Aandeel in VvE-reserve in 2017: Belastingtechnische betekenis en rechtspraak

Inleiding

Het aandeel in een VvE-reserve speelt een belangrijke rol in de belastingaangifte van particuliere appartementeneigenaren, met name in het kader van box 3. In 2017 bleek dit aandeel in de praktijk te worden aangemerkt als overig vermogen, wat leidde tot een hoog forfaitaire rendement en daarmee tot hogere belastingaanslagen. In de jaren daarna, met name in 2021 en 2022, ontwikkelde zich echter een rechtspraak die een andere interpretatie opleverde.

De rechter stelde in een aantal belangrijke uitspraken dat het aandeel in de VvE-reserve inderdaad als spaartegoed moest worden aangemerkt. Hierdoor daalt het rendementspercentage aanzienlijk, wat direct leidt tot lager belastbaar inkomen en daarmee tot een vermindering van de inkomstenbelasting. Deze verandering heeft grote betekenis voor de belastingaangifte van appartementeneigenaren die een aandeel in een VvE-reserve hebben.

Deze artikkel geeft een overzicht van de situatie in 2017, de rechtspraak die daarna volgde en de praktische gevolgen voor eigenaren en belastingaangifte. Aan de hand van jurisprudentie, fiscaal beleid en praktijkvoorbeelden wordt geanalyseerd hoe het aandeel in een VvE-reserve in 2017 wordt belast en hoe de huidige regels het rechtsherstel beïnvloeden.

Het aandeel in VvE-reserve in 2017: Categorie en belastingaanslag

In 2017 werd het aandeel in de VvE-reserve door de Belastingdienst aangemerkt als overig vermogen. Dit betekende dat het onder het hoog forfaitaire rendement viel, dat in 2017 5,38% bedroeg. Voor appartementeneigenaren met een aandeel in het reservefonds was dit een belangrijke belastingfactor, omdat het rendement automatisch werd berekend zonder rekening te houden met het werkelijke rendement van het vermogen.

In een uitspraak van de Rechtbank Den Haag in 2021 werd echter geconcludeerd dat obligaties en het aandeel in de VvE-reserve in 2017 niet als banktegoed konden worden aangemerkt, maar als overige bezittingen. Deze categorisering bleef in 2017 gelden, wat leidde tot hogere belastingaanslagen dan wat feitelijk verdiend werd. Aangezien het forfaitaire rendement hoger lag dan het werkelijke rendement, ontstond er een situatie waarin de Belastingdienst onjuist inkomen berekende en belastte.

De uitspraak van de Rechtbank Den Haag in 2021 was gericht op de jaren 2017, 2018 en 2020. In deze periode werd het aandeel in de VvE-reserve bij de belastingaanslag als overig vermogen meegerekend, wat voor eigenaren met een aandeel in het reservefonds leidde tot hogere belastingverplichtingen dan gerechtvaardigd was.

Een belangrijk argument van de Belastingdienst was dat het aandeel in de VvE-reserve geen deposito was zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht. Dit was echter niet zonder tegenstrijdigheden, zoals later bleek uit uitspraken van hogere rechtbanken.

Rechtspraak en rechtsherstel: Een nieuwe interpretatie van het aandeel in VvE-reserve

In 2022 en 2023 kwam de rechtspraak tot een andere conclusie. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in januari 2023 dat het aandeel in de VvE-reserve moet worden aangemerkt als spaartegoed. Dit was een belangrijke wending, omdat het betekende dat het aandeel in het reservefonds niet onder het hoge rendementspercentage van overig vermogen viel, maar onder het veel lagere rendement van spaartegoeden.

Het Gerechtshof stelde in zijn uitspraak dat VvE’s wettelijk verplicht zijn om hun reserves aan te houden op een aparte betaal- of spaarrekening zoals bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. Uit deze wettelijke verplichting volgt dat het aandeel in de VvE-reserve in essentie hetzelfde is als een spaartegoed, en dus onder een lager rendementspercentage valt.

Deze uitspraak had directe praktische gevolgen. In plaats van een forfaitaire rente van 5,38% (of hoger) bleef het rendement bij 0,12%, wat het belastbare inkomen aanzienlijk verlaagde. Dit betekende dat appartementeneigenaren in de jaren 2017 t/m 2021 recht op rechtsherstel hadden, omdat hun belastingaanslagen te hoog werden berekend.

Een belangrijk voorbeeld is het geval waarin de Belastingdienst in 2018 het aandeel in een VvE-reserve als overig vermogen aansloeg. Een particulier eigenaar legde voor de rechter uit dat het werkelijke rendement van het aandeel in het reservefonds veel lager was dan het forfaitaire rendement. De rechter stelde vast dat de Belastingdienst in dit geval verkeerd had gehandeld en dat het aandeel inderdaad als spaartegoed moest worden aangemerkt.

