Inleiding
Sinds 2010 is de inspectie verantwoordelijk voor het toezicht op de kwaliteit van vroeggezinsteun (vve) in peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en basisscholen. Dit toezicht omvat zowel het beoordelen van kwaliteit als het monitoren van de doorgaande leerlijn van vve naar basisonderwijs. Uit de nulmeting die de inspectie uitvoerde, bleek dat de meeste locaties aan de wettelijke eisen voldoen in termen van groepsgrootte, personeel en aantal dagdelen. Echter, knelpunten zijn opgemerkt op het vlak van toeleiding, ouderbetrokkenheid, interne kwaliteitszorg en het afstemmen van vve-resultaten op schoolniveau.
De inspectie werkt daarom met gemeenten samen om verbeteringen te realiseren. Tegelijkertijd zorgt het toezicht ervoor dat gemeenten inzicht krijgen in de kwaliteit van het vve-aanbod in hun regio. Aan de hand van rapportages en beoordelingen kunnen gemeenten gericht acties ondernemen om het vve-beleid te verbeteren. In dit artikel bespreken we de rol van de inspectie, de methodiek van het toezicht, de uitkomsten van eerdere evaluaties en de maatregelen die genomen zijn om de kwaliteit van vve te verbeteren.
Rol en doel van de inspectie
De inspectie heeft als opdracht om toezicht te houden op de kwaliteit van vroeggezinsteun (vve) en te bewaken dat het aanbod voldoet aan de wettelijke eisen. Dit toezicht is van belang om ervoor te zorgen dat jonge kinderen vanaf de leeftijd van 1 jaar tot en met 4 jaar voldoende ondersteuning krijgen in hun ontwikkeling. De inspectie voert dit toezicht op basis van geconstateerde knelpunten, die op basis van signalen van ouders, professionals of andere betrokkenen worden ingezet.
De inspectie rapporteert jaarlijks over de stand van zaken in het onderwijs- en zorgstelsel en publiceert haar bevindingen in het Onderwijsverslag. Deze rapportages zijn openbaar en geven inzicht in de kwaliteit van het vve-aanbod per gemeente. Daarnaast ontvangt elke gemeente een apart rapport dat specifiek gericht is op het vve-beleid en het kwaliteitsbeeld van de betreffende regio.
De inspectie werkt op basis van risicogestuurd toezicht. Dit betekent dat de aandacht van de inspectie gericht is op locaties waar sprake is van zorgen. Voor locaties die aan de eisen voldoen, is het toezicht minder intensief. Deze aanpak zorgt ervoor dat middelen efficiënt worden ingezet en dat gemeenten in staat worden gesteld om gericht acties te ondernemen op de belangrijkste knelpunten.
Methodiek van het toezicht
Het toezicht op vve is een complex proces dat uit meerdere onderdelen bestaat. De inspectie beoordeelt of een kindercentrum of voorschoolse educatievorm voldoet aan de kwaliteitseisen. Dit gebeurt op basis van bezoeken aan locaties, waarbij de inspectie kijkt naar aspecten zoals pedagogisch klimaat, organisatie van de dag, groepsgrootte, aantal geschoolde medewerkers, en het aanbod van activiteiten. Ook wordt gekeken naar de doorgaande leerlijn van vve naar basisonderwijs en of ouders voldoende betrokken zijn in het proces.
Na een inspectiebezoek wordt een rapport opgesteld dat beschrijft wat de inspectie heeft gevonden en of er overtredingen zijn geconstateerd. Als dat het geval is, kan de gemeente handhavingsmaatregelen nemen. In het rapport wordt ook advies gegeven aan de gemeente om verbeteringen aan te brengen. Deze adviezen zijn gericht op het verbeteren van het kwaliteitsniveau van vve en het verbeteren van het toeleidingssysteem.
De inspectie werkt nauw samen met gemeenten bij de uitvoering van het toezicht. In het kader van risicogestuurd toezicht is het doel om middelen efficiënt in te zetten en om gemeenten te ondersteunen bij het verbeteren van hun vve-beleid. De inspectie stelt zich open voor signalen van ouders en professionals en gebruikt deze als uitgangspunt voor verdere inspectieactiviteiten.
Uitkomsten van de nulmeting en tussenmeting
De nulmeting die de inspectie heeft uitgevoerd, toonde aan dat vve-locaties in de regel aan de wettelijke eisen voldoen. De groepsgrootte, het aantal geschoolde medewerkers en het aantal dagdelen vve zijn in lijn met de wettelijke voorwaarden. Bovendien is het pedagogisch klimaat in de meeste locaties uitstekend. Echter, werden ook knelpunten geïdentificeerd op het gebied van toeleiding, ouderbetrokkenheid en interne kwaliteitszorg.
Bijvoorbeeld, in 85% van de gemeenten zijn er geen afspraken gemaakt over de gewenste vve-resultaten. Dit betekent dat het is niet duidelijk wat voor resultaten worden verwacht op schoolniveau en hoe deze worden gemeten. In deze gemeenten heeft de inspectie het oordeel "een noodzakelijk verbeterpunt" gegeven. Dit betekent dat verbeteringen op deze punten dringend zijn en dat de gemeente hier op korte termijn actie op moet nemen.
