De verplichte minimale bijdrage in het reservefonds van een VvE

De verplichte minimale bijdrage aan het reservefonds van een Vereniging van Eigenaars (VvE) is sinds recente wetswijzigingen een centraal element in de financiële planningsstrategie van VvE’s in Nederland. Deze regeling is bedoeld om te zorgen dat VvE’s voldoende middelen beschikbaar hebben voor het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud en geplande vernieuwingen van het appartementencomplex. De minimale bijdrage wordt berekend op basis van een percentage van de herbouwwaarde van het gebouw en is in de wet vastgelegd met een minimumpercentage van 0,5%.

Hoewel de verplichte minimale reservering een maatregel is om het onderhoudsniveau van appartementencomplexen te verhogen, blijft het percentage flexibel binnen bepaalde grenzen. De VvE heeft de mogelijkheid om via een besluit van de algemene ledenvergadering (ALV) een hoger percentage vast te stellen, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het appartementencomplex. Tevens is er sprake van uitzonderingen voor VvE’s die een Meerjaren Onderhoudsplan (MJOP) opstellen en kunnen aantonen dat een lager percentage voldoende is.

In dit artikel wordt een gedetailleerde toelichting gegeven over de verplichte minimale bijdrage in het reservefonds van een VvE. We bespreken de wettelijke achtergronden, de praktijkimplicaties, de rol van de ALV, en de mogelijkheden voor VvE-leden om de bijdrage te herzien of aan te passen. Het artikel richt zich zowel aan toekomstige en huidige woningeigenaren, als aan investeerders en professionele partijen die betrokken zijn bij het beheer van appartementencomplexen.

Wettelijke achtergronden van de minimale bijdrage

De verplichte minimale bijdrage aan het reservefonds is een wettelijke maatregel die is ingevoerd om te zorgen dat VvE’s voldoende middelen beschikbaar hebben voor het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud en geplande vernieuwingen. Deze maatregel is vastgelegd in Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (Bw) en de Woningwet. Het minimumpercentage van 0,5% is gebaseerd op de herbouwwaarde van het gebouw. Dit percentage is een maatregel om VvE’s te verplichten om jaarlijks een bepaalde hoeveelheid geld opzij te leggen voor het onderhoud van het appartementencomplex.

De keuze voor 0,5% is niet willekeurig gedaan. Het percentage is afgeleid uit eerdere analyses en gesprekken met vertegenwoordigers van partijen uit het veld, zoals VvE Belang, VGM NL, NHG, gemeenten en diverse VvE-juristen. In 2013 en 2014 is er een duidelijke druk vanuit de sector geweest om een verplichte minimale reservering in het reservefonds te introduceren. De voorgestelde maatregel is een percentage van de herbouwwaarde van het gebouw, met een uitzondering voor VvE’s die op basis van een MJOP kunnen aantonen dat een lagere reservering voldoende is.

De toelichting op de wetswijziging vermeldt dat er circa 121.000 VvE’s zijn in Nederland, met ongeveer 1,2 miljoen appartementen bestemd voor bewoning. Volgens het onderzoek van Companen uit 2012 reserveert 51% van de VvE’s onvoldoende middelen voor onderhoud en geplande vernieuwingen. Dit cijfer toont aan dat een wettelijke verplichting noodzakelijk was om het reserveringsniveau van VvE’s te verhogen.

De wetswijziging is ook bedoeld om de financiële kredietwaardigheid van VvE’s te verbeteren. Door de verplichte minimale reservering te introduceren, hebben geldverstrekkers meer zekerheid over de betrouwbaarheid van VvE’s. Dit maakt het voor VvE’s makkelijker om financiering te verkrijgen voor groot onderhoud en vernieuwingen, zonder dat geldverstrekkers extra voorwaarden hoeven te stellen.

De praktijk van reservering in VvE’s

Hoewel de verplichte minimale bijdrage in de wet is vastgelegd, blijkt uit onderzoeken dat veel VvE’s niet of onvoldoende reserveert voor het onderhoud van hun appartementencomplexen. Bij de introductie van het reservefonds in 2005 was er geen verplichte minimale hoogte van de reservering, omdat er toen het idee was dat VvE’s voldoende prikkels hadden om een goed reservefonds op te bouwen. Daarnaast was men van oordeel dat het benodigde reserveringsbedrag afhing van de eigenschappen van het gebouw, waardoor het niet nodig leek om voor elk gebouw een vast minimum te leggen.