Praktijkgevolgen voor appartementeneigenaren

De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2023 heeft directe praktische gevolgen voor appartementeneigenaren met een aandeel in de VvE-reserve. De belangrijkste gevolgen zijn:

  1. Rechtsherstel voor jaren 2017 t/m 2021: Eigenaren kunnen nu aanspraak maken op rechtsherstel voor de jaren waarin hun aandeel in het VvE-reserve als overig vermogen is aangemerkt, omdat de berekening op een te hoog rendement was gebaseerd.

  2. Lagere belastingaanslagen voor de toekomst: Voorafgaand aan deze uitspraak was het aandeel in VvE-reserve vaak als overig vermogen meegerekend. Nu valt het onder de categorie spaartegoeden, wat leidt tot een forfaitaire rente van 0,12% in plaats van 5,38% of hoger.

  3. Eenvoudiger administratie: Het feit dat het aandeel in de VvE-reserve nu als spaartegoed wordt aangemerkt, vereenvoudigt de administratie voor eigenaren. In plaats van het werkelijke rendement te moeten berekenen, kunnen zij nu uitgaan van het forfaitaire rendement dat bij spaartegoeden hoort.

  4. Invloed op de belastingaangifte: Voor de jaren 2017 t/m 2021 is het mogelijk dat de belastingaangifte van appartementeneigenaren moet worden aangepast. Voor de jaren 2022 en 2023 geldt de nieuwe regel direct, wat een lagere belastingaanslag tot gevolg heeft.

Een belangrijk voorbeeld is gegeven in bron [4], waarin een appartementeneigenaar € 3.198 aandeel heeft in het VvE-reserve. Als dit bedrag in 2017 als overig vermogen is aangemerkt, is het belastbaar inkomen € 171,58 (5,38% van € 3.198). Als het aandeel in het reservefonds als spaartegoed is aangemerkt, daalt het belastbaar inkomen naar € 3,84 (0,12% van € 3.198). Dit leidt tot een aanzienlijke belastingvermindering.

Rechtsvraag over forfaitaire rente en werkelijk rendement

Een belangrijke rechtsvraag die zich in de jaren 2017 t/m 2020 heeft voorgedaan, is of het forfaitaire rendement of het werkelijke rendement moet worden gebruikt bij de berekening van het belastbare inkomen uit het aandeel in het VvE-reserve. Deze vraag is centraal geweest in meerdere rechtszaken en uitspraken.

In 2017 en 2018 werd het forfaitaire rendement gebruikt, ongeacht het werkelijke rendement. Dit leidde in sommige gevallen tot onjuiste belastingaanslagen, omdat het forfaitaire rendement hoger lag dan het werkelijke rendement van het aandeel in het VvE-reserve.

In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2023 werd geconcludeerd dat het forfaitaire rendement alleen mag worden gebruikt als het werkelijke rendement niet lager is. In het geval van het aandeel in het VvE-reserve is het werkelijke rendement vaak lager dan het forfaitaire rendement, wat betekent dat het forfaitaire rendement niet mag worden gebruikt. In plaats daarvan moet het werkelijke rendement worden berekend.

Deze uitspraak heeft geleid tot het idee dat het forfaitaire rendement alleen mag worden gebruikt als het werkelijke rendement onbekend is of niet lager is. In het geval van VvE-reserves is het werkelijke rendement vaak lager dan het forfaitaire rendement, wat betekent dat het forfaitaire rendement niet mag worden gebruikt.

Een belangrijk gevolg van deze uitspraak is dat appartementeneigenaren nu aanspraak kunnen maken op rechtsherstel voor de jaren waarin het forfaitaire rendement is gebruikt, ongeacht of het werkelijke rendement lager was.

Administratieve verplichtingen van VvE’s

Naast de belastingtechnische gevolgen voor eigenaren zijn er ook administratieve verplichtingen voor VvE’s. In de praktijk is het belangrijk dat VvE’s hun reserves op een correcte en transparante manier beheren. Dit is niet alleen van belang voor de belastingaangifte van eigenaren, maar ook voor de financiële gezondheid van de VvE.

In artikel 31 lid 3 van de splitsingsreglementen 1973 is bepaald dat over de gelden van het reservefonds slechts door de (vaste) voorzitter van de vergadering en één van de eigenaren (of twee afzonderlijke personen bij reglement 2017) samen kan worden beschikt. Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat één persoon de financiële middelen van de VvE kan misbruiken.