Een tussenmeting in 2014 gaf aan dat verbeteringen op gang zijn gekomen, maar dat er nog veel werk is aan de hand. De inspectie heeft in die periode rapportage uitgebracht over de stand van zaken in de G37-steden, een groep van grote steden in Nederland. In 2016 volgden de eindresultaten van deze evaluatie. Uit deze eindresultaten zou duidelijk worden of de kwaliteit van vve in deze steden verbeterd is. Als de inspectie tussentijdse signalen zou ontvangen dat de voortgang onvoldoende is, zou het kabinet besluiten om gemeenten hierop aan te spreken en verbetermaatregelen af te spreken.
Verbetermaatregelen en wettelijke verplichtingen
Om de kwaliteit van vve te verbeteren, is het belangrijk dat gemeenten hun wettelijke verantwoordelijkheden serieus nemen. De gemeente heeft de wettelijke taak om op gemeentelijk niveau afspraken te maken over de organisatie van de doorlopende leerlijn en over de gewenste vve-resultaten. Echter, zoals blijkt uit de nulmeting, zijn deze afspraken in slechts 15% van de gemeenten gemaakt. In de overige gemeenten is het nog onduidelijk wat voor doelen er met vve worden gesteld en hoe deze worden gemeten.
De inspectie ziet dit als een dringend verbeterpunt. Gemeenten die hier op korte termijn verbetering in aan moeten brengen, krijgen hierover specifieke aandacht in het toezicht. De inspectie verwacht dat gemeenten deze wettelijke verantwoordelijkheid serieus nemen en samen met betrokken partijen, zoals peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en schoolbesturen, acties ondernemen om verbeteringen door te voeren.
Daarnaast is het belangrijk dat gemeenten jaarlijks rapporteren over het vve-aanbod, het bereik, de doorgaande leerlijn en de resultaatafspraken in hun gemeente. Deze rapportages zijn van belang voor de inspectie, die deze gebruikt om de stand van zaken in het onderwijs- en zorgstelsel te beoordelen. De inspectie rapporteert vervolgens over deze stand van zaken in het Onderwijsverslag.
Toeleiding en het bereik van vve
Een belangrijk knelpunt in het vve-stelsel is de toeleiding van kinderen naar vve. De inspectie streeft ernaar om hierin verbeteringen door te voeren, omdat het is belangrijk dat kinderen op tijd toegang krijgen tot vve. De toeleiding van kinderen naar vve is een complex proces dat uit meerdere onderdelen bestaat. De inspectie heeft een aantal richtlijnen opgesteld om het toeleidingssysteem te verbeteren.
Een eerste stap is om overeenstemming te bereiken over de doelgroep. Dit betekent dat het duidelijk moet zijn welke kinderen het belang hebben van vve en welke groepen prioriteit krijgen. Daarnaast is het belangrijk om het bereik van vve in beeld te brengen. Dit betekent dat gemeenten moeten weten hoeveel kinderen er op dit moment deel nemen aan vve en hoeveel kinderen nog niet toegang hebben. Deze informatie is van belang om doelen te stellen en verbeteringen door te voeren.
Voor het zorgen voor voldoende kwalitatief aanbod is het belangrijk dat gemeenten samenwerken met aanbieders van vve. Deze samenwerking moet uit mondelinge afspraken bestaan over wie welke taak heeft bij het toeleiden van kinderen naar vve. Ook is het belangrijk dat er afspraken zijn tussen consultatiebureaus en aanbieders van vve over de overdracht van gegevens en terugkoppeling. In dit proces is toestemming van de ouders nodig.
Daarnaast is het belangrijk dat gemeenten een systeem van signalering en plaatsing opzetten. Dit betekent dat consultatiebureaus op specifieke momenten signalen geven en vervolgens verwijzen naar vve. Deze samenwerking zorgt ervoor dat kinderen op tijd worden toegewezen aan vve en dat ouders voldoende worden ingelicht over de mogelijkheden.
Voor gemeenten buiten de G37 zijn extra maatregelen genomen om het totale proces van toeleiding in orde te brengen. Deze gemeenten hebben een beperkt budget, maar de inspectie zorgt voor voorlichting en begeleiding om verbeteringen op eenvoudige manieren door te voeren.
Actieve benadering van ouders
Een andere knelpunt is de ouderbetrokkenheid in het vve-proces. De inspectie stelt dat in veel gemeenten de ouderbetrokkenheid verbeterd kan worden. Ouders zijn een belangrijke betrokken partij in de ontwikkeling van jonge kinderen en hun betrokkenheid is van belang voor de kwaliteit van vve. De inspectie stelt daarom dat gemeenten actief moeten benaderen om ouders beter te informeren over vve en om hen actief te betrekken in het proces.
Een mogelijke maatregel is dat scholen bij het volgen en registreren van de ontwikkeling van de kleuters onderscheid maken tussen kinderen die wel of niet hebben deelgenomen aan vve. Zodra vve-resultaten op schoolniveau beschikbaar zijn, kunnen ook op gemeentelijk niveau realistische doelen worden gesteld. Deze doelen kunnen vervolgens worden gebruikt om verbeteringen door te voeren in het vve-aanbod.