Toch heeft onderzoek aangetoond dat deze aanpak niet heeft geleid tot de gewenste resultaten. Uit een onderzoek van Companen uit 2013 is gebleken dat 81% van de VvE’s over een onderhoudsfonds beschikt, maar dat van die VvE’s 76% gelooft dat het fonds voldoende is. Dit zou betekenen dat ongeveer 40% van de VvE’s niet of onvoldoende reserveert. Echter, uit het onderzoek komt ook naar voren dat 51% van de VvE’s te weinig reserveert. Dit cijfer is het gevolg van een correctie die is gemaakt in de analyse van de onderzoekers.

De verplichte minimale reservering is dus ingevoerd om deze tekortkomingen in het reserveringsgedrag van VvE’s aan te kaarten. Het is geëist dat VvE’s jaarlijks een bepaalde hoeveelheid geld opzij leggen, namelijk ten minste 0,5% van de herbouwwaarde van het gebouw. Het percentage is een minimum, wat betekent dat VvE’s vrij zijn om via een besluit van de ALV een hoger percentage vast te stellen. Er is geen wettelijke bovengrens voor het percentage, omdat het niet de verwachting is dat VvE’s tot onnodig hoge reserveringen zouden besluiten. Dit wordt onder andere toegelicht in de toelichting op de wetswijziging.

Bij de introductie van het reservefonds was er geen verplichte minimale hoogte van de reservering. Toen werd het idee geopperd dat het benodigde reserveringsbedrag afhankelijk was van de eigenschappen van het gebouw, waardoor het niet nodig leek om voor elk gebouw een vast minimum te leggen. Maar het onderzoek van Companen uit 2013 heeft aangetoond dat deze aanpak niet heeft geleid tot het gewenste reserveringsniveau. Daarom is de verplichte minimale bijdrage ingevoerd om ervoor te zorgen dat VvE’s voldoende middelen beschikbaar hebben voor onderhoud en vernieuwing.

De rol van de ALV in de bepaling van de bijdrage

De bepaling van de minimale bijdrage aan het reservefonds is een proces dat voornamelijk door de VvE zelf wordt gereguleerd. Dit betekent dat de VvE vrij is om het percentage te bepalen, zolang het minimumpercentage van 0,5% niet onder wordt gehouden. De verandering van het percentage kan alleen gebeuren via een besluit van de algemene ledenvergadering (ALV). Dit is een formele vergadering waarbij alle leden van de VvE aanwezig kunnen zijn en hun mening kunnen geven over het voorgestelde besluit.

De ALV is een essentieel instrument bij het bepalen van de minimale bijdrage aan het reservefonds. Tijdens deze vergadering kan een voorstel worden ingediend om het percentage van de reservering te verhogen of te verlagen. De beslissing over dit voorstel wordt genomen door de leden van de VvE. Het is belangrijk dat de leden tijdens deze vergadering goed geïnformeerd zijn over de financiële situatie van de VvE en de toekomstige plannen voor onderhoud en vernieuwing van het appartementencomplex.

Als een VvE een lager percentage van de reservering wil vaststellen, moet dit worden onderbouwd met een MJOP. Dit is een plan dat aantoont dat de VvE op de lange termijn voldoende middelen beschikbaar heeft voor het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud en geplande vernieuwingen. Het MJOP is een wettelijk verplichte maatregel die VvE’s moeten opstellen om hun onderhoudsstrategie te documenteren. Het MJOP moet duidelijk aangeven hoe de VvE in de komende jaren omgaat met onderhouds- en vernieuwingskosten.

De ALV speelt ook een rol bij het besluiten of een MJOP moet worden opgesteld. Als een VvE besluit om een MJOP op te stellen, moet dit worden gedaan binnen een bepaalde tijdsperiode. Het MJOP moet vervolgens regelmatig worden herzien en aangepast aan de veranderende omstandigheden van het appartementencomplex.

