De VVE, of voor- en vroegschoolse educatie, is een onderdeel van de Nederlandse kinderopvang die gericht is op de voorschoolse ontwikkeling van kinderen vanaf twee jaar tot aan hun start in de basisschool. Deze educatie is gericht op het stimuleren van rekenen, taal, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling. Een van de centrale aspecten van VVE is het wettelijke kader van 40 weken per jaar en 960 uren in totaal over 1,5 jaar, wat gemiddeld 16 uur per week uitmaakt. Een vaak voorkomend onderdeel van dit kader is het gegeven dat VVE in de regel 400 uur per jaar aanbiedt voor kinderen in de doelgroep. In dit artikel wordt een gedetailleerde en feitelijke analyse gegeven van wat dit betekent voor ouders, kinderopvangaanbieders en gemeenten.
Inleiding: VVE en de 400-uur norm
De VVE is ontworpen om jonge kinderen op een gestructureerde manier voor te bereiden op de overgang naar de basisschool. De wettelijke norm is 960 uren per kind in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar, verdeeld over 40 weken. Dit komt neer op gemiddeld 16 uren per week. Een vaak voorkomende situatie is dat de VVE-uren worden verdeeld over 400 uur per jaar (10 weken) voor kinderen in de doelgroep. Dit kader is niet wettelijk vastgelegd, maar vormt een gebruikelijke praktijk binnen de kinderopvangsector. Het heeft gevolgen voor het aanbod, de financiering en de bijdrage van ouders.
1. Wettelijke en beleidskaders voor VVE
1.1. Wettelijke kwaliteitseisen en registratie
Om aanbieders van VVE te kunnen zijn, moeten kinderopvanglocaties geregistreerd staan in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) met een VVE-registratie. Dit betekent dat de houder van de locatie voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen voor VVE. De VVE-programma's zijn geregistreerd in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut en moeten aan specifieke kwaliteitsnormen voldoen, zoals gestructureerde activiteiten op het gebied van rekenen, taal, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.
1.2. Uren en dagdelen
Volgens de bepalingen die gelden in de sector, is er minimaal 3 dagen of dagdelen per week VVE-aanbod nodig. VVE-uren mogen al vanaf 2 jaar worden aangeboden, maar uren tussen 2 en 2,5 jaar tellen niet mee voor de norm van 960 uur. Daarnaast mag maximaal 6 uur VVE per dag meetellen voor het behalen van de norm van 960 uur. Deze uren hoeven niet aaneengesloten te zijn.
Een aanbod van meer dan 40 weken per jaar is mogelijk. In de praktijk kan het VVE-aanbod worden gevarieerd, afhankelijk van de gekozen variant. Zo kan een kinderopvanglocatie kiezen voor dagdelen van 3,25 uur, 4 uur of zelfs 5,5 uur. VVE-peuters kunnen dan 5, 4 of 3 dagdelen per week afnemen, afhankelijk van de variant. Reguliere peuters nemen in beide gevallen 2 dagdelen per week.
1.3. 400 uur per jaar: een gebruikelijke praktijk
Hoewel de wettelijke norm 960 uur is, is het in de praktijk gebruikelijk dat VVE-uren worden verdeeld over 400 uur per jaar. Dit betekent dat de uren gemiddeld verdeeld zijn over 10 weken in plaats van 40. In combinatie met de norm van 16 uur per week is dit een logische uitkomst. Deze praktijk heeft gevolgen voor het contract met ouders en voor de financiering door de gemeente.
2. Gevolgen voor ouders: bijdrage, contract en uren
2.1. Ouderbijdrage en subsidie
De ouderbijdrage voor VVE is afhankelijk van het inkomen van ouders. Voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag (KOT), is de bijdrage berekend op basis van de VNG-adviestabel, die jaarlijks wordt gepubliceerd op www.vng.nl. Voor de VVE-doelgroep geldt dat de laatste 8 uur van de af te nemen 16 uur kosteloos zijn. Als ouders minder dan 16 uur willen deelnemen, hebben ze geen recht op deze gratis uren.