De rapportages van de Inspectie van het Onderwijs over de kwaliteit van de locaties zijn openbaar en geven inzicht in de uitgangssituatie. Deze rapportages zijn van belang voor gemeenten, omdat ze aanknopingspunten geven om jaarlijks afspraken te maken met peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en schoolbesturen over het verbeteren van de kwaliteit van vve. De inspectie verwacht van gemeenten dat ze deze wettelijke opdracht, samen met de betrokken partijen, voortvarend oppakken.
De rol van de G37 en de VNG
De G37 is een groep van grote steden in Nederland die in het kader van de wet Oke een rol speelde in de verbetering van het vve-stelsel. De inspectie heeft in samenwerking met de G37 een tussentijdse meting uitgevoerd om te beoordelen of de kwaliteit van vve in deze steden verbeterd is. Uit deze meting zou duidelijk worden of de maatregelen die genomen zijn effect hebben gehad. In 2016 volgden de eindresultaten van deze evaluatie. Deze resultaten zijn belangrijk om te beoordelen of de kwaliteit van vve in Nederland als geheel verbeterd is.
De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) speelt ook een belangrijke rol in het verbeteren van het vve-stelsel. De VNG informeert gemeenten over het aantal plaatsen dat een gemeente in de komende jaren minimaal moet realiseren. Deze informatie is van belang om ervoor te zorgen dat het vve-aanbod voldoet aan de behoeften van de gemeente. De inspectie streeft ernaar om vanaf 2014 een actuele uitspraak te kunnen doen over het huidige vve-aanbod en -bereik. De inspectie, de VNG en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) bekijken samen of, en hoe, dit bereikt kan worden.
De inspectie kan dan beoordelen of er verbetering optreedt in het vve-aanbod en -bereik van gemeenten. Onlangs heeft het kabinet al geïnformeerd over de stand van zaken in het vve-stelsel, in reactie op Kamervragen over het bericht "Wachtlijsten op de voorschool groeien". Deze informatie is van belang om te beoordelen of het vve-stelsel in Nederland adequaat is en of er verbeteringen nodig zijn.
De toekomst van het toezicht op vve
Het toezicht op vve is een continue proces dat zich ontwikkelt. De inspectie streeft ernaar om in de toekomst het toezicht verder te verbeteren en efficiënter te maken. In de komende jaren zal de inspectie meer aandacht besteden aan het toezicht op toeleiding en ouderbetrokkenheid. Deze aandacht is van belang om ervoor te zorgen dat kinderen op tijd toegang krijgen tot vve en dat ouders voldoende worden ingelicht over de mogelijkheden.
Daarnaast is het belangrijk dat gemeenten actief meewerken aan het verbeteren van het vve-stelsel. De inspectie verwacht dat gemeenten hun wettelijke verantwoordelijkheden serieus nemen en samenwerken met betrokken partijen om verbeteringen door te voeren. Deze samenwerking is van belang om ervoor te zorgen dat het vve-stelsel in Nederland adequaat is en dat jonge kinderen voldoende ondersteuning krijgen in hun ontwikkeling.
In de toekomst zal de inspectie ook meer aandacht besteden aan de taalontwikkeling van pedagogische medewerkers. De taalniveau van deze medewerkers is van belang voor de kwaliteit van het vve-aanbod. De inspectie wil in de komende kabinetsperiode een flinke verbeterslag maken op dit gebied. Dit betekent dat er aandacht is voor de opleiding en training van pedagogisch medewerkers en dat er maatregelen worden genomen om het taalniveau te verbeteren.
Conclusie
Het toezichtkader van de inspectie op vroeggezinsteun (vve) is een belangrijk onderdeel van het onderwijs- en zorgstelsel in Nederland. De inspectie heeft als opdracht om te bewaken dat het vve-aanbod aan de wettelijke eisen voldoet en dat de kwaliteit van vve voldoet aan de verwachtingen. Uit de nulmeting en tussenmetingen is gebleken dat er knelpunten zijn op het gebied van toeleiding, ouderbetrokkenheid, interne kwaliteitszorg en het afstemmen van vve-resultaten op schoolniveau.
De inspectie werkt samen met gemeenten om verbeteringen door te voeren en stelt wettelijke verplichtingen op voor gemeenten. Deze verplichtingen zijn van belang om ervoor te zorgen dat gemeenten hun verantwoordelijkheden op het terrein van vve serieus nemen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de stand van zaken in het onderwijs- en zorgstelsel en publiceert haar bevindingen in het Onderwijsverslag.
In de toekomst zal de inspectie meer aandacht besteden aan het toezicht op toeleiding en ouderbetrokkenheid. Deze aandacht is van belang om ervoor te zorgen dat kinderen op tijd toegang krijgen tot vve en dat ouders voldoende worden ingelicht over de mogelijkheden. De inspectie verwacht dat gemeenten actief meewerken aan het verbeteren van het vve-stelsel en dat ze hun wettelijke verantwoordelijkheden serieus nemen.