In 2023 zijn er significante wijzigingen opgetreden in de belastingregeling van Box 3, met name qua de indeling van vermogensbestanddelen. Dit betreft in het bijzonder het aandeel van individuen in een Vereniging van Eigenaars (VvE). In dit artikel wordt een gedetailleerde en overzichtelijke uitleg gegeven van de veranderingen, de juridische en fiscale gevolgen, en de praktische implicaties voor eigenaren van appartementen of woningen die onderdeel zijn van een VvE. De informatie is gebaseerd op de meest recente officiële en juridische bronnen, zoals publicaties van de Belastingdienst, wetgeving, en toelichtingen van fiscale experts.
Inleiding
Het aandeel in een Vereniging van Eigenaars (VvE) valt onder de vermogenscategorieën die in Box 3 van de aangifte inkomstenbelasting worden belast. Tot 2023 was dit aandeel in de categorie "overige bezittingen" ingedeeld, met een forfaitair rendement van 6,17%. In 2023 is er echter een verandering geweest: het aandeel in een VvE is verplaatst naar de categorie "banktegoeden", wat geleidt tot een aanzienlijk lager forfaitair rendement van 0,36%. Deze wijziging heeft directe gevolgen voor de belastingaangifte en het fiscale voordeel van VvE-eigenaren. Daarnaast zijn er ook wijzigingen opgetreden in de behandeling van onderlinge vorderingen en schulden tussen fiscale partners, wat verder ingegaan wordt in dit artikel.
Veranderingen in de Indeling van Vermogensbestanddelen in Box 3
1. Aandeel in VvE onder Banktegoeden
Volgens de informatie van meerdere betrouwbare bronnen, inclusief het kabinet en fiscale adviseurs, is het aandeel in een VvE in 2023 met terugwerkende kracht verlegd van de categorie "overige bezittingen" naar "banktegoeden". Deze verandering is voortgekomen uit een juridisch oordeel van de Hoge Raad, waarin werd geoordeeld dat het aandeel in een VvE in feite vergelijkbaar is met een banktegoed, gezien de wederzijdse verplichtingen en het karakter van het vermogen dat door de VvE wordt beheerd.
Het forfaitaire rendement op banktegoeden in 2023 is vastgesteld op 0,36%, terwijl het forfaitaire rendement op overige bezittingen nog steeds 6,17% is. Deze daling van meer dan 5 procentpunt heeft dus aanzienlijke gevolgen voor de belastingaangifte. Voor VvE-eigenaren betekent dit dat hun aandeel in Box 3 met een aanzienlijk lager rendement wordt belast, wat leidt tot een verminderde belastingaanslag.
2. Aandeel in Derdengeldenrekening
Een ander vermogensbestanddeel dat in 2023 verlegd is naar de categorie "banktegoeden", is het aandeel in een derdengeldenrekening. Dit betreft een rekening die door een notaris of gerechtsdeurwaarder wordt beheerd en vaak wordt gebruikt bij de uitvoering van executies of bij het beheer van fondsen in een onverdeelde boedel. Omdat deze rekening in feite functioneert als een banktegoed, is de verandering logisch en juridisch onderbouwd.
3. Gevolgen voor Belastingaangifte
De verandering van categorie heeft directe gevolgen voor de belastingaangifte. Eigenaren van een aandeel in een VvE moeten hun vermogen op 1 januari 2023 opnemen in de categorie "banktegoeden". De belastingaanslag wordt dan berekend op basis van het forfaitaire rendement van 0,36%, in plaats van 6,17%. Dit betekent dat de belasting die moet worden betaald voor dit vermogen aanzienlijk lager is dan in voorgaande jaren.
Het is belangrijk om op te merken dat deze verandering met terugwerkende kracht is ingevoerd. Dit betekent dat ook voor de jaren 2022 en eventueel 2021 de aangeefbaar vermogen onder de categorie "banktegoeden" kan worden geplaatst, mits de belastingdienst dit aanvaardt. Dit biedt fiscaal partners mogelijkheden om eventuele correcties aan te vragen.