Mogelijkheden voor VvE-leden om de bijdrage te herzien

Voor VvE-leden is het belangrijk om te weten dat het mogelijk is om de minimale bijdrage aan het reservefonds te herzien of aan te passen. Dit kan op verschillende manieren gebeuren. De eerste stap is om tijdens een ALV een voorstel in te dienen om het percentage van de reservering te verhogen of te verlagen. Dit voorstel moet goed onderbouwd zijn met financiële informatie en een MJOP, als de VvE een lager percentage wil vaststellen.

Een andere manier om de bijdrage te herzien is door de splitsingsakte van het appartementencomplex te bekijken. De splitsingsakte bepaalt hoe de VvE-kosten worden verdeeld over de leden van de VvE. In een gebouw met verschillende types woningen kan het gebeuren dat de verdeling van de VvE-kosten niet eerlijk is. In dergelijke gevallen kan het nodig zijn om de splitsingsakte te herzien en aan te passen aan de huidige situatie van het appartementencomplex.

Als een VvE-led niet weet hoe het de bijdrage moet herzien, kan het overwegen om een externe VvE-beheerder in te schakelen. Deze beheerder kan op basis van kennis en ervaring een realistische berekening maken van de maandelijkse kosten van de VvE. Dit kan helpen om te bepalen of de huidige bijdrage voldoende is of dat er ruimte is voor een lager bedrag.

Het is ook mogelijk om een juridisch advies in te winnen over de mogelijkheden voor het herzien van de bijdrage. Dit kan vooral nuttig zijn als er onenigheid is tussen de leden van de VvE over het percentage van de reservering. Een juridisch advies kan helpen om te bepalen of een voorstel om het percentage te verlagen of te verhogen juridisch haalbaar is.

Conclusie

De verplichte minimale bijdrage aan het reservefonds van een VvE is een maatregel die is ingevoerd om te zorgen dat VvE’s voldoende middelen beschikbaar hebben voor onderhoud en vernieuwing van het appartementencomplex. Het minimumpercentage van 0,5% is vastgelegd in de wet en kan worden aangepast door de VvE via een besluit van de ALV. Deze regeling is bedoeld om het reserveringsniveau van VvE’s te verhogen en de financiële kredietwaardigheid van VvE’s te verbeteren.

De praktijk van reservering in VvE’s toont aan dat veel VvE’s niet of onvoldoende reserveert voor onderhoud en vernieuwing. Dit heeft geleid tot de ingevoerde verplichte minimale bijdrage. Het is belangrijk dat VvE’s goed weten hoe ze het percentage van de reservering moeten bepalen en dat ze dit jaarlijks controleren en eventueel aanpassen. De ALV speelt een centrale rol in dit proces en is een essentieel instrument bij het bepalen van de minimale bijdrage aan het reservefonds.

VvE-leden kunnen de bijdrage aan het reservefonds herzien of aanpassen door tijdens een ALV een voorstel in te dienen. Daarnaast is het mogelijk om de splitsingsakte van het appartementencomplex te herzien of een externe VvE-beheerder in te schakelen. Het is belangrijk dat VvE-leden goed informeerd zijn over de financiële situatie van de VvE en de toekomstige plannen voor onderhoud en vernieuwing van het appartementencomplex.

De verplichte minimale bijdrage aan het reservefonds is een maatregel die helpt bij het verbeteren van het onderhoudsniveau van appartementencomplexen. Het is belangrijk dat VvE’s deze maatregel serieus nemen en dat ze jaarlijks controleren of het percentage van de reservering voldoet aan de wettelijke eisen en aan de behoeften van het appartementencomplex. Door dit te doen, kunnen VvE’s ervoor zorgen dat hun appartementencomplex goed onderhouden wordt en dat de waarde van de appartementen behouden blijft.

Bronnen

  1. Wet van 26 februari 2011 tot wijziging van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en de Woningwet
  2. Toelichting op de wet van 26 februari 2011
  3. Companen onderzoek 2012
  4. Modelreglement 2006
  5. Parelbeheer: Is mijn VvE-bijdrage niet te hoog?

Related Posts