergebracht en concludeerde dat deze grotendeels op bank- of spaarrekeningen staan. Daarom is het logisch om het rendement van banktegoeden te hanteren bij de belastingberekening.
Box 3-inkomen en het rechtsherstel
De berekening van het box 3-inkomen is een van de kernpunten in de overbruggingsregeling. Het nieuwe box 3-inkomen wordt berekend door het vermogen aan te passen aan het daadwerkelijke rendement. Als het nieuwe inkomensbedrag lager is dan het oorspronkelijke inkomensbedrag, wordt het nieuwe bedrag gebruikt. Is het nieuwe inkomensbedrag hoger, dan blijft het oorspronkelijke bedrag van kracht.
In de procedure waarin de belanghebbenden hun aanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wilden verminderen, is het nieuwe inkomensbedrag lager dan het oorspronkelijke. Het Hof heeft hier echter een afwijkende benadering gekozen door op het aandeel in VvE-reserves het rendement van 0,12% toe te passen, in plaats van de 5,38%. Hiermee is het nieuwe inkomensbedrag aanzienlijk lager geworden dan het oorspronkelijke, waardoor de reductie in belastingaanslagen groter is.
Het Hof heeft deze afwijkende aanpak gerechtvaardigd met het argument dat het forfaitaire rendement van 5,38% hoger is dan het daadwerkelijke rendement. Daarom is het Hof van oordeel dat het rechtsherstel onvoldoende is bij gebruik van het standaardrendement. Dit heeft geleid tot juridische discussies over de toepassing van de regelgeving in artikel 5:126, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek, dat VvE’s verplicht reserves aan te houden op een aparte bank- of spaarrekening.
Praktische gevolgen voor eigenaren en belastingplichtigen
De juridische en fiscale kwalificatie van het aandeel in VvE-reserves heeft praktische gevolgen voor de eigenaren en belastingplichtigen. Het aandeel in de reserves is geen zelfstandig vermogensbestanddeel waarover de belastingplichtige vrij kan beschikken. Bij verkoop van de woning gaat het aandeel in de reserves over naar de nieuwe eigenaar. Dit maakt het belangrijk dat het vermogen correct wordt belast in de context van box 3.
Het feit dat het aandeel in VvE-reserves niet separaat zichtbaar is in de systeemregistratie van de Belastingdienst, heeft geleid tot discussies over de toepassing van het rendement. In de Overbruggingswet box 3 is er geen specifieke verfijning voorzien voor het aandeel in VvE-reserves. Dit heeft geleid tot juridische procedures waarin de toepassing van het rendement centraal staat.
Juridische beslissingen en hun impact
De uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep heeft een duidelijke impact op de belastingplichtigen. Het Hof heeft bepaald dat bij het bieden van rechtsherstel voor aandelen in VvE-reserves uitgegaan moet worden van het rendement van 0,12%. Dit is een lage waarde in vergelijking met het standaardrendement op overige bezittingen (5,38%).
De uitspraak is gebaseerd op het feit dat het vermogen van VvE’s in de praktijk voor 99,9% uit banktegoeden bestaat. De Belastingdienst heeft onderzocht hoe dit vermogen is ondergebracht en concludeerde dat de reserves grotendeels op bank- of spaarrekeningen staan. Deze inzichten zijn van belang bij de kwalificatie van het aandeel in VvE-reserves als een vermogensbestanddeel.
De uitspraak heeft ook gevolgen voor de toekomstige belastingregeling. Hoewel in de overbruggingsperiode geen verfijning voorzien is, is het mogelijk dat de regelgeving in de toekomst wordt aangepast aan de werkelijkheid. De Overbruggingswet box 3 streeft immers naar een regeling waarbij het box 3-inkomen wordt berekend op basis van het daadwerkelijke rendement.
Conclusie
Het aandeel in VvE-reserves is een belangrijk vermogensbestanddeel dat in de belastingregeling van box 3 een specifieke rol speelt. Het juridische karakter van dit aandeel is bepaald door de uitspraak van de Hoge Raad, die het kwalificeert als een vermogensrecht dat valt onder de categorie overige bezittingen. De toepassing van het rendement is echter nog steeds discussiegevoelig, zoals blijkt uit de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden.
Het Hof heeft bepaald dat het rendement van 0,12% moet worden toegepast op het aandeel in VvE-reserves. Deze aanpak is gebaseerd op het feit dat het vermogen van VvE’s in de praktijk voor 99,9% uit banktegoeden bestaat. Deze inzichten zijn van belang bij de berekening van het box 3-inkomen en het bieden van rechtsherstel aan de belanghebbenden.
De praktische gevolgen voor eigenaren en belastingplichtigen zijn aanzienlijk. Het aandeel in VvE-reserves is geen zelfstandig vermogensbestanddeel waarover de belastingplichtige vrij kan beschikken. Bij verkoop van de woning gaat het aandeel in de reserves over naar de nieuwe eigenaar. Het is daarom belangrijk dat het vermogen correct wordt belast in de context van box 3.