De gemeente vergoedt het verschil tussen de uurprijs die ouders betalen (maximaal € 8,50 in 2022) en de daadwerkelijke kosten van VVE (€ 12,35 in 2022). Dit betekent dat de gemeente voor elke VVE-doelgroep € 3,85 subsidie per uur verstrekt. Voor reguliere peuterplaatsen is het verschil kleiner (€ 0,33 per uur).
2.2. Veranderingen in contracten
Omdat het VVE-aanbod vaak is uitgebreid naar 400 uur per jaar, betekent dit dat ouders meestal een nieuw contract krijgen met een aangepast urenaanbod. Ook de hoogte van de ouderbijdrage verandert, afhankelijk van de gekozen variant door de organisatie en het gemeentelijk beleid.
Bijvoorbeeld, als een organisatie kiest voor dagdelen van 5,5 uur in plaats van 4 uur, betekent dit dat ouders minder dagdelen per week hoeven te afnemen om aan de 16-uur-norm te voldoen. Dit heeft directe gevolgen voor het contract en de bijdrage.
3. Gevolgen voor kinderopvangaanbieders
3.1. Urenuitbreiding en extra uren
Een kinderopvanglocatie die VVE aanbiedt, moet rekening houden met de urenuitbreiding. Dit betekent dat er extra uren zijn bovenop de reguliere peuteropvang. In de praktijk kan dit leiden tot een verlenging van de openbare openingstijden of een verhoging van het aantal beschikbare uren per week.
Een aanbod gedurende meer dan 40 weken per jaar is mogelijk. De financiële gevolgen hiervan worden meestal gedeeld tussen de gemeente en de ouders. De gemeente heeft een koptarief van € 0,76 per uur met een maximum van 8 uur per dag. Dit geldt zowel voor ouders die gebruik maken van VVE op basis van gemeentetoeslag als voor die met kinderopvangtoeslag.
3.2. Personeelskosten en kwaliteitsborging
Een van de belangrijkste kosten voor kinderopvangaanbieders is de inzet van een VVE-beleidsmedewerker of coach. Deze medewerker is verplicht om de kwaliteit van het VVE-programma te waarborgen en om de activiteiten op een gestructureerde manier te begeleiden. De kosten voor deze functie worden meestal gedeeld door de gemeente en de ouders.
In 2022 was de uurtarief voor een HBO-coach of pedagogisch beleidsmedewerker € 40 per uur. Aangezien deze medewerker verplicht 10 uren per jaar aanwezig moet zijn, zijn de totale kosten € 400 per jaar. Deze kosten worden gedeeld over 640 uur per jaar per doelgroeppeuter, wat neerkomt op € 0,625 per VVE-kind. Deze opslag is opgenomen in het tarief van € 12,35 per uur voor VVE in 2022.
4. Gevolgen voor gemeenten: financiering en beleid
4.1. Subsidie en koptarief
Gemeenten spelen een centrale rol in de financiering van VVE. In 2025 geldt een koptarief van € 0,76 per uur met een maximum van 8 uur per dag. Voor VVE-doelgroeppeuters geldt dat de gemeente subsidie verstrekt voor 2 extra dagdelen van 4 uren per week, mits de aanbieder kan aantonen dat het kind ook gebruik maakt van reguliere peuteropvang.
De subsidie is gericht op het stimuleren van een hoger aanbod van VVE-uren. Aanbieders moeten dit aanbod kunnen onderbouwen via een overeenkomst of contract. Als de inkomenssituatie van ouders verandert, bijvoorbeeld door het verkrijgen van kinderopvangtoeslag, vervalt het recht op gemeentetoeslag. Ouders zijn verplicht dit direct te melden aan de aanbieder.
4.2. Beleidsregels en adviestabellen
De financiële verdeling tussen ouders en gemeenten wordt bepaald door beleidsregels en adviestabellen. De VNG-adviestabel bepaalt de maximale bijdrage die ouders moeten betalen, afhankelijk van hun inkomen. Deze tabel wordt jaarlijks geüpdatet en is beschikbaar via www.vng.nl.