Belastingaangifte en Schijvenstelsel in Box 3
1. Het Schijvenstelsel in Box 3
In Box 3 wordt het voordeel uit sparen en beleggen belast. Dit betreft het forfaitaire rendement dat op het vermogen wordt verondersteld, afhankelijk van de categorie waarin het vermogen valt. Voor 2023 is een nieuw schijvenstelsel ingevoerd, waarbij drie categorieën worden onderscheiden: banktegoeden, beleggingen en overige bezittingen, en schulden. Elk van deze categorieën heeft een eigen forfaitair rendement.
De huidige percentages zijn als volgt:
- Banktegoeden: 0,36%
- Beleggingen en overige bezittingen: 6,17%
- Schulden: 2,46%
Deze percentages worden gebruikt om het forfaitaire rendement te berekenen, waarop de belastingaanslag van 32% wordt berekend.
2. Heffingvrij Vermogen
Het heffingvrije vermogen in Box 3 is in 2023 opnieuw vastgesteld. Voor een enkele persoon bedraagt dit € 57.000. Voor gehuwden of samenwonenden is het heffingvrije vermogen € 114.000. Dit heffingvrije vermogen kan onder bepaalde voorwaarden worden overgedragen aan de partner. Vermogen dat boven deze vrijstelling ligt, valt onder belasting.
Het aandeel in een VvE wordt nu onder het heffingvrije vermogen ingedeeld als banktegoed, wat betekent dat het minder snel belast wordt dan wanneer het nog onder "overige bezittingen" viel.
3. Belastingaanslag en Berekening
De belastingaanslag in Box 3 wordt berekend door het forfaitaire rendement te vermenigvuldigen met het vermogen, minus eventuele schulden. Voor het aandeel in een VvE betekent dit dat het forfaitaire rendement van 0,36% wordt toegepast op het vermogen van de VvE, minus eventuele schulden van de VvE.
Een voorbeeld:
Stel dat iemand een aandeel heeft in een VvE van € 100.000.
Forfaitair rendement: 0,36%
Rendement: € 360
Belastingaanslag: 32% van € 360 = € 115,20
Vergelijk dit met het rendement in voorgaande jaren, waarbij het forfaitair rendement nog 6,17% was:
Rendement: € 617
Belastingaanslag: 32% van € 617 = € 197,44
Dus in dit voorbeeld is de belastingaanslag met 82 euro gedaald, zonder dat er daadwerkelijk een verandering in het vermogen of het werkelijke rendement heeft plaatsgevonden.
Veranderingen in de Behandeling van Onderlinge Vorderingen en Schulden
1. Defiscalisatie van Onderlinge Vorderingen en Schulden
In 2023 is ook een verandering ingevoerd in de behandeling van onderlinge vorderingen en schulden tussen fiscale partners. In het verleden moesten deze vorderingen en schulden in de belastingaangifte worden vermeld en werden zij belast op basis van de verschillende forfaitaire rendementen. Dit leidde vaak tot onnodige belastingaanslagen, omdat vorderingen en schulden tussen partners in feite geen fiscaal voordeel opleveren.
Het kabinet heeft besloten deze vorderingen en schulden vanaf 2023 te defiscaliseren. Dit betekent dat ze niet meer hoeven te worden vermeld in de belastingaangifte en dat ze niet meer belast worden. Dit is een belangrijke wijziging, die vooral fiscaal partners voordelig is.
2. Toepassing op Ouders en Minderjarige Kinderen
Deze verandering geldt ook voor relaties tussen ouders en minderjarige kinderen. In deze gevallen is het inkomen van het minderjarige kind meestal toegerekend aan de ouders, waardoor er sprake is van één belastingaangifte. Omdat er dus sprake is van één fiscaal partnerschap, kunnen onderlinge vorderingen en schulden ook hier worden deficaliseerd.