In de praktijk komt het echter weinig voor dat VvE’s deze bepalingen serieus nemen. Meestal vertrouwt men op de VvE beheerder of een betrouwbaar bestuurslid. Dit kan leiden tot risico’s, omdat het mogelijk is dat de middelen van de VvE worden misbruikt of onjuist worden beheerd.

Om deze risico’s te verminderen is het verstandig om één of twee eigenaren te benoemen die toezien op de uitgaven van het reservefonds. Dit kan bijvoorbeeld een kascommissie zijn of een controleur die regelmatig rapporteert over de financiële activiteiten van de VvE.

In de praktijk is het belangrijk dat VvE’s hun reserves op een aparte rekening houden, zoals gedefinieerd in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. Dit is niet alleen van belang voor de belastingaangifte van eigenaren, maar ook voor de financiële transparantie van de VvE.

Toekomstige ontwikkelingen en fiscaal beleid

In de jaren 2022 en 2023 zijn er verschillende ontwikkelingen geweest die invloed hebben op de belastingaangifte van appartementeneigenaren. Een van de belangrijkste ontwikkelingen is de wijziging in het fiscaal beleid ten aanzien van het aandeel in het VvE-reserve.

In het Belastingplan 2024 is besloten dat het aandeel in het vermogen van een VvE niet langer als overige bezittingen, maar als spaartegoeden wordt behandeld. Dit betekent dat het rendementspercentage van 6,17% (voor overige bezittingen) wordt vervangen door 0,1%. Deze verandering is met terugwerkende kracht vanaf januari 2023 in werking getreden.

Deze verandering heeft grote betekenis voor appartementeneigenaren, omdat het belastbare inkomen aanzienlijk daalt. Voor eigenaren met een aandeel in het VvE-reserve betekent dit dat de belastingaanslagen in de toekomst lager zullen zijn. Voor de jaren 2017 t/m 2022 is het mogelijk dat de belastingaangifte moet worden aangepast, omdat het aandeel in het reservefonds nu als spaartegoed wordt aangemerkt.

Een belangrijk voorbeeld is het geval waarin de Belastingdienst in 2018 het aandeel in het VvE-reserve als overig vermogen aansloeg. Nu is duidelijk dat het aandeel in het reservefonds onder de categorie spaartegoeden valt, wat leidt tot een lagere belastingaanslag. Voor eigenaren betekent dit dat ze aanspraak kunnen maken op rechtsherstel voor de jaren waarin het forfaitaire rendement te hoog was.

In de toekomst is te verwachten dat de Belastingdienst deze verandering in het fiscaal beleid systematisch doorvoert. Dit betekent dat appartementeneigenaren in de toekomst met een lager belastbaar inkomen kunnen rekenen. Voor VvE’s is het belangrijk om zich bewust te zijn van deze ontwikkelingen en ervoor te zorgen dat het reservefonds op een correcte en transparante manier wordt beheerd.

Conclusie

Het aandeel in het VvE-reserve is in 2017 door de Belastingdienst als overig vermogen aangemerkt, wat leidde tot een hoog forfaitaire rendement en daarmee tot hogere belastingaanslagen. In de jaren daarna, met name in 2021 en 2022, ontwikkelde zich echter een rechtspraak die een andere interpretatie opleverde. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde in 2023 vast dat het aandeel in het VvE-reserve inderdaad als spaartegoed moest worden aangemerkt. Hierdoor daalt het rendementspercentage aanzienlijk, wat direct leidt tot lager belastbaar inkomen en daarmee tot een vermindering van de inkomstenbelasting.

De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft directe praktische gevolgen voor appartementeneigenaren. De belangrijkste gevolgen zijn het rechtsherstel voor de jaren 2017 t/m 2021, een lagere belastingaanslag voor de toekomst en een eenvoudiger administratie. Voor VvE’s is het belangrijk om ervoor te zorgen dat het reservefonds op een correcte en transparante manier wordt beheerd.

In de toekomst is te verwachten dat de Belastingdienst deze verandering in het fiscaal beleid systematisch doorvoert. Voor appartementeneigenaren betekent dit dat de belastingaanslagen in de toekomst lager zullen zijn. Voor VvE’s is het belangrijk om zich bewust te zijn van deze ontwikkelingen en ervoor te zorgen dat het reservefonds op een correcte en transparante manier wordt beheerd.

Bronnen

  1. Obligaties en aandeel in VvE-reserve in 2017 – geen banktegoeden voor toepassing Wet rechtsherstel
  2. Box 3: aandeel in VvE reserve is spaartegoed
  3. FAQ VvE beheer
  4. Uw belastingaangifte en uw aandeel in het vermogen van de VvE
  5. Dossier Box 3
  6. Aandeel VvE reserve waarderen op forfait bank en spaartegoeden

Related Posts