De gemeentetoeslag is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming die ouders ontvangen als het kind in de VVE-doelgroep valt. De hoogte van deze tegemoetkoming is afhankelijk van het inkomen en het aantal uren dat het kind opvangt. Voor kinderen die in de reguliere peuteropvang zitten, is er geen VVE-indicatie en dus ook geen gemeentetoeslag.
5. Vraag en aanbod: uitdagingen en kansen
5.1. Aanbodverdeling en flexibiliteit
De vraag naar VVE is gestegen in de afgelopen jaren. Dit heeft geleid tot een uitbreiding van het aanbod en een grotere flexibiliteit in de urenverdeling. Aanbieders kunnen kiezen voor verschillende varianten van dagdelen en uren, afhankelijk van de behoefte van de ouders.
In sommige gemeenten is er sprake van een beperkte correctie in het aanbodwezen, vooral in de overgangsperiode. In 2021 lag de grens bijvoorbeeld op € 63.200 in plaats van € 64.000 voor gemeenten met weinig VVE-doelgroeppeuters. Deze correctie is een tijdelijke maatregel om ervoor te zorgen dat gemeenten met weinig VVE-aanbod ook een rol kunnen spelen in het geheel.
5.2. Uitdagingen in het aanbod
Een van de uitdagingen is de ongelijke verdeling van VVE-aanbod tussen gemeenten. In gemeenten met weinig VVE-doelgroeppeuters is het aanbod vaak beperkt, wat leidt tot wachttijden en tekorten. Daarnaast is er sprake van een beperkte correctie in de financiële uitgifte naar deze gemeenten, wat het moeilijker maakt om het aanbod te vergroten.
In 2019 werden er nieuwe cijfers gepubliceerd over het aantal VVE-doelgroeppeuters, die een vergelijkbaar beeld gaven als in 2017. Deze data is beschikbaar via het CBS-dashboardsysteem. De data is belangrijk voor beleidsmakers om het aanbod te kunnen plannen en uitbreiden.
6. Samenvatting: VVE en de 400-uur norm
De VVE is een wettelijk verplicht aanbod van voor- en vroegschoolse educatie voor kinderen in de doelgroep. Het wettelijke kader is 960 uren per kind, verdeeld over 40 weken, wat gemiddeld 16 uren per week uitmaakt. In de praktijk is het gebruikelijk dat dit aanbod zich richt op 400 uren per jaar, wat betekent dat ouders meestal een aangepast contract krijgen.
De financiering van VVE is grotendeels afhankelijk van de gemeente, die subsidie verstrekt op basis van een koptarief. De ouderbijdrage is afhankelijk van het inkomen en de gekozen variant van het VVE-aanbod. Aanbieders moeten rekening houden met extra kosten voor het inzetten van een VVE-beleidsmedewerker of coach.
De uitdagingen liggen in de vraag en het aanbod, waarbij sommige gemeenten met weinig VVE-doelgroeppeuters een beperkt aanbod hebben. Toch is er sprake van groei en flexibiliteit in de sector, die gunstig is voor zowel ouders als aanbieders.
Conclusie
VVE is een essentieel onderdeel van de Nederlandse kinderopvang die jonge kinderen voorbereidt op de overgang naar de basisschool. Het wettelijke kader van 960 uren per kind over 1,5 jaar wordt vaak omgezet in een praktische uitvoering van 400 uren per jaar. Dit heeft gevolgen voor ouders, aanbieders en gemeenten.
De financiële verdeling tussen ouders en gemeenten is duidelijk geregeld via beleidsregels en adviestabellen. Aanbieders moeten rekening houden met de inzet van VVE-beleidsmedewerkers en de flexibiliteit van het aanbod. Ouders krijgen een aangepast contract en een ouderbijdrage die afhankelijk is van hun inkomen.
De groei en flexibiliteit in het VVE-aanbod zijn gunstig voor de sector, maar er zijn ook uitdagingen te overwinnen, vooral in gemeenten met weinig VVE-doelgroeppeuters. De toekomst van VVE hangt af van het vermogen om de vraag en het aanbod in balans te houden.