3. Gevolgen voor de Belastingaanslag
De defiscalisatie van onderlinge vorderingen en schulden leidt tot een daling van de belastingaanslagen, aangezien deze vorderingen en schulden niet meer belast worden. Het verschil in forfaitaire rendementen tussen overige bezittingen (6,17%) en schulden (2,57%) leidde eerder tot onnodige belastingaanslagen. Door deze vorderingen en schulden te defiscaliseren, wordt dit effect vermeden.
Toekomstige Wijzigingen en Uitstel van het Nieuwe Stelsel
1. Uitstel van het Nieuwe Stelsel
Het huidige stelsel van Box 3, waarbij het werkelijke rendement wordt gebruikt voor de berekening van de belastingaanslag, was voor 2026 gepland. Echter, het kabinet heeft besloten dit uit te stellen naar 2027. Dit geeft fiscaal partners en belastingadviseurs meer tijd om zich aan te passen aan het nieuwe stelsel.
2. Mogelijke Aanpassingen in 2024
In mei 2023 is er een overleg geweest tussen het kabinet en de Tweede Kamer over eventuele verdere aanpassingen in Box 3. Op basis van de kamerbrief van april 2023 zijn al enkele ideeën genoemd, waaronder:
- Het verhogen van de heffingskorting voor groen beleggen naar 1,1%.
Deze aanpassingen zouden mogelijk in 2024 ingevoerd worden, wat betekent dat er in de komende jaren nog verder veranderingen kunnen komen in de regeling van Box 3.
Praktische Implicaties voor VvE-eigenaren
1. Verminderde Belastingaanslag
De verandering in de indeling van het aandeel in een VvE heeft directe gevolgen voor de belastingaanslag. Door het aandeel nu te beschouwen als een banktegoed in plaats van een overige bezitting, is het forfaitaire rendement aanzienlijk gedaald. Dit betekent dat de belastingaanslag voor veel VvE-eigenaren verminderd is.
2. Noodzaak van Fiscaal Advies
Aangezien de wijzigingen met terugwerkende kracht zijn ingevoerd, is het verstandig voor VvE-eigenaren om fiscaal advies in te winnen. Fiscaal experts kunnen bepalen of correcties kunnen worden aangevraagd voor voorgaande jaren en of de nieuwe indeling voorheen al had kunnen worden toegepast.
3. Overdracht van Het Heffingvrije Vermogen
Het heffingvrije vermogen van € 57.000 per persoon of € 114.000 per koppel kan onder bepaalde voorwaarden worden overgedragen. Voor VvE-eigenaren kan dit van belang zijn, omdat hun aandeel in de VvE nu onder het heffingvrije vermogen valt. Een fiscaal adviseur kan hierbij helpen om te bepalen hoe het heffingvrije vermogen het meest voordelig kan worden gebruikt.
Conclusie
De veranderingen in Box 3 in 2023 hebben directe en significante gevolgen voor VvE-eigenaren. Het aandeel in een VvE is verlegd van de categorie "overige bezittingen" naar "banktegoeden", wat leidt tot een aanzienlijk lager forfaitair rendement. Dit heeft als gevolg dat de belastingaanslag voor veel VvE-eigenaren is gedaald. Daarnaast zijn er ook wijzigingen opgetreden in de behandeling van onderlinge vorderingen en schulden, die nu worden defiscaliseerd. Deze veranderingen zijn bedoeld om de belastingaanslagen te verlagen en fiscale onzekerheid te verminderen.
Fiscaal partners en VvE-eigenaren worden aangeraden fiscaal advies in te winnen om te bepalen hoe deze veranderingen het meest voordelig kunnen worden gebruikt. De veranderingen zijn terugwerkend van kracht, wat betekent dat ook voor voorgaande jaren eventuele correcties mogelijk zijn. In de toekomst is het mogelijk dat er nog verdere wijzigingen komen, zoals het uitstellen van het nieuwe stelsel en eventuele aanpassingen in 2024.